EVOLUTIE, SELECTIE EN
ADAPTATIE
Charles Darwin
1. INLEIDING
Dit hoofdstuk:
- Korte duiding van de geschiedenis van ET
o ET = evolutietheorie. Dit hoofdstuk start met de historische ontwikkeling
van het evolutionair denken: hoe men van een statisch scheppingsdenken
evolueerde naar een wetenschappelijke verklaring voor verandering in
soorten.
- De kern van ET
o De centrale gedachte bij Darwin is dat organismen gemeenschappelijke
voorouders hebben en dat soorten doorheen de tijd veranderen via
natuurlijke selectie.
- Adaptaties, aanpasbaarheid, etc..
o Een belangrijk onderscheid is dat tussen adaptatie en acclimatisatie:
→ Adaptatie = genetische aanpassing over vele generaties.
→ Acclimatisatie = tijdelijke of kortetermijnaanpassing van een individu
aan een omgeving.
- Menselijke variatie
o Menselijke verschillen, zoals lichaamsbouw, huidskleur of hoogte-
aanpassingen, kunnen vaak begrepen worden als reacties op
omgevingsdrukken zoals temperatuur, UV-straling, zuurstoftekort of
ziekteverwekkers.
1
,Jaren 1920 (‘roaring twenties’)
Hevige strijd tussen wetenschap en creationisme
o Creationisme vertrekt vanuit het geloof in een letterlijke interpretatie van
het scheppingsverhaal.
o De evolutietheorie botste hiermee, omdat zij natuurlijke verklaringen gaf
voor het ontstaan en veranderen van soorten.
o Vooral wanneer evolutie op de mens werd toegepast, lag dit gevoelig: het
idee dat mensen en apen gemeenschappelijke voorouders hebben, raakte
aan religieuze en morele overtuigingen.
Verbod op het lesgeven over evolutietheorie in V.S.
o In sommige Amerikaanse staten was het verboden om evolutietheorie te
onderwijzen, omdat dit inging tegen het Bijbelse scheppingsverhaal.
‘The Scopes Trial’:
Proces tegen de leerkracht John Scopes, die de evolutietheorie
onderrichtte.
o Dit proces staat ook bekend als de Scopes Monkey Trial.
o John Scopes werd vervolgd omdat hij evolutietheorie had gegeven in de
les.
o Dit proces werd een symbool van de strijd tussen wetenschap en
creationisme.
o Voor het examen: dit toont dat evolutietheorie niet alleen een
wetenschappelijke theorie was, maar ook een groot maatschappelijk debat
veroorzaakte.
2
, 2. DE OORSPRONG VAN HET MODERNE
EVOLUTIEDENKEN
− Oude Grieken
o Bij de oude Grieken bestond al het idee dat de natuur niet volledig vast en
onveranderlijk was.
o Er waren dus al vroege gedachten over verandering in de natuur, maar nog
geen moderne evolutietheorie.
− (Aristoteles – ‘great chain of being’)
o Aristoteles dacht in termen van een vaste ordening van levende wezens.
o De great chain of being betekent dat organismen hiërarchisch
gerangschikt werden, van “lager” naar “hoger”.
o Dit is nog geen evolutietheorie, want de soorten werden als vast en
onveranderlijk gezien.
− Renaissance (14de – 16de eeuw)
o Tijdens de renaissance kwam er opnieuw veel aandacht voor observatie,
anatomie en de studie van de natuur.
o Men ging minder uitsluitend vertrouwen op religieuze verklaringen en meer
op waarneming.
Vesalius en Da Vinci
Vesalius en Da Vinci droegen bij aan een meer
wetenschappelijke kijk op het menselijk lichaam.
Door anatomische studies werd duidelijk dat mensen en
dieren lichamelijke overeenkomsten vertonen.
Het grote Monogenisme vs Polygenisme debat
Monogenisme = het idee dat alle mensen één
gemeenschappelijke oorsprong hebben.
Polygenisme = het idee dat verschillende menselijke
groepen een aparte oorsprong hebben.
Dit debat werd belangrijk toen Europeanen in contact
kwamen met mensen uit andere werelddelen.
Debat dat ontstond tijdens de ontdekkingen van andere
werelddelen
Door kolonisatie en ontdekkingsreizen kwamen Europeanen
in contact met grote menselijke variatie.
Men stelde vragen zoals: behoren alle mensen tot één soort?
Hebben alle mensen dezelfde oorsprong?
Vandaag wordt biologisch gezien uitgegaan van één
menselijke soort: Homo sapiens.
− Johan Blumenbach:
3