Stappenplan per leerstuk – Verbintenissenrecht
Precontractuele fase
In beginsel geldt artikel 6:2 BW: schuldeiser en schuldenaar moeten zich overeenkomstig
redelijkheid en billijkheid gedragen. Maar wat nou als er nog geen overeenkomst is?
Uit een eerder arrest van de HR kan worden afgeleid dat ´´door met elkaar in onderhandeling te
treden, komen partijen tot elkaar te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste
rechtsverhouding. Dit brengt met zich mee dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de
gerechtvaardigde verwachtingen van de wederpartij (wilsvertrouwensleer).
De gevolgen van het afbreken zijn afhankelijk van het stadium van de onderhandelingen waarin de
partijen zich bevinden. Hoewel dit natuurlijk niet realistisch is, worden er 3 algemene stadia
aangeduid uit de literatuur:
1. Afbreken mag ´ongestraft´ (contractsvrijheid)
2. Afbreken mag, maar wel negatief belang vergoeden (in de regel: kostenvergoeding)
3. Afbreken mag niet meer (door onderhandelen/positief contractbelang vergoeden), namelijk
wanneer wederpartij ´´mocht vertrouwen dat enigerlei contract tot stand zou komen´´.
Met betrekking tot de precontractuele aansprakelijkheid bij afbreken van een contract, het arrest
CBB/JPO van belang, hierbij oordeelt de HR:
Ieder van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond
van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de
overeenkomst, of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.
Er wordt hierbij heel terughoudend gebruik van gemaakt, dus aansprakelijkheid voor afgebroken
onderhandelingen zal niet snel voorkomen in praktijk.
Een andere vraag is vervolgens of de aanbieder van een contract precontractuele
informatie/waarschuwingsplicht heeft en wat de gevolgen daarvan kunnen zijn. Hiervoor moet
worden gekeken naar de Effectenlease-arresten. Hiervoor zijn verschillende routes die moeten
worden gecheckt:
i. Strijd met wet: op grond van 3:40 BW nietig. Gevolg: terugwerkende kracht (art 3:53 BW)
ii. Dwaling: op grond van 6:228 BW: overeenkomst vernietigbaar
iii. Misleidende reclame: op grond van 6:193a BW: schadevergoeding
iv. Schending bijzondere zorgplicht (in casu het geval): gevolg is schadevergoeding,
tussenoplossing mogelijk via 6:98 BW, 6:101 BW of 6:109 BW
,3:60 BW: Volmachtiging
Bij volmacht (vertegenwoordiging) draaitt het om het handelen namens iemand anders.
Volmacht staat beschreven in artikel 3:60 BW lid 1, belangrijk hierbij is dat het moet gaan om
- Bevoegdheid
- In zijn naam
- Rechtshandelingen te verrichten
In artikel 3:66 BW staat het gevolg beschreven: een binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in de
naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever
(achterman).
Stap 1: Er geldt in beginsel 3:66 lid 1 als uitgangspunt. De tussenpersoon kan bevoegdheden
uitoefenen tot zover deze zijn gegeven door de achterman. Geen bevoegdheid betekent geen
overeenkomst!
Stap 2: Ontbreekt de volmacht?
Nee, geen probleem dus overeenkomst wordt gesloten
Ja, er is nu geen overeenkomst, tenzij:
1) Bekrachtiging door de achterman (3:69 BW)
2) 3:61 lid 2 BW geldt. Hieruit volgt dat de overeenkomst alsnog tot stand kan komen
indien:
- Het gaat om een rechtshandeling in naam van A (achterman)
- Zonder (toereikende) bevoegdheid
- Gerechtvaardigd vertrouwen derde (eventueel onderzoekplicht 3:11 BW)
- Door een ‘’toedoen’’ (verklaring/gedraging) van A of risico (ING/Bera)
Stap 2b: Is de volmacht geëindigd? (variatie op ontbreken volmacht)
Uitgangspunt is: einde volmacht, einde vertegenwoordigingsbevoegdheid
Echter: 3:76 BW geldt nu: volmacht geldt als niet geëindigd jegens derde zolang hij niet wist
van beëindiging volmacht, behalve als (3:76 lid 1)
a) Het einde van de volmacht aan de derde was medegedeeld
b) De dood van de volmachtgever van algemene bekendheid was
c) Volmacht is geëindigd op voor derde kenbare wijze
d) Het bestaan van de volmacht alleen door de tussenpersoon aan de derde was
medegedeeld
Stap 3: Bevoegdheid ontbreekt en geen sprake van 3:61 lid 2 of 3:69, is er schadevergoeding van de
tussenpersoon?
