Proefexamen farmacologie 2VV
deel 1
1. Anti-aggregantia zijn…
a. anti-coagulantia die werken door een vitamine-K antagonisme
b. anti-trombotica die werken door het vormen van een bloedprop te voorkomen
c. anti-trombotica die werken door het vormen van een fibrinenetwerk tegen te
gaan
2. LMWH zijn…
a. anti-trombotica
b. anti-coagulantia
c. a & b zijn juist
3. Levothyroxine is een geneesmiddel dat..
a. ingezet wordt bij hyperthyroïdie door extra schildklierhormoon aan te voeren
b. een vorm van substitutietherapie is bij hypothyroïdie
c. hypothyroïdie behandeld en een korte halfwaardetijd heeft
4. Met wat mag je L-thyroxine innemen?
a. bij de maaltijd
b. nuchter met wat sojamelk
c. geen van allen
d. met wat water
e. nuchter en je neemt gelijktijdig een ijzersupplement
f. bij de maaltijd na je eerste dosis Gaviscon/PPI
5. Wat mag je innemen tijdens de zwangerschap bij hyperthyroïdie
a. L-thyroxine in een aangepaste dosis (vaak hoger owv hogere behoefte tijdens
ZS)
b. Een thyreostaticum zoals PTU of strumazol in een hogere dosis, mits goede
opvolging door een endocrinoloog.
c. PTU vlak voor conceptie en in het eerste & strumazol rest van de
zwangerschap, mits lage dosis en goede opvolging en enkel als noodzakelijk.
6. Welke medicatie voor het hormoonstelsel heeft een verhoogd teratogeen risico?
a. insulinetherapie
b. thyreostatica
c. allebei
7. Welk geneesmiddel versterkt de werking van GABA-neurotransmitters
a. antipsychotica
b. benzodiazepines
c. middelen tegen migraine
,8. Welke nevenwerking hoort niet bij antipsychotica
a. extrapiramidale stoornissen
b. gewichtsverlies
c. QT-verlenging
d. tachycardie
9. TCA’s werken door
a. remming heropname serotonine en noradrenaline
b. verhoging productie serotonine en dopamine
c. versnellen heropname serotonine en noradrenaline
10.Bijwerkingen van deze antidepressiva zijn:
a. hartritmestoornissen
b. anticholinerge symptomen zoals constipatie, droge mond, verwardheid…
c. gewichtstoename
d. alle 4 juist
11.anti-epileptica hebben een…
a. brede therapeutisch-toxische marge
b. effect op hematologie en leverfunctie
c. versterkend effect op de anticonceptiepil
12.Bij een pt. met een pols van 50 bpm en een bloeddruk van 150/96 mmHg geef je…
a. B-blokkers zoals labetalol
b. adrenaline 0.5mg IM
c. geen van beide
13.Nitraten werken voornamelijk door…
a. een toename van de diurese
b. het openzetten van de bloedvaten met daling van de BD tot gevolg
c. hun invloed op het RAAS-systeem
14.Welke bijwerking komt niet door ACE-inhibitoren
a. prikkelhoest
b. hypertensie
c. hyperkaliëmie
15.Remming van receptoren in het hart waardoor het slagvolume en het hartritme daalt:
dit is de werking van
a. B-blokkers
b. Calcium-antagonisten
c. methyldopa
16.Bij een patiënt onder antihypertensiva met veel last van een prikkelhoest
a. worden waarschijnlijk ACE-I gebruikt en kan ik overstappen op sartanen
b. worden waarschijnlijk benzodiazepines gebruikt en stap ik over op ACE-I
c. worden waarschijnlijk sartanen gebruikt en kan ik overstappen op ACE-I
, 17.Calciumkanalen blokkeren adhv Calciumantagonisten veroorzaakt…
a. vasoconstrictie
b. vasodilatatie
c. hypertensie
18.Onder diuretica vallen
a. Calcium Verliezende en calcium sparende diuretica
b. kaliumverliezende en kaliumsparende diuretica
c. geen van beide
19.Welke bijwerking geeft een nitraat mogelijk bij hoge dosis?
a. reflectoire tachycardie en/of hypotensie
b. bradycardie
c. nausea en vomitus
20.Statines spelen een belangrijke rol in de preventie van…
a. atherosclerose
b. hypotensie
c. spataders
21.Bij veneuze problemen onderste ledematen bestaat de behandeling vnl. uit
a. veno- en capillarotropica
b. beweging, vermijden van langdurig rechtstaan en steunkousen
c. steunkousen & vermijden langdurig liggen
22.Bij een zwangere
a. is het gebruik van methyldopa afgeraden, net als sartanen.
