22/04/2026
HOOFDSTUK 0: KRITISCH DENKEN
- Kritisch:
Afkomstig van het Griekse woord ‘kriterion’, (norm)
Verwijst ook naar het Griekse woord 'kritiké', (‘in staat zijn om te onderscheiden’ )
- Kritisch denken
Vermogen om zelfstandig te komen tot weloverwogen en beargumenteerde
afwegingen, oordelen & beslissingen
Hiervoor zijn denkvaardigheden noodzakelijk
Betekent dat je informatie niet zonder meer accepteert
Betekent dat je redeneert & reflecteert voordat je een standpunt inneemt
Een besluit neemt hoe te handelen & dat je kunt verklaren waarop dat
standpunt/besluit is gebaseerd
- Wat betekent het meestal
Onderscheiden
Actief (vaardigheid)
Waarnemen
Verstandig oordelen
Niet zomaar aanvaarden wat er wordt gezegd.
Argumenteren
Redeneren
Onderzoeken
Schept afstand tegenover emoties
Creëert verruimde denkwijze
Vragen stellen
Is destructief (vernietigt meningen, vooroordelen, vermeend weten)
Out of the box denken
- Kritisch zijn vaardigheid, je kan het leren
- Kritisch te kunnen denken durven twijfelen
- Waar kan kritisch denken toe bijdragen
Bewustwording van (verschillen & overeenkomsten in) waarden die we
nastreven & die ons gedrag sturen.
Persoonsvorming wie ben ik / wie wil ik worden? (Bewustwording van
onzekerheden, eigen kwaliteiten & valkuilen; zelfreflectie)
Persoonlijke autonomie (zelf keuzes maken) wordt gestimuleerd
Burgerschapsvorming welke rol heb ik in de maatschappij? Wat is mijn
sociale identiteit? Wat wil ik betekenen voor anderen?
Sociale betrokkenheid wordt gestimuleerd
Helpend bij analyseren problemen, bij helder formuleren van complexe zaken
Leren door (sociale) ervaringen
Bevordering sociale interactie & communicatie we praten met elkaar over
gedachten, gevoelens & ervaringen, ook taalvaardigheden geoefend
Vergroting inlevingsvermogen wordt zich bewust van hoe een ander kan
denken & wat er in een ander omgaat. beter rekening houden met anderen
Hoger niveau van denken & (moreel) redeneren stellen ons de vraag: is het
wel logisch wat je zegt; klopt het wel? leren kritische & logisch na te denken.
, Tijdens studie & in je beroep wellicht onderzoek moeten uitvoeren in staat
moeten zijn conclusies van onderzoek kritisch te beoordelen
HOOFDSTUK 1: OBSERVEREN: HET MENSELIJK PERSPECTIEF
1.1 Een ‘beeld’ van een mens
- Mensen kijken naar andere mensen & vormen een mening (automatisch)
- Mening subjectieve opvatting van een individu/ groep/ bepaalde houding tov.
bepaald onderwerp
- Subjectief opvatting/ houding niet gebaseerd op feiten
- Obv. eigen ervaring & kennis door je referentiekader bepaald
- Meeste mensen willen graag dat hun mening over anderen door anderen wordt
gedeeld. oppervlakkig
- Er blijft altijd wel iets “plakken”!!