Uit artikel 3:70 BW volgt dat tussenpersoon ‘’in staat voor volmacht’’, tenzij:
i. Wederpartij behoorde te weten dat de bevoegdheid ontbrak
ii. De gevolmachtigde heeft de inhoud van zijn bevoegdheden medegedeeld
- Ook hier geldt een bijzondere regeling bij einde volmacht (3:76 lid 2)
Het gaat hier om een tekortkoming van een verbintenis, dus 6:74 is van toepassing,
schadevergoeding. Zie hiervoor Wisman/Trijber. Het gaat om het Nederlandse verbintenissenrecht,
dus er kan sprake zijn van positief contractbelang! (gederfde winst etc.)
, 3:40 BW: Grenzen contractsvrijheid
In beginsel geldt contractsvrijheid. Echter, hier zijn grenzen aan gesteld onder andere door
artikel 3:40 BW (strijd met wet, goede zeden, openbare orde).
Voorafgaand moet worden gecheckt of er geen speciale regeling van toepassing is, deze gaat
namelijk voor op een algemene regeling. We hebben hier te maken met een algemene regeling, want
we zitten in boek 3 van het BW.
Stap 1: Er moet worden gekeken naar 3:40 BW lid 2 (!): mag de overeenkomst zelf gesloten worden?
Zo nee, dan is de overeenkomst ofwel nietig, ofwel vernietigbaar indien de bepaling
één van de partijen beschermt omdat het een zwakkere partij is (bijv werknemer-
werkgever, werknemer mag er dan ook voor kiezen om de overeenkomst zo te
laten). Ook moet het relativiteitsvereiste in het achterhoofd worden gehouden
(lid 3): heeft deze wet als strekking wel dit specifieke doeleinde beoogd?
Zo ja, dan moet er worden gekeken naar lid 1.
Stap 2: Kijk naar 3:40 BW lid 1: is de strekking of inhoud in strijd met goede zeden of openbare orde?
Zo ja, dan is de overeenkomst nietig.
Zo nee, dan moet er bepaald worden of de wet wordt overtreden wanneer de
overeenkomst wordt nageleefd.
Stap 3: Wanneer de wet wordt overtreden als de overeenkomst wordt nageleefd is de vraag of er
dan strijd is met de goede zeden of openbare orde (valt het dus alsnog onder lid 1?). Dit moet
worden beoordeeld aan de hand van de volgende elementen, die voortkomen uit het arrest
Esmilo/Mediq:
Welke belangen zijn door de regel beschermd (relativiteitseis)?
Zijn fundamentele beginselen geschonden?
Waren personen zich van de inbreuk bewust?
Voorziet de regel in een sanctie?
6:248 BW: Aanvullende/beperkende werking redelijkheid en billijkheid
Precontractuele fase
In beginsel geldt artikel 6:2 BW: schuldeiser en schuldenaar moeten zich overeenkomstig
redelijkheid en billijkheid gedragen. Maar wat nou als er nog geen overeenkomst is?
Uit een eerder arrest van de HR kan worden afgeleid dat ´´door met elkaar in onderhandeling te
treden, komen partijen tot elkaar te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste
rechtsverhouding. Dit brengt met zich mee dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de
gerechtvaardigde verwachtingen van de wederpartij (wilsvertrouwensleer).
De gevolgen van het afbreken zijn afhankelijk van het stadium van de onderhandelingen waarin de
partijen zich bevinden. Hoewel dit natuurlijk niet realistisch is, worden er 3 algemene stadia
aangeduid uit de literatuur:
1. Afbreken mag ´ongestraft´ (contractsvrijheid)
2. Afbreken mag, maar wel negatief belang vergoeden (in de regel: kostenvergoeding)
3. Afbreken mag niet meer (door onderhandelen/positief contractbelang vergoeden), namelijk
wanneer wederpartij ´´mocht vertrouwen dat enigerlei contract tot stand zou komen´´.
Met betrekking tot de precontractuele aansprakelijkheid bij afbreken van een contract, het arrest
CBB/JPO van belang, hierbij oordeelt de HR:
Ieder van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond
van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de
overeenkomst, of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn.
Er wordt hierbij heel terughoudend gebruik van gemaakt, dus aansprakelijkheid voor afgebroken
onderhandelingen zal niet snel voorkomen in praktijk.
Een andere vraag is vervolgens of de aanbieder van een contract precontractuele
informatie/waarschuwingsplicht heeft en wat de gevolgen daarvan kunnen zijn. Hiervoor moet
worden gekeken naar de Effectenlease-arresten. Hiervoor zijn verschillende routes die moeten
worden gecheckt:
i. Strijd met wet: op grond van 3:40 BW nietig. Gevolg: terugwerkende kracht (art 3:53 BW)
ii. Dwaling: op grond van 6:228 BW: overeenkomst vernietigbaar
iii. Misleidende reclame: op grond van 6:193a BW: schadevergoeding
iv. Schending bijzondere zorgplicht (in casu het geval): gevolg is schadevergoeding,
tussenoplossing mogelijk via 6:98 BW, 6:101 BW of 6:109 BW
,3:60 BW: Volmachtiging
Bij volmacht (vertegenwoordiging) draaitt het om het handelen namens iemand anders.
