Histopathologie — partim Ferdinande · Inflammatie en immunopathologie
Het immuunsysteem wordt onderverdeeld in aangeboren immuniteit (altijd aanwezig, eerste lijn
van verdediging) en adaptieve / specifieke immuniteit (ontwikkelt pas na blootstelling aan
microben). De adaptieve immuniteit splitst zich op haar beurt in cellulaire immuniteit en
humorale immuniteit. Hieronder staan per vorm de bijhorende cellen.
1. Aangeboren (innate) immuniteit
Steeds aanwezige verdedigingsmechanismen die infectie onmiddellijk voorkomen. Nodig om het
adaptieve systeem in gang te steken (signaal 2).
Epitheelcellen Bedekken huid, gastro-intestinaal en respiratoir stelsel. Vormen een
mechanische barrière en produceren antimicrobiële moleculen zoals
defensines. Bevatten lymfocyten.
Neutrofielen Fagocyterende cellen; eerste leukocyten in het inflammatoir infiltraat (eerste
6–24 uur).
Macrofagen Fagocyterende cellen; vervangen neutrofielen (na 24–48 uur). Doen aan repair
en bevechten inflammatie.
Dendritische cellen Belangrijkste antigeen-presenterende cellen. Produceren type 1 interferon
(antivirale cytokines), brengen TLRs en mannose-receptoren tot expressie en
transporteren antigenen naar lymfoïde organen.
Natural killer (NK) Doden geïnfecteerde cellen en tumorcellen zonder voorafgaande blootstelling.
cellen ADCC via CD16 (IgG-receptor) en secretie van IFN-γ (activeert macrofagen).
Complementsysteem Geen cellen, maar >20 plasma-eiwitten die als enzymatische cascade werken
(plasma-eiwitten) (klassieke, alternatieve en lectine pathway). Effecten: inflammatie (C3a, C5a),
opsonisatie/fagocytose (C3b) en cellyse (MAC).
2. Adaptieve (specifieke) immuniteit
Wordt gestimuleerd door microben en ontwikkelt pas na blootstelling. Bestaat uit een cellulaire en een
humorale tak.
2a. Cellulaire immuniteit
Bescherming tegen intracellulaire microben; gemedieerd door T-lymfocyten.
T-lymfocyten Dragen een antigeen-specifieke T-cel receptor (TCR) met MHC-restrictie.
(algemeen) TCR-diversiteit ontstaat door rearrangement van TCR-genen in de thymus.
Differentiëren naar effector- en memory-cellen.
CD4+ T-helpercellen Binden MHC klasse 2 moleculen. Activeren macrofagen, stimuleren inflammatie
en B-lymfocyten; ook nodig voor isotype switch en affiniteitsmaturatie in de
humorale tak.
CD8+ cytotoxische Binden MHC klasse 1 moleculen. Doden geïnfecteerde cellen (celdood).
T-cellen
Dendritische cellen Nemen microben/antigenen op, presenteren ze via MHC aan naïeve T-cellen en
(APC) leveren costimulatie (CD28) = signaal 2.
, 2b. Humorale immuniteit
Bescherming tegen extracellulaire microben en hun toxines; gemedieerd door B-lymfocyten en hun
antilichamen.
B-lymfocyten Dragen een antigeen-specifiek B-cel receptorcomplex met IgM en IgD. Na
stimulatie door antigeen prolifereren en differentiëren ze (in de kiemcentra van
lymfeklieren).
Plasmacellen Geïdifferentieerde B-cellen die immuunglobulines (antilichamen) secreteren met
dezelfde antigeenspecificiteit als hun oppervlakte-antilichamen.
Memory B-cellen Langlevende cellen die bij een nieuwe blootstelling sneller en effectiever
reageren.
CD4+ T-helpercellen Ondersteunende cel: nodig voor isotype switch en affiniteitsmaturatie van de
antilichamen.
3. Kleinere moleculen van het immuunsysteem
Naast de cellen spelen tal van moleculen een sleutelrol — als oplosbare boodschappers, receptoren of
effectoren. Hieronder de moleculen die in deze cursus aan bod komen, gegroepeerd per functie.
Herkenningsreceptoren
Toll-like receptoren Pattern recognition receptors die componenten van verschillende bacteriën en
(TLR) virussen herkennen. Aanwezig op o.a. dendritische cellen en macrofagen.
Mannose-receptor Op macrofagen; herkent microben maar geen gastheercellen (stap 1 van
fagocytose).
Scavenger-receptoren Op macrofagen; binden microben tijdens de fagocytose.
T-cel receptor (TCR) Antigeen-specifieke receptor met MHC-restrictie; herkent peptide-antigenen
gepresenteerd door MHC. Diversiteit door rearrangement van TCR-genen in de
thymus.
B-cel receptor (IgM / Antigeen-specifiek receptorcomplex op het oppervlak van B-lymfocyten.
IgD)
Coreceptoren CD4 / CD4 bindt MHC klasse 2 (T-helpercellen); CD8 bindt MHC klasse 1
CD8 (cytotoxische T-cellen).
CD28 / costimulatoren CD28 op naïeve T-cellen bindt costimulatoren op APCs = signaal 2 voor
T-celactivatie.
CD16 IgG-receptor op NK-cellen; maakt ADCC (doden van IgG-bedekte targetcellen)
mogelijk.
Antigeenpresentatie
MHC klasse 1 Komt tot expressie op alle cellen; presenteert cytoplasmatische peptiden (vb.
virale antigenen) aan CD8+ cytotoxische T-cellen → celdood.
MHC klasse 2 Op antigeen-presenterende cellen (macrofagen, B-lymfocyten, dendritische
cellen); presenteert opgenomen antigenen aan CD4+ T-helpercellen.
HLA-complex Genen op chromosoom 6 die de MHC-moleculen coderen. Zeer polymorf: elk
individu erft een unieke set (belangrijk bij orgaantransplantatie).
Cytokines en chemokines (oplosbare boodschappers)