Les 1 – hoofdstuk 5
Hoe leren kinderen een taal?
Basis verwerven <-> complexiteit van taal, uitzonderingen
Uiteenlopende theorieën het denken over hoe je taal leert, is geëvolueerd:
Behaviorisme:
Taalverwerving verloopt volgens bekrachtiging (positieve feedback) en
conditionering (beloning van goed gedrag)
Bv.: kinderen leren een taal door volwassenen te imiteren, waarop die
volwassenen vervolgens positief reageren.
Nativisme:
Taalleervermogen is aangeboren en bevindt zich in de hersenen.
Noam Chomsky: ‘language acquisition device’
Interactionele benadering:
Combineert de 2 voorgaande theorieën=
Mogelijkheid om taal te verwerven, is van bij geboorte in hersenen
aanwezig, maar die mogelijkheid moet door omgeving geactiveerd en
gestimuleerd worden.
Taalverwervingsproces:
5.1 De 4 fases van vroege taalverwerving
1. Voortalige fase (0 – 12 maanden)
Nog geen echt spreken, wel belangrijke basis voor receptieve
vaardigheden
Overgang naar bewust communiceren
- Huilen (0 – 2 maanden)
verschillende betekenissen (honger, pijn, ongemak…)
- Vocaliseren (2 – 6 maanden)
Bv.: kirren, lachen, gorgelen
1e tekenen van stemgebruik
- Brabbelen (6 – 12 maanden)
Experimenteren met klanken + herhalingen
, 1e woordje = moment waarop je taal gaat gebruiken
= weet dat symboolfunctie bestaat
2. Vroegtalige fase (12 – 30 maanden)
= linken leggen tussen taal en voorwerpen, personen, handelingen of
situaties
SYMBOOLFUNCTIE
- Eerste woorden (12 – 18 maanden)
meestal betrekking op directe omgeving (‘mama’, ‘papa’, ‘bal’)
- Tweewoordfase (18 – 24 maanden)
woorden combineren tot eenvoudige zinnen van 2 woorden
- Meerwoordzinnen
- Uitbreiding van woordenschat en grammatica (24 – 30 maanden)
3. Differentiatiefase (2,5 – 5 jaar)
Grote spreek- en luisterstappen vooruit!
Woorden, betekenisrelaties, articulatie
- Fonologische ontwikkeling
Vervormingen
Hypercorrectie (bv.: ‘bluin’ ipv bruin, ‘brauw’ ipv blauw)
- Lexicale ontw.
Protowoorden: betekenisverenging en betekenisverruiming
Van concreet (situatiegebonden) naar abstract (sitautievrij)
Kenmerken van kindertaal: neologisme, analogie
Moeite met synoniemen, homoniemen, beeldspraak
- Syntactische ontw.
Eénwoordzin
Tweewoordzin
Meerwoordzin
- Morfologische ontw.
Imitatie: regels oppikken uit het taalaanbod
Overregularisatie: voortdurend gebruik van opgepikte regels,
ook al zijn ze fout
Uiteindelijk wel juist verbuigen en vervoegen
o Verkleinwoord
Beperkt
Gebruik van verkleinwoorden zonder
onderscheid tussen groot en klein te maken
(cognitieve ontw.)
Intens en generaliserend gebruik van
verkleinwoorden
Vanaf inzicht in grootte: normaal gebruik
, o Persoonlijk voornaamwoord
Ik – jij
Aanvankelijk enkel eigennaam
Nadien inzicht in wisselende rollen in systeem
Ik = spreker
Jij = luisteraar
Hij – zij
Onderscheid tss mannelijk en vrouwelijk
Vaak nog ‘hij’ voor vrouwelijke personen
Moeilijk bij voorwerpen
o Bezittelijk voornaamwoord
Onderscheid tss mannelijk/vrouwelijk/onzijdig is nog
heel moeilijk
Eerst verschil ontdekken tss man/vrouw, meisje/jongen
Pas nadien ook grammaticale geslacht (zijn/haar)
4. Voltooiingsfase (5 jaar en ouder)
- Taalontwikkeling stopt nooit!
- Complexe grammaticale structuren
Grammaticale regels
Complexe zinnen begrijpen en produceren
- Pragmatiek
Taal effectiever gebruiken in verschillende sociale contexten
- Verfijnen van taalgebruik
Taalvaardigheid verfijnd en aangepast aan specifieke
behoeften van communicatie in verschillende situaties
5.2 Het belang van input én output
Taalaanbod
Voldoende, regelmatig, uitgebreid, betekenisvol,
nieuw, inspelend op interesses, ingebed in context
Spreekruimte
Voldoende kansen om zelf taal te produceren
Feedback
Ter ondersteuning, vollediger of juister verwoorden,
hypotheses aftoetsen, geïnteresseerd doorvragen
ZIE: ‘oefening taalverwerving’ (examenvraag!)
, Les 2 – hoofdstuk 1
Spelen, zorgen én taal leren
1.1 Zorgzame speel- en leermomenten in de kleuterklas
Kleuters in volle ontwikkeling
Maken op verstandelijk en sociaal-emotioneel vlak grote sprongen
Als kleuterleerkracht: emotionele en educatieve ondersteuning
Emotionele ondersteuning
Je biedt nodige zorg veilige haven
Warmte en geborgenheid
Veilige en liefdevolle basishouding
Persoonlijke aanspreking
Educatieve ondersteuning
Leren en ontwikkeling stimuleren (cognitief en talig vlak)
Kwaliteitsvolle en betekenisvolle interacties en activiteiten verruimt
leefwereld
Rijk en gevarieerd taalgebruik
Spreekkansen geven + inspelen op hun eigen taaluitingen
Zorgen + leren + spelen
Zorgmoment = leermoment: knie aan het verzorgen en terwijl een gesprek aan
het voeren met kleuter / verschillende dingen benoemen
Speelmoment = leermoment: als leerkracht mee met kleuter gaan spelen in
winkelhoekje, een winkelgesprek aangaan met kleuter leert hoe je een gesprek
moet voeren in bepaalde situatie
Leermoment en speelmoment vragen zorgende houding
1.2 Geïntegreerd werken aan taal in de kleuterklas
Dag in kleuterklas zit boordevol taalleerkansen
ELK moment benutten, ook routines
Groot aantal rijke taalleermomenten
Motor van taalverwerving op volle toeren laten draaien: alledaagse taal
+ schooltaal
Taalvaardigheid is nodig voor schoolsucces
1.3 Kwaliteitsvol taalonderwijs: werken aan taalcompetentie
Taalcompetentie =
Taalkennis
wat je bewust en onbewust weet over allerlei aspecten van taal,
taalgebruik en taalsysteem. Deze kennis heb je nodig om je talige
vaardigheden toe te passen en af te stemmen op je doel, publiek, context.