- Oordeelsvorming
- Zintuiglijke waarneming binnenkomen & verwerken van zintuiglijke prikkels
(zien, horen, tastzin, reuk, smaak, proprioceptief (het ervaren van druk, zowel
intern als extern))
1.2 Beeldvorming
- Door wat anderen ons over medemensen vertellen in manier waarop zij met ons
over anderen praten beeld van deze mensen vormen
- Je kan je niet ‘geen beeld ‘vormen van de ander’ = beeldvorming
- Eerste indruk kan blijven hangen, beeld kan invloed hebben op de analyse van
de situatie
- Eerste indruk cliënt van jou als begeleider heeft, bepaald veel voor vervolg van
begeleiding (ook omgekeerd, hv cliënt)
- Belangrijk voor de hulpverlener fouten tot een minimum te herleiden door
objectief te gaan observeren
- Waarnemen
Voortdurend opnemen van prikkels
Vele prikkels dringen niet tot ons door selectie
Niemand kan ons garanderen dat we hetzelfde waarnemen
We zien wat we verwachten te zien
Gevoelens zijn sterk bepalend
Wat we graag zien, zien we vlugger
Wat jouw werkelijkheid is, is niet mijn werkelijkheid
Waarnemen complex gegeven bepaald door allerlei mechanismen
Iedereen neemt iets anders waar, afhankelijk van selecties en zintuigen
- Observeren
Observeren onderscheid zich van waarnemen mate van bewustzijn
Zorgvuldig & aandachtig gadeslaan van verschijnselen met de bedoeling er
zoveel mogelijk over te weten te komen
Waarnemen met een doel
Het doel richting aan de interpretatie van de waarneming
Twee belangrijke aspecten de situatie waarin je waarneemt én jezelf als
ontvanger van de waarneming.
Observeren opzettelijk & systematisch waarnemen om zo objectief
mogelijk gegevens te verzamelen die informatie opleveren voor de
situatieanalyse beroepsmatig handelen op een te verantwoorde wijze kan
plaatsvinden
1.3 Referentiekader van de beeldvorming
, - Observatie interpretatie
- Observeert iets waarnemen richt je waarneming
- Waarneemt geïnterpreteerd in referentiekader
- Referentiekader meebrengen als mens, lid van maatschappij waarin je leeft,
deskundige, werker binnen bepaalde organisatie, zorg & hulpverlener
- Referentiekader cultureel & sociaal gekleurd
1.3.1 Cultureel bepaalde laag
- Volgens Zijderveld is cultuur
Intrigerende verschijnsel dat mensen die met elkaar dingen doen
Al heel gauw manieren van doen, gedragspatronen ontwikkelen die ze
belangrijk vinden
Zo belangrijk dat ze het aan nieuwkomers & volgende generaties
overdragen
Gaat ook over denk & emotionele patronen
- Volgens Vermeersch is cultuur
Verzameling fenomenen/objecten die door mens vorm hebben gekregen
Als uitingen daarvan (mentale inhouden, gedragspatronen, vaardigheden,
producten & instellingen)
- Santon – Salazar onderscheid tss. cultureel kapitaal (gezamenlijke waarden &
normen) & sociaal kapitaal
- Culturele laag wat je waarneemt, wordt geïnterpreteerd, wordt in een RF
geplaatst
- Normen en waarden wat je als normaal beschouwd, bepaalt vaak mee de kijk
naar een persoon
- Gedeeld begrip je bent het met elkaar eens over feiten en verbanden
- Gemeenschappelijkheid
Je deelt zaken met anderen
Om je medemens te begrijpen moet er gedeeld begrip zijn
Daardoor ontstaat er helderheid & gevoel van samenhorigheid
1.3.2 De laag van de sociale groep
- Bepaalt mede je beeld van mensen
- Gemeenschappelijke taal & gedragingen
- Mensen deel uitmaken van verschillende sociale netwerken
- We leven als het ware in een gefragmentariseerde samenleving
- Sociale groep subcultuur
- Elke subcultuur eigen beeld van de mens
- Bv: Je maakt deel uit van verschillende netwerken: je familie en vrienden, hobby,
netwerk van studenten in de KdG Hogeschool, vereniging, …
- Die netwerken gemeenschappelijke taal & gedragingen: je gedraagt en kleed je
anders thuis dan op je werk gedeeld begrip
- Bv. dansclub, voetbalclub
1.3.3 De individuele laag
- Je persoonlijkheid, mensenkennis, inlevingsvermogen, vroegere ervaringen….
rol bij het vormen van het beeld van de ander
- Moeilijk om afstand te nemen van jezelf & je eerste indruk
- Bewustwording
1.4 Observatie