1. Les 1: introductie
1.1 Introductie en voorkennis
Validiteit: meet het meetinstrument wat het zegt te meten?
Betrouwbaar: mag je vertrouwen op de resultaten van deze meting
Fase 3: inventarisatie en analyse ICF opstellen
1.2 Keuze voor meetinstrumenten en welke?
Stappenplan keuze maken:
1) Wat wil je meten?
2) Met welk doel wil je meten?
o Prognostisch: helpt voorspelling doen over toekomst + ondersteunt bij opstellen
doelen en plannen
Gebruikt aan begin interventie voor voorspelling voor-/ achteruitgang
o Diagnostisch: helpt probleem vast te stellen, zodat gerichte interventie kan worden
bepaald
Bij vermoede specifieke stoornis en meer info nodig is om diagnose te maken
o Evaluatief: volgt vooruitgang van persoon + meet succes behandeling
3) Met welk soort meetinstrument wil je meten?
o Vragenlijsten en zelfrapportagelijsten, observatie, interview, testen en creatieve
methodieken
4) Hoe vind je een meetinstrument?
o Databanken: bv. meetinstrumenten in de zorg
5) Wat is de klinimetrische kwaliteit?
o Reproduceerbaarheid (=betrouwbaarheid): consistente en stabiele resultaten
oplevert bij herhaalde metingen
Interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid: verschillende therapeuten, dezelfde
persoon testen met hetzelfde meetinstrument met zelfde resultaten
Intrabeoordeelaarsbetrouwbaarheid: dezelfde therapeut, test herhaalt bij
dezelfde persoon in periode met zelfde resultaten
Test-hertestbetrouwbaarheid: consistentie van resultaten wanneer test
meerdere keren wordt afgenomen bij dezelfde persoon
Interne consistentie: mate waarin verschillende onderdelen van test
onderling met elkaar samenhangen
o Validiteit: mate waarin meetinstrument meet wat het beweert te meten
Inhoudsvaliditeit: geeft aan of meetinstrument alle aspecten van meten dekt
Constructvaliditeit: mate meetinstrument theoretische construct meet
Convergente: hoge correlaties met andere instrumenten
Divergente: lage correlaties “
o Responsiviteit: mate waarin meetinstrument in staat is veranderingen in toestand
persoon te detecteren, bv. door interventie sprake van klinische verbetering/
achteruitgang
, 6) Wat is de hanteerbaarheid?
o = hoe praktisch en effectief meetinstrument is voor persoon als mezelf
o Belangrijke aspecten persoon:
Leesbaarheid en eenvoudig taalgebruik: begrijpelijk
Fysieke en mentale belastbaarheid: individuele conditie
Afnameduur
o Belangrijke aspecten ergotherapeut:
Expertise en ervaring
Berekening en interpretatie
Benodigdheden
Beschikbaarheid en verkrijgbaarheid
Afnameduur
Kosten
7) Zijn er normwaarden beschikbaar?
o = gemiddelden of standaardwaarden verzameld bij representatieve groep mensen
o Waarom?
Vergelijking met populatie
Diagnose stellen of uitsluiten: indicatie voor afwijking in functioneren
Bepalen van doelen: gebaseerd op wat normaal functioneren zou moeten
zijn
o Gebruiken: vergelijken score persoon met normwaarden
8) Hoe bereken en interpreteer je gegevens?
o Berekenen:
Ruwe score: direct na afnemen test
Gestandaardiseerde score: score omgezet in basis van normgegevens
Z-score, T-score, percentiel
o Interpreteren:
Vergelijk met normwaarden : binnen verwachte bereik?
Analyseer afwijkingen: wat kan afwijking betekenen voor functioneren?
Contextuele interpretatie: overweeg context zoals vermoeidheid, medicatie,
motivatie, … + culturele factoren
Behandelplan opstellen: op basis van interpretatie aanpassen
2. Les 2: classificeren en rapporteren
2.1Rapportering algemene vereisten en vormen van rapporteren
Vereisten:
- Inhoud:
o Beknopt, bondig, eenduidig en precies geformuleerd
o Heeft heldere inhoud en is logisch opgebouwd
o Is objectief, toetsbaar, reproduceerbaar en vakkundig opgebouwd
o Is constructief zonder elementen mooier weer te geven
o Vermeldt geen hypotheses
o Brengt ook hulpbronnen en positieve factoren in kaart
Vormen van rapporteren:
, - Mondeling:
o +: onmiddellijk verduidelijking vragen + ruimte interactie en feedback
o -: subjectieve beïnvloeding door bv. emoties + tijdelijk
- Schriftelijk:
o +: meer tijd om over gegevens na te denken + steeds terug te vinden
o -: steeds terug te vinden respecteer beroepsgeheim
- Intern:
o = binnen een dienst
o Bv. iedereen vult onderzoeksverslag en ICF in = logboek
- Extern:
o = alle rapporten die naar diensten buiten eigen organisatie gaan
o Bv. doorverwijsverslag naar ziekenhuis
Binnen ICF: gemeenschappelijk taalgebruik voor interprofessionele samenwerking
Analogie: “Uw vraag was … . Wat ik nog te weten wilde komen, was ... . Om die reden heb ik het
assessment X bij u afgenomen (of u geobserveerd tijdens …). Hieruit blijkt dat …(verwijzing naar
vraagstelling van de persoon).“
3. Les 3: vragenlijsten
Gebruiken om samen met persoon en diens systeem meer duidelijkheid te krijgen over
handelingsvraag
Keuze hangt af van aard handelingsvraag
3 kernelementen:
- Activiteiten, rollen en taken
- Persoon
- Omgeving
Soorten:
- BRIEF
- CAPE: Children’s Participation and Enjoyment
- DASH: Disabilities of the Arm, Shoulder and Hand Questionnaire
- EDIZ: Ervaren Druk door Informele Zorg
- FIT-60: Flexibiliteits Index Test
- Lawton IADL: Instrumentele Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen
- PAC: Preferences for Activities of Children
- VAS: Visueel Analoge Schaal
- VK+ en P3: Veerkracht en Palliatieve Paletschaal
3.1.1 Brief