Inhoud
Hoofdstuk 1: Beroepsprofiel en deontologie..........................................................................................2
Hoofdstuk 2: Werkveldherkenning.........................................................................................................8
Hoofdstuk 4: Het methodisch basisschema..........................................................................................14
Hoofdstuk 5: Observatie en rapportage................................................................................................25
Hoofdstuk 6: Reflecteren......................................................................................................................42
1
,Hoofdstuk 1: Beroepsprofiel en deontologie
KENMERKEN VAN DE BASISHOUDING
• Betrokkenheid = het aangaan van een band met anderen
Ga je een band aan met je cliënt?
Heb je interesse voor de persoon?
Een professionele relatie is anders dan een vriendschap:
Zijn je afstand en nabijheid zijn passend?
Ben je echt?
Sta je open voor je eigen gevoelens?
Aanvaard jij je cliënt onvoorwaardelijk?
Bied jij de best mogelijke zorg?
• Empathie = kunnen kijken door de bril van de ander, vanuit de leefwereld en de
beleving van de ander (= Theory of mind of mentaliseren)
Kan jij je inleven in de gevoelens, gedachten en verlangens van anderen?
Kan jij vanuit de bril van de ander kijken?
Vertrekken we vanuit de kracht van onze cliënt?
Kan je weten wat een cliënt echt nodig heeft door naar zijn/haar gedrag te
kijken?
• Assertiviteit = durven opkomen voor jezelf
Durf jij opkomen voor jezelf?
Kan jij je eigen behoeften aanvoelen en benoemen?
Kan jij op een positieve en aanvaardbare manier je mening geven?
Kan je rekening houden met de ander en de band die jullie hebben?
Is het respect voor jezelf en respect voor de ander in evenwicht?
• Verantwoordelijkheid 2 soorten van verantwoordelijkheid:
Zorgverantwoordelijkheid = als begeleider heb je de plicht en
verantwoordelijkheid om jouw cliënt de best mogelijke zorg te bieden
o Bied jij de best mogelijke zorg?
o Neem je dus je zorgverantwoordelijkheid op?
Aansprakelijkheidsverantwoordelijkheid = je kan aangesproken worden op
jouw handelen en je moet kunnen verantwoorden voor jouw pedagogisch
handelen en de beslissingen die je daarbij neemt
o Kan jij je beslissingen en handelingen verantwoorden?
o Neem je dus je aansprakelijkheidsverantwoordelijkheid op?
• Betrouwbaarheid = op jou kunnen rekenen en vertrouwen
Zeg jij wat je doet en doe je wat je zegt?
Kan je cliënt, je collega’s en je organisatie op jou rekenen?
Kom jij al je afspraken na?
Houd jij je aan de beloftes die je maakt?
Laat jij zien wat je voelt, denkt en wenst zodat je transparant bent?
• Flexibiliteit = hoe flexibel je bent in jouw pedagogisch handelen
Hoe goed ga jij om met veranderingen?
Kan jij je planning omgooien?
Kan je omgaan met plots andere taken of verwachtingen?
2
, Kan jij je aanpak veranderen en inspelen op wat op dat moment het beste is
voor de cliënt?
Kan jij je kijk, je houding, je mening, je handelen bijsturen?
BEROEPSPROFIEL: OP WELKE 4 DOMEINEN IS DE BEGELEIDER
VERANTWOORDELIJK?
1. t.a.v. zijn cliënt
Orthopedagogische functie
2. t.a.v. zichzelf
Zelfhanteringsfunctie
3. t.a.v. andere medewerkers
Samenwerkingsfunctie
4. t.a.v. het beleid
Beleidsfunctie
Domein 1: ORTHOPEDAGOGISCHE FUNCTIE
Vanuit de zorgvraag van de cliënt
Methodisch agogisch handelen (zie schema hoofdstuk 4 p.54)
- Doelgericht: er is een duidelijk doel dat men vooropstelt en wilt bereiken
- Bewust: niet vanuit intuïtie of buikgevoel maar doordacht
- Systematisch: stap voor stap
- Procesmatig: met vallen en opstaan, dynamisch
Domein 2: ZELFHANTERINGSFUNCTIE
Als opvoeder werk je met ‘jezelf’
Jouw voornaamste instrument is
- Jouw manier van denken (inzicht)
- Jouw manier van handelen (gedrag)
- Jouw houding (attitudes)
Verantwoordelijkheid voor een evenwichtige verhouding tot zichzelf
Belangrijk zijn zelfkennis en zelfinzicht, in voortdurende ontwikkeling
Belangrijk is zelfzorg! Metafoor zuurstofmaskers in een vliegtuig: Je kunt pas goed
voor iemand zorgen als je goed voor jezelf zorgt. Zeker voor een hulpverlener zou
zelfzorg bovenaan de agenda moeten staan.
5-10% van deze professionals wordt vroeg of laat getroffen door een burn-out.
(Komt later uitgebreid aan bod in ORTA)
Domein 3: SAMENWERKINGSFUNCTIE
1. Verantwoordelijkheid als lid van een (multidisciplinair) team
2. Samen voor eenzelfde doel gaan
3. Complementariteit van collega’s
Domein 4: BELEIDSFUNCTIE
• Kader rond jouw functioneren: voorzien door de organisatie en de samenleving
3
, • Vanuit een beroepsethisch kader: verantwoording van bepaalde hulpverlening en hoe
deze de levenskwaliteit bevordert
Oefening
Dries, jongen van 15 jaar, ASS, LVB heeft zijn computermomentje in de leefgroep. Jij bent
even aan het koken in de keuken, wanneer je terug in de living komt zie je dat Dries aan het
surfen is naar pornowebsites.
Bespreek je handelen en verantwoordelijkheid op 4 domeinen:
• t.a.v. zijn cliënt Orthopedagogische functie
• t.a.v. zichzelf Zelfhanteringsfunctie
• t.a.v. andere medewerkers Samenwerkingsfunctie
• t.a.v. het beleid Beleidsfunctie
Concrete tips voor begeleiders:
• Je hebt een voorbeeldfunctie
• Je hebt verantwoordelijkheid
• Je neemt een aparte rol in als ‘passant’ = je bent een tijdelijke hulpbron
• Je dient meerzijdig partijdig te zijn
• De cliënt is waar het om draait
• Neem je werk niet mee naar huis
• Zorg goed voor jezelf!
DEONTOLOGIE = plichtenleer
1. Richtingwijzer betreffende verantwoorde beroepsuitoefening
2. Verzameling waarden en normen
3. Gedragsregels per beroepsgroep
4. Doel = bevorderen van optimaal moreel gedrag (= goed handelen!)
Centrale waarden van het beroep:
1. Vrijheid en zelfbeschikking
Zelfbeschikking: het recht om je eigen leven te leiden en eigen keuzes te
maken
Respect voor de beslissing van de cliënt, voor diens persoon en voor diens
verantwoordelijkheid voor de eigen keuze van handelen.
2. Respect
Iemand als persoon erkennen en aanvaarden zoals hij is
Opzijschuiven van waardeoordelen
Oprechte belangstelling en zorgvuldige aandacht voor de unieke persoon
Respect voor de zelfbeschikking van de cliënt
Besef van het eigen referentiekader en het zich kunnen inleven in het
referentiekader van de cliënt
3. Emancipatie
Emancipatie = het streven naar een volwaardige plaats in de samenleving
Het ondersteunen van de cliënt in dit streven
Bevorderen van de weerbaarheid en zelfstandigheid
4. Integriteit
Integriteit = Rechtschapenheid, onomkoopbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
4