b. is het gebruik van methyldopa toegestaan, in tegenstelling tot ACE-I
c. worden vaak B-blokkers en calciumantagonisten gebruikt
d. antwoord b & c zijn juist
23.Het gebruik van diuretica kan…
a. gunstig zijn bij pre-eclampsie
b. een risico vormen voor de placentaire perfusie
c. tijdens de zwangerschap
24.Een pasgeborene van een moeder die antihypertensiva nam heeft…
a. geen risico op problemen tijdens de 1e dagen postpartum
b. een verhoogd risico op hypertensie, tachycardie en hyperglycemie
c. een verhoogd risico op bradycardie, hypotensie en hypoglycemie
25.Tijdens de borstvoeding is het gebruik van
a. B-blokkers, calciumantagonisten en ACE-I toegestaan
b. diuretica afgeraden wegens een mogelijke onderdrukking van de lactatie
c. antwoord a & b zijn juist
26.Acetylsalicylzuur is
a. een vorm van antitrombotica
b. anti-aggregantia
deel 1
1. Anti-aggregantia zijn…
a. anti-coagulantia die werken door een vitamine-K antagonisme
b. anti-trombotica die werken door het vormen van een bloedprop te voorkomen
c. anti-trombotica die werken door het vormen van een fibrinenetwerk tegen te
gaan
2. LMWH zijn…
a. anti-trombotica
b. anti-coagulantia
c. a & b zijn juist
3. Levothyroxine is een geneesmiddel dat..
a. ingezet wordt bij hyperthyroïdie door extra schildklierhormoon aan te voeren
b. een vorm van substitutietherapie is bij hypothyroïdie
c. hypothyroïdie behandeld en een korte halfwaardetijd heeft
4. Met wat mag je L-thyroxine innemen?
a. bij de maaltijd
b. nuchter met wat sojamelk
c. geen van allen
d. met wat water
e. nuchter en je neemt gelijktijdig een ijzersupplement
f. bij de maaltijd na je eerste dosis Gaviscon/PPI
5. Wat mag je innemen tijdens de zwangerschap bij hyperthyroïdie
a. L-thyroxine in een aangepaste dosis (vaak hoger owv hogere behoefte tijdens
ZS)
b. Een thyreostaticum zoals PTU of strumazol in een hogere dosis, mits goede
opvolging door een endocrinoloog.
c. PTU vlak voor conceptie en in het eerste & strumazol rest van de
zwangerschap, mits lage dosis en goede opvolging en enkel als noodzakelijk.
6. Welke medicatie voor het hormoonstelsel heeft een verhoogd teratogeen risico?
a. insulinetherapie
b. thyreostatica
c. allebei
7. Welk geneesmiddel versterkt de werking van GABA-neurotransmitters
a. antipsychotica
b. benzodiazepines
c. middelen tegen migraine
,8. Welke nevenwerking hoort niet bij antipsychotica
a. extrapiramidale stoornissen
b. gewichtsverlies
c. QT-verlenging
d. tachycardie
9. TCA’s werken door
a. remming heropname serotonine en noradrenaline
b. verhoging productie serotonine en dopamine
c. versnellen heropname serotonine en noradrenaline
10.Bijwerkingen van deze antidepressiva zijn:
a. hartritmestoornissen
b. anticholinerge symptomen zoals constipatie, droge mond, verwardheid…
c. gewichtstoename
d. alle 4 juist
11.anti-epileptica hebben een…
a. brede therapeutisch-toxische marge
b. effect op hematologie en leverfunctie
c. versterkend effect op de anticonceptiepil
12.Bij een pt. met een pols van 50 bpm en een bloeddruk van 150/96 mmHg geef je…
a. B-blokkers zoals labetalol
b. adrenaline 0.5mg IM
c. geen van beide
13.Nitraten werken voornamelijk door…
a. een toename van de diurese
b. het openzetten van de bloedvaten met daling van de BD tot gevolg
c. hun invloed op het RAAS-systeem
14.Welke bijwerking komt niet door ACE-inhibitoren
a. prikkelhoest
b. hypertensie
c. hyperkaliëmie
15.Remming van receptoren in het hart waardoor het slagvolume en het hartritme daalt:
dit is de werking van
a. B-blokkers
b. Calcium-antagonisten
c. methyldopa
16.Bij een patiënt onder antihypertensiva met veel last van een prikkelhoest
a. worden waarschijnlijk ACE-I gebruikt en kan ik overstappen op sartanen
b. worden waarschijnlijk benzodiazepines gebruikt en stap ik over op ACE-I
c. worden waarschijnlijk sartanen gebruikt en kan ik overstappen op ACE-I
, 17.Calciumkanalen blokkeren adhv Calciumantagonisten veroorzaakt…
a. vasoconstrictie
b. vasodilatatie
c. hypertensie
18.Onder diuretica vallen
a. Calcium Verliezende en calcium sparende diuretica
b. kaliumverliezende en kaliumsparende diuretica
c. geen van beide
19.Welke bijwerking geeft een nitraat mogelijk bij hoge dosis?
a. reflectoire tachycardie en/of hypotensie
b. bradycardie
c. nausea en vomitus
20.Statines spelen een belangrijke rol in de preventie van…
a. atherosclerose
b. hypotensie
c. spataders
21.Bij veneuze problemen onderste ledematen bestaat de behandeling vnl. uit
a. veno- en capillarotropica
b. beweging, vermijden van langdurig rechtstaan en steunkousen
c. steunkousen & vermijden langdurig liggen
22.Bij een zwangere
a. is het gebruik van methyldopa afgeraden, net als sartanen.
b. is het gebruik van methyldopa toegestaan, in tegenstelling tot ACE-I
c. worden vaak B-blokkers en calciumantagonisten gebruikt
d. antwoord b & c zijn juist
23.Het gebruik van diuretica kan…
a. gunstig zijn bij pre-eclampsie
b. een risico vormen voor de placentaire perfusie
c. tijdens de zwangerschap
24.Een pasgeborene van een moeder die antihypertensiva nam heeft…
a. geen risico op problemen tijdens de 1e dagen postpartum
b. een verhoogd risico op hypertensie, tachycardie en hyperglycemie
c. een verhoogd risico op bradycardie, hypotensie en hypoglycemie
25.Tijdens de borstvoeding is het gebruik van
a. B-blokkers, calciumantagonisten en ACE-I toegestaan
b. diuretica afgeraden wegens een mogelijke onderdrukking van de lactatie
c. antwoord a & b zijn juist
26.Acetylsalicylzuur is
a. een vorm van antitrombotica
b. anti-aggregantia