Op basis van de leerdoelen voor (met name) OpenMenS uit Brightspace
Studietaak 1: Hoofdstuk 3, 6 en 9
Studietaak 1.1 Cross-sectioneel onderzoek
Causaliteit kan niet onderzocht worden in cross-sectioneel
onderzoek
o Vormen van manipulatie hebben geen plaats in dit onderzoek
Nut van cross-sectioneel:
o Definiëren van onderzoeksobject
o Operationaliseren (meetbaar maken) van onderzoeksobject
o Ontwikkelen en onderzoeken van instrumentarium
o Toegepast onderzoek
Hoofdstuk 3: Constructen
Soorten constructen
o Natuurlijke soorten = los v/d mensheid. Verandert niet door
het een andere naam te geven (bv atomen/moleculen);
o Sociale soorten = bestaat niet los van wat mensen er van
vinden en ermee doen, maar worden uitgevonden door
mensen om de wereld om hen heen overzichtelijker te maken
(bv persoonlijkheid);
o Praktische soorten = waarde wordt ontleent aan de mate
van nut (bv methostatie);
o Complexe soorten =verzameling eigenschappen die vaak
samen voorkomen en elkaar beïnvloeden - een netwerk van
eigenschappen (bv koffieliefhebber/extraversie).
Het nut van een (psychologisch) construct is het meetbaar maken of
beter kunnen begrijpen van een fenomeen.
o De ontologische soort bepaald of factoranalyse zinnig is.
o Latente constructen = psychologische constructen die niet
rechtstreeks observeerbaar zijn.
Onderzoeken van menselijke psychologie dmv constructen
definiëren:
o Operationaliseren van het construct: het specificeren van een
of meer dingen die rechtstreeks gemeten kunnen worden die
informatief zijn voor het construct;
o Selecteren of ontwikkelen van een meetinstrument om de
operationalisatie te meten.
Omdat psychologische constructen geen natuurlijke meeteenheden
hebben, worden deze vaak gerepresenteerd met getallen (bv in een
vragenlijst).
1
, o Er moet een duidelijke definitie van het betreffende construct
zijn. Die moet aangeven welke aspecten v/d menselijk
psychologie daar onder vallen en welke niet.
o Je moet een duidelijke operationalisatie hebben gedefinieerd.
Dan pas kun je nadenken over een meetinstrument (doel is
meten, niet veranderen) om die specifieke operationalisatie te
meten.
Item = een enkele responsregistratie, meestal vergezeld van een
procedure om die toe te passen, en bovendien bijna altijd vergezeld
van een of meerdere stimuli
o In geval van vragenlijst zijn er drie componenten:
Responsregistratie: dmv pen en geprinte vakjes. De
respons is het aankruisen van het vakje;
Stimuli: de vraag (in lettertype, -grootte, -kleur,
bepaalde plek op papier), de vakjes die kunnen worden
aangekruist, eventuele labels bij de vakjes, evt. Inleiding
of uitleg bij de vraag;
Procedure: informatie over hoe in te vullen, aan te
bieden, de indeling in stimuli, werkwijze, etc.
Procedure, stimuli en responsregistratie bepalen
welke aspecten van de psych een rol spelen bij het
uiteindelijk produceren van de respons.
Dit bepaalt daarom de validiteit v/h item: Meet het
item echt het construct?
o Cognitieve validiteit = worden de
stimulus, procedure en responsregistratie
door de deelnemers geïnterpreteerd zoals ze
zijn bedoeld?
o Meetfout = complement van
betrouwbaarheid. Metingen zullen van
meting tot meting en van moment tot
moment verschillen door verschillende
factoren.
Bij 20% meetfout is de
betrouwbaarheid .80 (80%).
Betrouwbaarheid & validiteit zijn een
specifieke toepassing van een item: zo
hebben verschillende factoren een rol
in het begrijpen/toepassen van
responsregistratie.
Validiteit kan verschillen per
persoon: Als een item wordt
ingevuld door iemand die geen
2
, NL spreekt, is de validiteit
waarschijnlijk heel laag.
meetmodellen = beschrijft wat voor soort construct we meten op
basis van de ontologische positie ten opzichte v/h construct.
o Reflectief meetmodel = de scores op de items worden
veroorzaakt door het construct. De scores op de items zijn een
reflectie van het onderliggende latente construct;
o Formatief meetmodel = de scores vormen het construct. De
gewichten worden toegekend op basis van het aandeel dat het
item in dat construct moet hebben;
o Netwerkmodel = het construct bestaat uit een patroon van
samenhang tussen de verschillende aspecten van de
menselijke psych. Die elkaar wederzijds beïnvloeden (bv
depressie).
Samenvoegen van itemscores
o Netwerkmodellen verschillen fundamenteel van andere
benaderingen. Er wordt meestal niets samengevoegd, het
netwerk zelf is vaak het onderwerp van onderzoek.
o Reflectief of formatief meetmodel: elk item kan worden
beschouwd als een sub-construct.
Samenhang is indicatief voor validiteit en
betrouwbaarheid:
Item met veel meetfout - dus lage
betrouwbaarheid. Door de hoge mate van niet-
systematisch toeval kan dit item niet sterk
samenhangen met andere items;
Item met weinig meetfout, maar ook weinig
validiteit, kan ook niet sterk samenhangen met
andere items.
o Factoranalyse = verbanden tussen items worden bekeken
om te kijken hoe zwaar elk item mee moet tellen om de beste
indruk van het construct te krijgen. Een statistische techniek
dat stelt dat een item dat sterk samenhangt met de meeste
andere items het veronderstelde latente construct beter
representeert dan een item dat minder samenhang vertoont.
Op basis v/d relevante gewichten worden de scores op de
items dan samengevoegde tot een score op het construct.
Confirmatieve factoranalyse dient om vooraf bepaalde
clusters van items te beoordelen.
Validiteit en betrouwbaarheid van meetinstrumenten
moet in elke studie geverifieert worden.
3