introductie tot sociale psychologie
negativity bias
= negatieve indrukken hebben meer invloed op het totale beeld, dan positieve indrukken
- verhoogt ook kans op overleven (evolutietheorie)
- ook resultaat van media, want media focus enkel op negativiteit (we lezen amper de
positieve dingen)
aangeleerde hulpeloosheid
= opgeven nadat je zoveel geprobeerd hebt, omdat het niet werkt (<-> aangeleerde
positivisme)
bystander-effect
= we helpen geen gewonden op straat want we denken dat iemand anders het wel zal doen
sociale paradox
= langs de ene kant hebben we
elkaar heel erg nodig, maar toch
gaan we vb. nooit naast iemand
onbekend zitten op de trein →
we blijven er dus toch bewust
van weg, ondanks we sociaal
contact nodig hebben
sociale deprivatie: je brein zal uiteindelijk zelf de stilte proberen wegwerken, want we zijn
sociaal ingesteld
→ bij kinderen vertoont hier zich een achterstand en minder kwalitatieve ontwikkeling van de
hersenen
sociale invloed: we hebben elkaar nodig, en we worden beïnvloed door anderen
, amygdala = een orgaan in ons hoofd die seint
wanneer er gevaar is, maar staat ook bekend om
signaal te geven als iemand te dicht staat
→ bij sommigen is dit kapot en werkt dit dus niet!
gebiedsomschrijving
Gordon Allport
“sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de manier waarop de gedachten,
gevoelens en handelingen van mensen beïnvloed worden door de feitelijke,
voorgestelde of geïmpliceerde aanwezigheid van andere mensen.”
gedachten, gevoelens en handelingen
overt gedrag = open gedrag
covert gedrag = gesloten gedrag (vb. gedachten)
A – affect: hoe we ons voelen
B – behavior: hoe we ons gedragen
C – cognitief: hoe we (over onszelf) denken
- ook non-verbaal gedrag: alles wat we doen met ons lichaam
- ook bepaalde aspecten van verbale gedrag: paraverbaal (= hoe wordt het gezegd?
traag, snel, zacht, luid, stotterend, etc.)
→ vb. paard die ‘kon tellen’, omdat hij reageerde op de specifieke lichaamstaal van
baasje na het zeggen van elke som, en was zo geconditioneerd om het juiste aantal
keer te stampen
Albert Mehrabian
→ je neemt natuurlijk meer dan 7% van de
woorden mee, het onderzoek geldt alleen voor
een ambigue situatie (= situatie waarbij er
een vorm van onzekerheid/twijfel is)
,verschil met andere vakgebieden die menselijk gedrag bestuderen
persoonlijkheidspsychologie – dispositionisme
= bepaalde handelingen toebeschrijven aan een persoon (vb. je helpt iemand niet, dus je
bent egoïstisch) <-> situationisme
sociale psychologie – situationisme
= bepaalde handelingen toebeschrijven aan de context
interactionisme
= beide in context nemen en ‘mengen’, gedrag hangt af van interactie met anderen
“the situation does not absolve responsibility”
→ rechtvaardigt egoïstische gedrag niet, is enkel een verklaring
soorten invloed / aanwezigheid
fysiek/feitelijk = lichamelijke toestand bij sociale situatie
vb. rugzaktoerist: bom?
voorgesteld vb. wanneer je al dan niet een t shirt koopt, afhangend van
mening van vriend
impliciet/onrechtstreeks vb. aanwezigheid van snoep aan de kassa is een
geïmpliceerde manier om je nog snel snoep te laten kopen,
of pijltjes die ervoor zorgen dat je de hele winkel hebt
afgelopen (ikea)
- wij beïnvloeden ook anderen!
- niet altijd bewuste (intentionele) invloed
wetenschappelijke studie
(sociale) psychologie = een wetenschappelijke studie
- wetenschap <-> intuïtie/alledaagse kennis
- opposites attract eachother vs. soort zoekt soort (⇒ werkt best)
, systematisch <-> eenzijdige selectie
- systematisch: wetenschap
- eenzijdige selectie: gezond verstand
objectief <-> subjectief
- objectief: wetenschap
- subjectief: gezond verstand
gecontroleerd <-> onderhevig
- gecontroleerd: wetenschap
- onderhevig: gezond verstand
let op! niet “het ene is waar & het andere is fout”, het is louter een andere manier van
kennisverwerking
methodes van onderzoek
1. begrijpende/beschrijvende
2. correlationele
3. experimentele
→ de ene is niet per se beter dan de andere, het hangt af van wat je wilt weten
1. begrijpend / beschrijvend onderzoek
observatie ecologische validiteit = mate waarin het onderzoek
conclusies toelaat over het ‘natuurlijk’ voorkomende gedrag
van mensen in situaties die ze ‘in het echte leven’ ook
tegenkomen
→ komt wat je onderzoek overeen met de dagelijkse
realiteit?
nadelen
- hoe lang wachten voordat je iets observeert?
- afhankelijk van situatie
- je kan geen conclusies vormen over oorzaak van
gedrag, er kunnen allerlei soorten invloeden zijn →
dus geen verklaringen
zelfbeschrijvingen coverte processen & zeldzame coverte gedragingen
hierbij is zelfbeschrijving heel nuttig, je kunt vragen stellen
aan mensen over hun gedachten (let op! ze kunnen wel
liegen)
beperkingen
- mensen kunnen niet altijd antwoorden, ze kunnen het
zich vb. niet meer herinneren