Antisociaal gedrag wordt door Frick omschreven als gedrag dat maatschappelijke
normen, wetten, rechten van anderen of verwachtingen van autoriteitsfiguren schendt.
Het is een brede overkoepelende term met veel verschillende vormen van gedrag, maar
met een gedeelde kern. Oorspronkelijk werd antisociaal gedrag vooral biologisch of
psychosociaal verklaard, maar vanaf de late 19e en vroege 20e eeuw kwamen ook
genetische, evolutionaire en biopsychologische perspectieven op.
Genetische modellen richten zich op erfelijkheid en individuele verschillen.
Ongeveer 50% van antisociaal gedrag wordt verklaard door genetische invloeden. Dit
wordt onderzocht via tweeling- en adoptiestudies, waarbij bijvoorbeeld eeneiige
tweelingen 100% van hun genen delen en twee-eiige tweelingen 50%. Ook
moleculaire studies en Genome Wide Association Studies onderzoeken welke genen
samenhangen met antisociaal gedrag, al is het onwaarschijnlijk dat één enkel gen
hiervoor verantwoordelijk is. De invloed van genen verschilt bovendien per levensfase
en type antisociaal gedrag. Genetische modellen waren tijdelijk minder populair door
hun associatie met de eugenetische beweging.
Evolutionaire modellen zijn gebaseerd op de theorie van natuurlijke selectie van
Charles Darwin. Antisociaal gedrag zou zijn blijven bestaan omdat eigenschappen
zoals agressiviteit, sensatiezoeken, disinhibitie en weinig angst vroeger voordelen
konden bieden voor overleving en voortplanting. Deze modellen verklaren gedrag,
maar rechtvaardigen het niet.
Biopsychologische modellen kijken naar de invloed van biologische systemen,
zoals hersenen, hormonen, het zenuwstelsel en het immuunsysteem, op antisociaal
gedrag. Een bekend voorbeeld is Phineas Gage, die na ernstig hersenletsel grote
veranderingen in zijn persoonlijkheid en gedrag liet zien.
Psychosociale modellen richten zich op omgevingsinvloeden. Volgens sociale
leermodellen wordt antisociaal gedrag aangeleerd door observatie van anderen.
Sociale ontwikkelingsmodellen benadrukken dat beschermende factoren bijdragen
aan positieve sociale vaardigheden, terwijl risicofactoren gedragsproblemen
vergroten. De balans tussen deze factoren bepaalt uiteindelijk of iemand een
prosociale of antisociale levensstijl ontwikkelt.
Recentere modellen combineren meerdere perspectieven,
zoals ontwikkelings-, intergenerationele en biopsychosociale
modellen. Hoewel deze complexer zijn, geven longitudinale
studies belangrijke inzichten: fysieke agressie verandert over
de tijd, antisociaal gedrag wordt ongeveer voor de helft door
genen en voor de helft door omgeving verklaard, en veel
omgevingsrisico’s ontstaan al prenataal. Een voorbeeld
hiervan is assortative mating, waarbij mensen partners
kiezen met vergelijkbare problemen. Hierdoor is het belangrijk
om ook naar ouders en omgeving te kijken bij de ontwikkeling
van antisociaal gedrag.
Binnen gen-omgevingsrelaties bestaan verschillende processen.
Bij gen-omgevingscorrelatie (rGE) beïnvloeden genen en omgeving elkaar,
bijvoorbeeld passief via ouders, evocatief doordat kinderen reacties uitlokken, of
actief doordat mensen bepaalde situaties opzoeken.
Bij gen-omgevingsinteractie (GxE) hangt het effect van genen af van de omgeving.
Daarnaast laat epigenetica zien dat omgevingsfactoren genexpressie kunnen
beïnvloeden.
,Vanuit een ontwikkelings- en biopsychosociaal perspectief is vroege preventie belangrijk,
omdat veel risicofactoren al prenataal aanwezig zijn en vaak stabiel blijven.
Preventieprogramma’s moeten zich daarom richten op meerdere niveaus van
risicofactoren en kunnen deels worden afgestemd op genetische kenmerken.
---------------
Agressie wordt door Brad J. Bushman en Craig A. Anderson (2001) omschreven als
gedrag dat bewust bedoeld is om iemand schade toe te brengen, waarbij de dader
verwacht dat het slachtoffer die schade wil vermijden. Agressie mag dus niet per ongeluk,
consensueel of uiteindelijk voordelig zijn.
Geweld is een extreme vorm van agressie waarbij ernstige schade het doel is. Historisch
gezien is geweld in de afgelopen millennia afgenomen.
Fysieke agressie is normaal bij peutergedrag en neemt daarna meestal af. Er zijn drie
ontwikkelingspatronen: afwezigheid van agressie, gemiddelde agressie die afneemt, en
hoge agressie die stabiel blijft tot in de adolescentie. Vooral jongens vallen vaker in de
laatste groep. Bij indirecte agressie bestaan patronen van stabiel lage, toenemende of
zeer hoge stabiele niveaus. Meisjes vertonen vaker indirecte agressie, al verdwijnen
sekseverschillen later grotendeels.
Agressie kan verder worden ingedeeld in indirecte/coverte agressie, waarbij schade
anoniem of indirect wordt toegebracht, en directe/overte agressie, die zichtbaarder is.
Daarnaast bestaan verschillende
vormen zoals verbaal, relationeel,
fysiek en niet-interpersoonlijk
gedrag, zoals vernieling.
Het belangrijkste onderscheid is
echter reactieve (‘warmbloedig’)
versus proactieve agressie
(‘koudbloedig’). Reactieve agressie
is impulsief, emotioneel en defensief,
terwijl proactieve agressie gepland
en doelgericht is.
Verschillende factoren hangen
samen met deze vormen van agressie.
Problemen in regulatie hangen vooral samen met reactieve agressie.
Psychopathologie en cognitieve biases hangen samen met zowel reactieve als
proactieve agressie.
Sociale aanpassing en hersenfunctioneren zijn vooral gerelateerd aan reactieve
agressie.
Genetisch lijkt proactieve agressie sterker erfelijk bepaald, terwijl reactieve agressie
meer ontstaat uit een combinatie van genen en omgeving.
Antisociaal gedrag omvat agressie, en agressie omvat weer geweld. Criminaliteit —
gedrag dat wettelijk strafbaar is — overlapt grotendeels met antisociaal gedrag, maar
niet alles wat strafbaar is, valt onder antisociaal gedrag. Om criminaliteit, agressie en
, antisociaal gedrag goed te begrijpen, moeten zowel persoonlijke als omgevingsfactoren
vanuit meerdere perspectieven worden meegenomen.