Klinische Neuropsychologie
Volledige samenvatting per dag en college
Pastel-thema - tentamenfocus: neuroanatomie/scans, dementie, stroke,
plasticiteit en other disorders
Deze versie gebruikt de uitgebreide college-samenvattingen uit de chat als
basis: slides leidend, jouw Word-samenvatting als check/aanvulling, en
syllabus/oefententamen voor prioriteit.
pagina 1
,Klinische Neuropsychologie - volledige college-samenvatting
Klinische Neuropsychologie - volledige
college-samenvatting
Volledige uitwerking op basis van de uitgebreide samenvattingen per dag/college, met de slides als
leidraad, jouw Word-samenvatting als check/aanvulling, en syllabus/oefententamen als tentamenfocus.
Tentamenfocus - hoofdstructuur
Vraag Thema Prioriteit
Vraag 1 Neuroanatomy / scans / eventueel Extreem hoog
TMS
Vraag 2 Dementie Extreem hoog
Vraag 3 Stroke / CVA Extreem hoog
Vraag 4 Plasticiteit / interventies / herstel Extreem hoog
Vraag 5 Other disorders: TBI, Parkinson, MS, Hoog-selectief
hersentumoren, epilepsie
Essay Klinisch redeneren, premorbide Hoog
functioneren, comorbiditeit,
patiëntperspectief
Belangrijkste leerstrategie: leer niet alles even hard. De vaste kern is neuroanatomie/scans, dementie,
stroke en plasticiteit. Daarna komen brain tumors, MS, TBI, Parkinson/DBS en epilepsie. Colleges zoals
TMS, lifestyle, verpleeghuis en patiëntperspectief zijn vooral ondersteunend, maar nuttig voor
essayvragen en klinische toepassing.
pagina 2
,Klinische Neuropsychologie - volledige college-samenvatting
Dag 1 - College 1 en 2
College 1a - Introduction to clinical neuropsychology &
populations
Tentamenprioriteit: laag-middel. Belangrijk als basis voor klinisch redeneren en essayvragen.
Kernidee
Klinische neuropsychologie onderzoekt de relatie tussen hersenen en gedrag. Het vak kijkt naar hoe
letsel of ziekte van het centrale zenuwstelsel invloed heeft op cognitie, emoties en dagelijks
functioneren. Een klinisch neuropsycholoog vraagt dus niet alleen: waar zit de hersenschade? Maar
vooral: wat betekent deze hersenschade voor deze persoon in het dagelijks leven?
Wat doet een klinisch neuropsycholoog?
• Beoordelen van cognitieve functies zoals geheugen, aandacht, taal, executief functioneren en
snelheid.
• Begrijpen hoe hersenletsel of hersenziekte gedrag en emoties beïnvloedt.
• Differentiaaldiagnostiek: past het klachtenpatroon bij dementie, CVA, TBI, Parkinson, depressie,
normale veroudering, medicatie-effecten of iets anders?
• Advies geven over behandeling, begeleiding, compensatiestrategieën en revalidatie.
• Rekening houden met motivatie, vermoeidheid, comorbiditeit, medicatie, leeftijd, gehoor/zicht,
stemming en premorbide functioneren.
Eigenschappen van een goede klinisch neuropsycholoog
• Nieuwsgierigheid, flexibiliteit, inventiviteit en geduld.
• Kennis van neuroanatomie, diagnostiek en psychologische processen.
• Empathie, ook in routinematige situaties.
• Contextueel denken: de patiënt is meer dan een scoreprofiel.
Welke patiënten zie je?
Kinderen en adolescenten: autismespectrumstoornissen, ADHD, childhood stroke, epilepsie, dyslexie,
taalstoornissen, foetaal alcoholsyndroom, Downsyndroom, Tourette, verstandelijke beperking,
ontwikkelingsstoornissen en TBI. Bij kinderen speelt hersenontwikkeling mee: het brein is plastisch,
maar ook kwetsbaar.
Volwassenen: hoofdletsel, sportletsels, AIDS-gerelateerde dementie, ADHD bij volwassenen,
Downsyndroom met verhoogde Alzheimerkwetsbaarheid op middelbare leeftijd, schizofrenie,
psychiatrische stoornissen en drug-induced diffuse damage. Let extra op sekse-, opleidings- en
cultuurverschillen, laesielocatie, medicatie, comorbiditeit, motivatie en vermoeidheid.
Ouderen: Alzheimer en andere dementieën, Parkinson, Huntington, CVA/stroke en hoofdletsel door
vallen. Praktisch moet je rekening houden met gehoorproblemen, visusproblemen, motorische
beperkingen, snellere vermoeidheid en depressie.
Gerontology vs geriatrics
• Gerontology: wetenschappelijke studie van veroudering en ouderen, multidisciplinair.
pagina 3
, Klinische Neuropsychologie - volledige college-samenvatting
• Geriatrics: medisch specialisme gericht op zorg en behandeling van ouderen.
Beide zijn relevant om functioneren en kwaliteit van leven bij ouderen te begrijpen.
College 1b - Normal aging vs pathological brain changes
Tentamenprioriteit: middel-hoog. Vooral belangrijk voor differentiaaldiagnostiek en essay.
Kernidee
Normale veroudering en pathologische veroudering overlappen deels, maar zijn niet hetzelfde. Je moet
kunnen redeneren of klachten passen bij normale leeftijdsgerelateerde veranderingen of wijzen op
hersenpathologie. Normale veroudering wordt soms omschreven als wat overblijft wanneer ziekte
uitgesloten is, maar dit is ingewikkeld omdat sommige ouderen al preklinische neurodegeneratie
kunnen hebben.
Normale veroudering: cognitief functioneren
Typische veranderingen:
• Tragere reactietijd en vertraagde informatieverwerking.
• Minder cognitieve flexibiliteit.
• Moeilijker nieuwe dingen leren.
• Meer tip-of-the-tongue-ervaringen en woordvindproblemen.
• Meer moeite met benoemen en verbale vloeiendheid.
• Meer sensorische beperkingen zoals gehoor-, zicht-, reuk- en smaakproblemen.
Relatief behouden:
• Crystallized intelligence: kennis, woordenschat en levenservaring.
• Semantisch geheugen kan relatief stabiel blijven.
• Fluid intelligence en cognitief functioneren kunnen deels beïnvloedbaar zijn door training, leefstijl en
reserve.
Tentamenpunt: normale veroudering betekent niet “geen verandering”, maar ook niet automatisch
dementie. Het verschil zit in ernst, patroon, progressie en impact op dagelijks functioneren.
Normale veroudering: hersenstructuur
Bij veroudering treden structurele veranderingen op:
• Hersenvolume neemt af, ongeveer 5% per decennium na het 40e levensjaar, vooral boven 70 jaar.
• Grijze en witte stof nemen af; ventrikels worden groter.
• Frontale cortex is vaak sterk aangedaan.
• Dopamine en serotonine nemen af.
• Glucose- en zuurstofopname nemen af.
• Bloedvaten veranderen, wat vasculaire kwetsbaarheid verhoogt.
Niet alle gebieden verouderen even sterk. De prefrontale cortex is vaak het meest kwetsbaar, passend
bij de “last-in, first-out hypothesis”. Daarna volgen striatum, temporaalkwab, cerebellum en
hippocampus. Occipitale cortex is relatief minder aangedaan.
Brain networks bij veroudering
Functionele connectiviteit neemt vooral af in:
pagina 4