CYTOPLASMA
Bestaat uit de grondsubstantie of matrix waarin een groot aantal structuren voorkomen
DE MATRIX
Opgebouwd uit grote eiwitmoleculen, koolhydraten, mineralen en water
Gevuld met kleine buisjes en filamenten: microtubuli, microfilamenten, tonofilamenten
- Instandhouding van de vorm
- Beweging cytoplasma en cel
MICROTUBULI
25nm
Opgebouwd tubuline-eenheden
Beweging binnen de cel
Buisvormig gerangschikt
Assemblage en demontage wissel snel, lengte is variërend
MICROFILAMENTEN
5 tot 7nm
Opgebouwd uit globulaire eiwitten (actine)
Zorgen voor de insnoering van de cel bij de celdeling
INTERMEDIAIRE FILAMENTEN / TONOFILAMANTEN
10 nm
Zeer stabiel en nauwelijks oplosbaar
Beweging van de cel en de macrofagen
Bij delen van de cel die onderhevig zijn aan mechanische krachten (gladde spiercel)
Opbouw is weefselspecifiek => gebruikt voor diagnose van tumoren
Bouwsteen voor de bewegingsorganellen (ciliën en flagellen)
DE NUCLEUS OF CELKERN
KERNMEMBRAAN
Parallel gelegen membranen (40-70nm tussen), met ertussen de perinucleaire ruimte
Perinucleaire ruimte staat in verbinding met het RER
Kernporie: als de 2 lagen in elkaar over gaan en zijn communicatieopeningen
CHROMATINE
= interfase van de chromosomen
Heterochromatine: sterk elektronenstrooiend, donkere korrels en filamenten in de kern
Euchromatine: los netwerk van fijne, sterk gedraaide fibrillen, actief
- Beide opgebouwd uit elementaire chromosoomfibrillen die bestaan uit sterk gewonden
dubbelstrengig DNA, die gebonden zijn aan histonen (basische eiwitten)
1
,KERNSKELET
3D-structuur die instaat voor de organisatie van de structuren in de kern
Speelt een rol bij de condensatie van chromatine tot chromosomen
Kernporiecomplex
3 ringen van eiwitten bestaande uit 8 eenheden
Vormen een korte tubulaire structuur met een variabele diameter
Worden door de laminine gebroken
Laminine (dichte eiwitlaag)
Aan de binnenzijde van het kernmembraan
Steunlaag tussen binnenmembraan en de buitenste laag van chromatine
Aanhechtingsplaats voor chromatine
Onderbroken ter hoogte van de kernporiën => opening naar centraal gelegen euchromatine en
cytoplamsa
Kernfilamenten
Vormen in de interfasekern een ruimtelijk netwerk van eiwitten die uit 3 polypeptideketens
bestaan
Door de geëxpandeerde toestand van de eiwitdraden krijgt de kern vorm, en wordt het
chromatine verspreid binnen de kern
- Chromatine hangt op 125000 plaatsen vast in het kernskelet
- Stukjes die vasthangen beginnen 1st met de DNA-replicatie = replisoom
Dienen als geleidingsbaan voor transport van RNA
NUCLEOLUS / KERNLICHAAMPJE
Ronde structuur, kleurt acidofiel door basische eiwitten
Opgebouwd uit DNA, RNA en eiwitten
Hier wordt rRNA gesynthetiseerd
Grote nucleoli komen voor in cellen die snel delen, cellen met een hoge eiwitsynthese en
snelgroeiende cellen van kwaadaardige tumoren
CELPATHOLOGIE
Vaak is beschadiging reversibel als de oorzaak wordt verwijderd (bv. Beschadiging van neuronen)
Als het irreversibel is lijdt het tot celdood (bv. Stralingsbeschadiging van chromosomen)
NECROSIS
Dood van afzonderlijke cellen of isogene groepen van cellen
Kan plots of geleidelijk zijn
- Necrobiose: als de schade geleidelijk is en mogelijks reversibel
2
,HET HERKENNEN VAN NECROSE
Niet makkelijk zichtbaar => vaak pas als de cel al dood is
Door het secundair loslaten van lytische enzymen die normaal opgesloten zitten in de cel
LABELING VAN LEVENDE CELLEN
Door radio-isotopen (vasthechten aan membraancomponenten
Na zware beschadiging wordt het radioactieve label losgelaten en in het cultuurmedium
terechtkomen
IN WEEFSELCULTUREN
= verandering in permeabiliteit van de celmembranen voor kleurstoffen
Typraan blauw: normaal buiten de cel, maar bij dode cel => nucleï kleuren door verhoogde
permeabiliteit
Neutraal rood: wordt door lysosomen opgenomen door actief transport, bij dode cellen is er dus
minder aankleuring
IN WEEFSEL (ZOALS LEVER, NIER, …)
Lichtmicroscoop Elektronenmicroscoop
Nucleus Gaten in
Wordt enkel nog door
kernmembraan
eosine gekleurd
Densiteit nucleoplasma
Nucleaire begrenzing
vermindert
blijft
Chromatinegranules
Karolyse: hydrolyse van
stapelen zich op
chromatine binnen de
cel Verdwijning
Chromatine kan kernmembraan
granules vormen in de
kernmembraam of
doorheen het hele
cytoplasma
Cytoplasma Abnormaal homogeen Gaten in verschillende
of granulair membranen
Hogere eosine opname Abnormale,
Cellen van CZS veelvormige insluitsels
absorberen water en binnen de
desintegreren grondsubstantie
Gelaagde structuren
met concentrische
draaikolkvorm
Fragmentatie en
vacuolisatie van ER en
mitochandriale
membranen (later
verdwijnen deze)
3
, Ribosomen en golgi-
apparaat zijn
onherkenbaar
Enzymen
Activiteit verminderd
snel
Geeft ons
informatie over
tijdstip van
necrose
MACROSCOPISCH
Enkel zichtbaar als het over grote groepen cellen gaat
Coagulatieve necrose: plaats is gezwollen, hard, mat en geel (als deze veel bloed bevat)
Colliquatieve necrose: vervloeiing van de hersenen
Kaasvorming
Vetnecrose: cellen zijn gevuld met vetdruppeltjes
Putrefactie/gangreen: slechte geur, bruine/groene/zwarte kleur
REACTIES OP NECROSE
Accumulatie van polyforme neutrofielen
Individuele cellen, dood door toxines, ondergaan autolyse, worden geabsorbeerd en worden
vervangen door proliferatie vanuit nabijgelegen cellen
Grote delen weefsel worden geleidelijk vervangen door ingroei van capillairen en fibroblasten met
het ontstaan van een fibreus litteken
Kaasachtig en vetnecrose hebben een grote affiniteit voor calcium en verkalken
CELDEGENERATIES
KERNBESCHADIGING
Mutatie van genen
Abnormaliteit in de chromosomen
Kernbeschadiging door voeding
Toxische kernbeschadiging
BESCHADIGING AAN CELMEMBRAAN
Osmotische schade (bv. Anoxie en vergiftiging)
Accumulatie van water in cytoplasma: osmotisch opzwellen v.d. cel en afscheiding van de
organellen
Oorzaak: Verhoogde permeabiliteit van natriumionen/ verminderde afvoer van natriumionen door
een tekort aan ATP of een vergiftiging van de enzymen die meehelpen met de Na-pomp
Gevolg: minder intercellulair vocht, minder metabolismetransport tussen cellen en de
bloedcirculatie
4