Hoofdstuk 1 Inleiding
2 Inhoud van Boek 1: personen- en familierecht
Onder personenrecht pleegt men te verstaan de regels betreffende de rechtspositie van de persoon als
zodanig; hiertoe worden gerekend onderwerpen als: begin en einde van de persoonlijkheid, naam en
woonplaats. Het familierecht regelt de rechtsverhoudingen die uit samenlevingsvormen, te weten
huwelijk of een geregistreerd partnerschap en die uit afstamming voortvloeien: het sluiten en ontbinden
van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, de rechtspositie van kinderen, en het over hen
uitgeoefende gezag. Tot het familierecht kan men ook rekenen de regeling van de vermogensrechtelijke
gevolgen van het huwelijk en het geregistreerd partnerschap: het huwelijks- en
partnerschapsgoederenrecht.
Hoofdstuk 2 De algemene bepalingen
5 Begin en einde van de persoonlijkheid
De persoonlijkheid vangt aan met het levend ter wereld komen, dus met de geboorte. In zeker opzicht
maakt de wet daarop een uitzondering: namelijk door te bepalen dat een kind waarvan een vrouw zwanger
is, als reeds geboren wordt aangemerkt indien het belang dit vordert (art. 1:2 BW). De persoonlijkheid
eindigt door de dood. De (vermogensrechtelijke) rechten en verplichtingen waarvan de overledene drager
was, gaan dan, voor zover zij blijven bestaan, over op zijn erfgenamen.
6 Bloed- en aanverwantschap
Onder bloedverwantschap verstaat men de betrekking tussen personen van wie de een van de ander
afstamt (bloedverwantschap in de rechte linie), of tussen personen die een gemeenschappelijke
stamvader hebben (bloedverwantschap in de zijlinie). Het bestaan van juridische bloedverwantschap
betekent het bestaan van een rechtsverhouding tussen de bloedverwanten. Deze rechtsverhouding wordt
aangeduid met ‘familierechtelijke betrekking’. Door het huwelijk of GP ontstaat aanverwantschap tussen
de ene echtgenoot/partner en de bloedverwanten van de andere echtgenoot/partner.
Hoofdstuk 11 Afstamming en adoptie
111 Inleiding
De afstamming is de in beginsel biologische betrekking die door de geboorte uit bepaalde ouders
ontstaat. De door de afstamming ontstane juridische betrekking wordt ook wel familierechtelijke
betrekking genoemd. Uitgangspunt in het afstammingsrecht is ook dat een kind ten hoogste twee ouders
heeft. Het afstammingsrecht kent nu twee soorten moeders: de biologische moeder uit wie het kind is
geboren en de sociale moeder (‘duomoeder’) die ten tijde van de geboorte van het kind met de
biologische moeder is gehuwd of GP heeft.
111b Draagmoederschap
De draagmoeder is naar huidig recht juridisch de moeder van het kind, ook als voor de bevruchting geen
eigen eicel van deze vrouw is gebruikt. Er heeft dan meestal embryodonatie plaatsgevonden. In dat geval
zijn meestal de wensouders tevens de genetische ouders van het kind.
, 120 Inroeping en betwisting van staat van een kind
Een kind doet een verzoek tot inroeping van staat als hij als verzoeker de familierechtelijke betrekking tot
bepaalde personen wil bewijzen. Wanneer iemand de familierechtelijke betrekking tussen het kind en een
bepaalde persoon betwist, gaat het om een verzoek tot betwisting van staat. Het kind treedt dan op als
verweerder. Het verzoek tot inroeping van staat kan worden gedaan door het kind of eventueel zijn
erfgenamen (art. 1:211 BW).
121a Algemene voorwaarden voor adoptie
Adoptie berust in ons recht niet op een overeenkomst tussen adoptanten en degene(n) die het kind
wil(len) afstaan, maar is bedoeld als een maatregel van kinderbescherming voor die gevallen dat een kind
niets meer van zijn oorspronkelijke ouder(s) te verwachten heeft.
! Voorwaarden art. 1:227 BW arceren
Adoptie geschiedt op verzoek van één persoon alleen of op verzoek van twee personen tezamen. Indien
twee personen samen adopteren of indien de persoon die echtgenoot, GP of andere levensgezel van de
ouder is, adopteert, moeten zij of moet hij aantonen dat zij in een duurzame relatie samenleven. Daartoe
is een termijn van drie jaar aaneengesloten samenleven onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van
het adoptieverzoek gesteld (art. 1:227 lid 2 BW). Deze termijn geldt echter niet als het te adopteren kind is
geboren binnen de relatie van de aspirant-adoptiefouder en de moeder.
Hoofdstuk 12 Minderjarigen en het over hen uitgeoefende gezag
128 Gezag; algemene uitgangspunten
Minderjarigen staan onder gezag. Met betrekking tot het gezag gelden de volgende uitgangspunten:
1. Er is ouderlijk gezag of voogdij (art. 1:245 lid 2 BW). Met ouderlijk gezag is gelijkgesteld het
gezamenlijk gezag dat een ouder en zijn partner, die niet de ouder is, uitoefenen (art. 1:245 lid 5
BW).
2. Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk, door een ouder en zijn partner die niet de
ouder is, tezamen of door één ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door twee natuurlijke personen
die beiden niet de ouder zijn of door één natuurlijk persoon die niet de ouder is of door een
rechtspersoon uitgeoefend.
3. Rechterlijke beslissingen inzake het gezag zijn vatbaar voor wijziging.
4. Onbevoegd tot het gezag zijn minderjarigen, onder curatele gestelden en zij die vanwege een niet-
tijdelijke geestelijke stoornis in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen.
5. Gezag kan van rechtswege verkregen worden, via een testamentaire bepaling, door middel van
een aantekening in het gezagsregister of door de rechter opgedragen worden.
Het gezag heeft of drie aspecten betrekking. In de eerste plaats gaat het om het gezag over de persoon van
de minderjarige, in de tweede plaats om het bewind over zijn vermogen en in de derde plaats om de
vertegenwoordiging van de minderjarige in en buiten rechte (art. 1:245 lid 4 BW).
128a Belangenstrijd tussen ouder en voogd of kind; bijzondere curator
Als er bij de uitoefening van het gezag of bij het bewind over het vermogen strijdigheid is van belangen
tussen degene of degenen die met het gezag is/zijn belast en het kind kan de rechter een bijzondere
curator benoemen die de minderjarige in en buiten rechte vertegenwoordigt (art. 1:250 BW). Als het kind
dan klem raakt tussen zijn ouders, kan de rechter een bijzondere curator benoemen. De rechter
beoordeelt of hij van een bijzondere curator in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. Hij kan
een bijzondere curator op verzoek van een belanghebbende – dat is ook de minderjarige zelf – of
ambtshalve benoemen.