Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 55 pages
Summary

Samenvatting literatuur + college aantekeningen OP1

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 55 pages

College aantekeningen en samenvatting van alle verplichte literatuur voor Onderzoekspracticum 1

Content preview

College 1: Inleiding in onderzoek, observatiemethoden,
zelfrapportage en ethiek

De basis van de psychologie als wetenschap
 Psychologie is uniek omdat het zowel een praktische professie is
(denk aan therapie) als een wetenschappelijke discipline.
 De studie naar de psyché werd pas eind 19e eeuw een echte
wetenschap dankzij pioniers als Wilhelm Wundt en William James.
 Gedragswetenschappers richten zich op vier hoofddoelen =
wetenschappelijke methode:
1. Beschrijven van gedrag
2. Verklaren van gedrag
3. Voorspellen van gedrag
4. Toepassen van deze kennis om problemen op te lossen.
 Alledaagse kennis vs. Wetenschap: Gezond verstand en
meningen zijn vaak onduidelijk over wat juist is; wat vroeger
aanvaard werd (zoals lijfstraffen op school of een autoritaire
opvoeding), is nu vaak discutabel.
 De kern van wetenschappelijk onderzoek is empiricism
(empirisme): de overtuiging dat kennis voortkomt uit systematische,
objectieve observaties in plaats van enkel op basis van intuïtie of
"gezond verstand".
o Om als echte wetenschap te gelden, moet onderzoek voldoen
aan drie criteria:
1. Het moet systematisch en empirisch zijn.
2. Er moet sprake zijn van public verification; de
methoden en resultaten moeten openbaar zijn zodat
anderen ze kunnen controleren en repliceren.
3. Het moet gaan over oplosbare, toetsbare problemen.
o Wanneer bewijs zich voordoet als wetenschappelijk maar niet
aan deze criteria voldoet, noemen we dat pseudoscience
(pseudowetenschap).

De empirische cyclus:
1. Observatie: Een initiële waarneming (vaak uit bestaand onderzoek)
die leidt tot een vraag.
2. Inductie: Vanuit observaties een algemene theorie formuleren
(denken van 'klein naar groot'). Een theorie wordt hierbij
gedefinieerd als een "verzameling uitspraken die trachten de relatie
tussen een aantal concepten te beschrijven".
3. Deductie: Vanuit een algemene theorie naar toetsbare
werkhypothesen (denken van 'groot naar klein'). Hierbij vindt
vertaling plaats van een conceptuele definitie (bijv.


1

, leesvaardigheid) naar een operationele definitie (bijv. aantal
gelezen zinnen per minuut).
4. Toetsing: Het verzamelen en analyseren van data om te zien of
observaties de hypotheses ondersteunen.
5. Evaluatie: Bepalen of de conclusies de theorie bevestigen, of de
theorie aangepast moet worden en of het onderzoek 'zuiver' was.
 Let op: Het bevestigen van een hypothese bewijst de theorie op
zich niet (impossibility of proof), maar het ontkrachten van een
hypothese kan een theorie wel weerleggen. Daarom zijn replicatie
en methodologisch pluralisme essentieel.

Theorieën en Hypotheses
 Wetenschappers houden zich bezig met het ontdekken van nieuwe
fenomenen en het ontwikkelen van verklaringen hiervoor.
o Een theory (theorie) is een samenhangende set uitspraken
die de relatie tussen concepten uitlegt en voorspelt.
o Soms gebruiken onderzoekers een model, dat wel beschrijft
hoe concepten met elkaar samenhangen, maar minder
diepgaand verklaart waarom dat zo is.
 Om een theorie te testen, formuleren onderzoekers een hypothesis
(hypothese): een specifieke voorspelling over wat er in een
onderzoek zal gebeuren. Dit proces kan op twee manieren:
o Induction (inductie): het formuleren van een algemene regel
op basis van specifieke observaties. Wanneer we een
algemene conclusie trekken uit een reeks feiten, spreken we
van een empirical generalization.
o Deduction (deductie): het afleiden van een specifieke
voorspelling vanuit een bestaande algemene theorie.
 Een cruciale voorwaarde voor een hypothese is falsification
(falsifieerbaarheid): het moet in theorie mogelijk zijn om aan te
tonen dat de hypothese onjuist is.

De Logica van het Onderzoek
 Onderzoekers stellen hun hypotheses altijd vooraf op; dit noemen
we een a priori prediction.
 Hiermee voorkomen ze dat ze achteraf verklaringen gaan verzinnen
voor patronen die toevallig in de data verschijnen = post hoc
explanation.
 In de wetenschap kan een theorie nooit definitief "bewezen" of
"weerlegd" worden. We spreken liever over het verzamelen van
ondersteunend bewijs. Soms vinden onderzoekers geen effect of
verband; dit noemen we een null finding.
 Omdat wetenschappelijke tijdschriften vaak liever spectaculaire
resultaten publiceren dan nul-bevindingen, ontstaat het file-drawer

2

, problem: onderzoeken zonder resultaat belanden in de "bureaula",
waardoor het wetenschappelijke beeld vertekend kan raken.
o Om theorieën toch zo streng mogelijk te testen, gebruiken
wetenschappers soms de strategy of strong inference,
waarbij ze verschillende concurrerende theorieën direct
tegenover elkaar zetten in één onderzoek.