Volmacht staat beschreven in artikel 3:60 BW lid 1, belangrijk hierbij is dat het moet gaan om
- Bevoegdheid
- In zijn naam
- Rechtshandelingen te verrichten
In artikel 3:66 BW staat het gevolg beschreven: een binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in de
naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever
(achterman).
Stap 1: Er geldt in beginsel 3:66 lid 1 als uitgangspunt. De tussenpersoon kan bevoegdheden
uitoefenen tot zover deze zijn gegeven door de achterman. Geen bevoegdheid betekent geen
overeenkomst!
Stap 2: Ontbreekt de volmacht?
Nee, geen probleem dus overeenkomst wordt gesloten
Ja, er is nu geen overeenkomst, tenzij:
1) Bekrachtiging door de achterman (3:69 BW)
2) 3:61 lid 2 BW geldt. Hieruit volgt dat de overeenkomst alsnog tot stand kan komen
indien:
- Het gaat om een rechtshandeling in naam van A (achterman)
- Zonder (toereikende) bevoegdheid
- Gerechtvaardigd vertrouwen derde (eventueel onderzoekplicht 3:11 BW)
- Door een ‘’toedoen’’ (verklaring/gedraging) van A of risico (ING/Bera)
Stap 2b: Is de volmacht geëindigd? (variatie op ontbreken volmacht)
Uitgangspunt is: einde volmacht, einde vertegenwoordigingsbevoegdheid
Echter: 3:76 BW geldt nu: volmacht geldt als niet geëindigd jegens derde zolang hij niet wist
van beëindiging volmacht, behalve als (3:76 lid 1)
a) Het einde van de volmacht aan de derde was medegedeeld
b) De dood van de volmachtgever van algemene bekendheid was
c) Volmacht is geëindigd op voor derde kenbare wijze
d) Het bestaan van de volmacht alleen door de tussenpersoon aan de derde was
medegedeeld
Stap 3: Bevoegdheid ontbreekt en geen sprake van 3:61 lid 2 of 3:69, is er schadevergoeding van de
tussenpersoon?
Uit artikel 3:70 BW volgt dat tussenpersoon ‘’in staat voor volmacht’’, tenzij:
i. Wederpartij behoorde te weten dat de bevoegdheid ontbrak
ii. De gevolmachtigde heeft de inhoud van zijn bevoegdheden medegedeeld
- Ook hier geldt een bijzondere regeling bij einde volmacht (3:76 lid 2)
Het gaat hier om een tekortkoming van een verbintenis, dus 6:74 is van toepassing,
schadevergoeding. Zie hiervoor Wisman/Trijber. Het gaat om het Nederlandse verbintenissenrecht,
dus er kan sprake zijn van positief contractbelang! (gederfde winst etc.)
, 3:40 BW: Grenzen contractsvrijheid
In beginsel geldt contractsvrijheid. Echter, hier zijn grenzen aan gesteld onder andere door
artikel 3:40 BW (strijd met wet, goede zeden, openbare orde).
Voorafgaand moet worden gecheckt of er geen speciale regeling van toepassing is, deze gaat
namelijk voor op een algemene regeling. We hebben hier te maken met een algemene regeling, want
we zitten in boek 3 van het BW.
Stap 1: Er moet worden gekeken naar 3:40 BW lid 2 (!): mag de overeenkomst zelf gesloten worden?
Zo nee, dan is de overeenkomst ofwel nietig, ofwel vernietigbaar indien de bepaling
één van de partijen beschermt omdat het een zwakkere partij is (bijv werknemer-
werkgever, werknemer mag er dan ook voor kiezen om de overeenkomst zo te
laten). Ook moet het relativiteitsvereiste in het achterhoofd worden gehouden
(lid 3): heeft deze wet als strekking wel dit specifieke doeleinde beoogd?
Zo ja, dan moet er worden gekeken naar lid 1.
Stap 2: Kijk naar 3:40 BW lid 1: is de strekking of inhoud in strijd met goede zeden of openbare orde?
Zo ja, dan is de overeenkomst nietig.
Zo nee, dan moet er bepaald worden of de wet wordt overtreden wanneer de
overeenkomst wordt nageleefd.
Stap 3: Wanneer de wet wordt overtreden als de overeenkomst wordt nageleefd is de vraag of er
dan strijd is met de goede zeden of openbare orde (valt het dus alsnog onder lid 1?). Dit moet
worden beoordeeld aan de hand van de volgende elementen, die voortkomen uit het arrest
Esmilo/Mediq:
Welke belangen zijn door de regel beschermd (relativiteitseis)?
Zijn fundamentele beginselen geschonden?
Waren personen zich van de inbreuk bewust?
Voorziet de regel in een sanctie?
6:248 BW: Aanvullende/beperkende werking redelijkheid en billijkheid