Waarover gaat economie?
Economie onderzoekt hoe mensen, bedrijven en overheden omgaan met schaarse middelen om hun talrijke
behoeften te vervullen
• Helpt bij het nemen van beslissingen in bedrijven, organisaties en gezinnen
• Geeft beter begrip van actuele problemen (lokaal, nationaal, internationaal)
• Draagt bij tot het voorkomen van toekomstige crisissen (financieel, milieu, sociaal)
Fundamenteel economisch probleem: behoeften vs. schaarse middelen
• Mensen hebben veel en wisselende behoeften, vaak in een hiërarchie (basisbehoeften vs. luxe)
• Middelen zijn beperkt → keuzes zijn noodzakelijk
• Keuzes brengen opportuniteitskosten met zich mee = waarde van het beste alternatief dat opgegeven
wordt
• Economische goederen: schaars, nuttig, alternatief inzetbaar
• Productiefactoren:
o Arbeid (fysiek en intellectueel)
o Kapitaal (machines, gebouwen, infrastructuur)
o Natuur (grond, lucht, klimaat, ruimte)
o Ondernemingsinitiatief (organisatie, innovatie, risico nemen)
Economische analyse
= bestudeert hoe beslissingsmakers keuzes maken en welke gevolgen dit heeft voor individu en maatschappij
• Scitovsky: economie = sociale wetenschap die onderzoekt hoe mensen omgaan met schaarste
• Drie beheersproblemen:
1. Stabilisatieprobleem: alle middelen optimaal benutten
2. Allocatieprobleem: verdeling van middelen over verschillende behoeften
3. Verdelingsprobleem: verdeling van goederen en inkomens tussen individuen en groepen
• Productie: wat, hoeveel, hoe, waar, voor wie?
Micro- en macro-economie
• Micro-economie = bestudeert gedrag van individuele agenten (consumenten, producenten) en hun
interacties op markten
, o Vb: vraag en aanbod, prijszetting, consumentengedrag, kostenstructuur van bedrijven
• Macro-economie = bekijkt de economie als geheel en analyseert grote aggregaten
o Vb: bbp, werkloosheid, inflatie, conjunctuur, monetair en fiscaal beleid
Koppeling: micro-beslissingen (consumptie, productie, sparen) vormen samen macro-uitkomsten
(totale vraag, werkgelegenheid, prijsniveau)
Productiefactoren
• Primaire: Arbeid (fysisch en intellectueel), natuur (grond, lucht, ruimte, klimaat)
• Afgeleide: Kapitaal (gebouwen, machines, infrastructuur)
• Ondernemingsinitiatief: organisatie, innovatie, risico nemen
Productiefunctie
• Relatie tussen inputs en outputs: 𝑋 = 𝑓(𝐿, 𝑁, 𝐾)
waarbij 𝐿= arbeid, 𝑁= natuur, 𝐾= kapitaal
• Uitbreiding met technologie: 𝑋 = 𝑓(𝐿, 𝑁, 𝐾, 𝑇)
waarbij 𝑇= technologische vooruitgang
Productieproces
• Meerdere productiestadia (grondstoffen → halffabricaten → eindproducten)
• Inzet van arbeid, kapitaal en natuur met als doel productie van economische goederen
• Onderscheid tussen:
o Consumptiegoederen (directe behoeftebevrediging)
o Kapitaalgoederen (middelen om andere goederen te produceren)
Productiemogelijkheden
• Curve van productiemogelijkheden = toont alle combinaties van goederen die geproduceerd kunnen
worden bij volledige benutting van middelen
• Illustreert:
o Schaarste (beperkte middelen)
o Opportuniteitskosten (kost van extra productie)
o Keuzeproblemen (welk goed produceren?)
Verruiming van productiemogelijkheden
• Meer productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur, ondernemingsinitiatief)
, • Betere productiefactoren (arbeidsverdeling, technologische vooruitgang, nieuwe instituties)
• Uitbreiding van productiecapaciteit: 𝑋 = 𝑓(𝐿, 𝑁, 𝐾, 𝑇)
waarbij 𝑇= technologie
Economische systemen
1. Centraal geleide economie
• Overheid bepaalt inputs en outputs via plan
• Problemen: innovatie, motivatie, rantsoenering
2. Markteconomie
• Beslissingen door consumenten en producenten
• Prijsmechanisme vervult functies: informatie, motivatie, rantsoenering
• Problemen: conjunctuurschommelingen, inkomensongelijkheid, marktfalen
3. Gemengde economie
• Marktmechanisme gecombineerd met overheidsinterventie
• Variatie in mate van overheidsrol (bv. VS. Europa)
Methodologische aspecten van economische analyse
Methodes om te bestuderen hoe mensen keuzes maken
• Hypothesen: homo economicus (rationeel, optimaliserend gedrag)
• Ceteris paribus-clausule: “als al het andere gelijk blijft”
• Marginale analyse: extra voordeel vs. extra kost
• Positieve vs. normatieve analyse: feiten vs. waardeoordelen
• Statisch vs. dynamisch: tijdsperspectief toevoegen
• Deductief (theorie → data) vs. inductief (data → theorie)
• Experimenten en econometrie (wiskunde + statistiek)
H2: Het marktmechanisme
Concept ‘markt’
= ontmoeting van vragers en aanbieders (Marshall)
• Goederenmarkt (auto’s, huizen, kleding)
• Dienstenmarkt (cinema, wellness)
• Inputmarkt (arbeid, kapitaal)
, • Financiële markt (aandelen, obligaties, wisselmarkt)
Voorwaarden voor zuivere mededinging:
1) Homogene goederen (perfecte substituten)
2) Veel vragers en aanbieders
3) Vrije toetreding en uittreding
4) Perfecte informatie (markttransparantie)
Marktvraag = totale hoeveelheid die consumenten bereid zijn te kopen afhankelijk van prijs en andere
determinanten
Vraagfunctie: 𝑋𝑣 = 𝑋𝑣 (𝑃𝑥 , 𝑌, 𝑈, 𝑃𝑧 , 𝑃𝑤 , 𝑁, 𝐴)
waarbij:
• 𝑃𝑥 = prijs van het goed
• 𝑌= inkomen
• 𝑈= voorkeuren
• 𝑃𝑧 , 𝑃𝑤 = prijzen van andere goederen
• 𝑁= aantal consumenten
• 𝐴= andere factoren (seizoenen, reclame, verwachtingen)
Vraagcurve
• negatief verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid (ceteris paribus)
• Verschuiving langs de curve = prijswijziging
• verschuiving van de curve = verandering in andere determinanten
• partiele analyse = beschouwd enkel effect van prijs op vraag naar goed (ceteris paribus)
• voordelen: eenvoudiger
• nadelen: verwaarlozing van andere effecten
Wiskundige benadering van de vraagcurve
Lineaire vraagcurve: 𝑋𝑣 = 𝑎 − 𝑏𝑃
waarbij:
• 𝑎= coëfficiënt > 0