Definities en Onderzoeksontwerpen
 Een conceptual definition is abstract (zoals een definitie in een
woordenboek),
 Een operational definition omschrijft hoe een concept gemeten
of gemanipuleerd wordt in een specifiek onderzoek.
 Er zijn verschillende soorten onderzoek, afhankelijk van het doel:
o Basic research (fundamenteel onderzoek): gericht op het
vergroten van kennis omwille van de kennis zelf.
o Applied research (toegepast onderzoek): gericht op het
oplossen van praktische problemen in de echte wereld.
 Een specifieke vorm hiervan is evaluation research,
waarbij de effectiviteit van bijvoorbeeld een nieuwe
onderwijsmethode of beleid wordt getoetst.
o Binnen deze doelen vallen vier hoofdcategorieën van
onderzoek:
1. Descriptive research/beschrijvend: Het beschrijven van
gedrag, gedachten of gevoelens van een groep.
o Bijv. "Hoeveel kinderen in Nederland worden
mishandeld?
2. Correlational research: Het onderzoeken van de samenhang
tussen verschillende variabelen.
o Bijv. "Wat is de relatie tussen kenmerken van de
opvang en sociale vaardigheden?"
3. Experimental research: Het manipuleren van variabelen om
te zien of dit een verandering veroorzaakt (oorzaak-gevolg).
o Bijv. "Heeft suikerconsumptie effect op
probleemgedrag?".
4. Quasi-experimental research: Wordt gebruikt wanneer de
onderzoeker niet de volledige controle heeft (bijvoorbeeld als je
geen mensen willekeurig in groepen kunt indelen).
o Bijv. "Heeft een nieuwe lesmethode invloed op de
leerprestaties van slecht lerende kinderen?"
 Veel gedragswetenschappers maken gebruik van methodological
pluralism: het combineren van verschillende onderzoeksmethoden
en benaderingen om een complex probleem van alle kanten te
belichten

3

, Benaderingen van Psychologische Metingen
 Onderzoekers in de gedragswetenschappen maken gebruik van vier
hoofdcategorieën om gegevens te verzamelen: observaties,
fysiologische metingen, zelfrapportage en archiefonderzoek.
1. Observationeel Onderzoek (kwalitatief)
o Bij de observational method wordt het gedrag van
deelnemers direct geobserveerd en vastgelegd.
o Onderzoekers moeten kiezen tussen naturalistic
observation (observatie in een natuurlijke omgeving
zonder interventie) of contrived observation
(observatie in een speciaal gecreëerde setting, zoals een
laboratorium).
 Een specifieke vorm is participant observation,
waarbij de onderzoeker zelf deelneemt aan de
activiteiten van de groep die hij bestudeert.
o Een groot probleem bij observatie is reactivity:
deelnemers veranderen hun gedrag omdat ze weten dat
ze bekeken worden. Om dit te voorkomen, kunnen
onderzoekers kiezen voor:
 Disguised observation: Deelnemers weten niet
dat ze geobserveerd worden, wat ethische vragen
oproept.
 Undisguised observation: Deelnemers zijn wel
op de hoogte.
 Unobtrusive measure: Een indirecte maatstaf
voor gedrag waarbij de deelnemer niet aanwezig
hoeft te zijn (zoals slijtage op een vloer om
populariteit van een museumstuk te meten).
 Knowledgeable informant: Iemand uit de nabije
omgeving van de deelnemer (zoals een ouder of
leraar) die het gedrag beoordeelt.
o Gedrag kan op verschillende manieren worden
vastgelegd:
 Narrative record (ongestructureerd): Een
volledige, beschrijvende weergave van al het
gedrag.
 Field notes (ongestructureerd): Beknopte
aantekeningen die later worden uitgewerkt.
 Checklist (gestructureerd): De onderzoeker
vinkt simpelweg aan of bepaald gedrag wel of niet
voorkomt.




4

Connected book
 image
David S. Moore, George P. Mccabe Craig, B: Introduction to the Practice of Statistics
Publisher: december 2016 ISBN: 9781319153977 Edition: 9

Document information

Study
Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
June 1, 2026
File latest updated on
June 1, 2026
Number of pages
55
Written in
2025/2026
Type
Summary
$10.68

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
pascaledobbe
1.0
(1)
Sold
14
Followers
0
Items
15
Last sold
3 weeks ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions