-> vb gevangenendilemma
Speltheorie
= analyseren van situaties waarvan de beslissingen van individuen niet
alleen voor hunzelf gevolgen hebben maar ook voor anderen. Proberen te
voorspellen hoe spelers zich zullen gedragen en hoe waarschijnlijk de
verschillende uitkomsten zijn. Spel bestaat uit spelers met elk een
strategie voor een zo best mogelijk resultaat (= payoff).
Uitkomsten rijspeler = eerst uitkomsten kolomspeler = tweede
Dominante strategie
= strategie die een speler altijd het beste resultaat oplevert ongeacht de
keuze van de andere speler. Een rationele speler zal altijd deze strategie
kiezen.
o Evenwicht: combinatie van dominante strategieën van de spelers
als alle spelers een dominante strategie hebben.
o Coöperatief evenwicht: samenwerken voor best mogelijke uitkomst.
Vaak onzeker
Nash evenwicht
= combinatie van strategieën waarbij geen enkele speler de intentie heeft
zijn strategie te wijzigen, gegeven de strategie van de andere speler. Is
algemener dan evenwicht in dominante strategieën. Kan 0,1,2 of meer
zijn
Vb: Battle of the sexes (= coördinatiespel) -> 2 Nash-evenwichten
Module 1: Productie en welvaart
Productiemogelijkhedencurve
= toont combinaties van 2 goederen die geproduceerd kunnen worden
wnnr alle productiemiddelen efficiënt w ingezet. Punten op de grafiek zijn
optimaal. Alle goederenbundels onder de grafiek kunnen ook
geproduceerd worden, maar hiervoor zijn de productiemiddelen niet
optimaal benut.
,Punten op & onder grafiek = productiemogelijkhedenverzameling. <>
schaarste
Deze vorm doet de opportuniteitskost stijgen naarmate er meer taart w
geproduceerd (concaaf = natuurlijke vorm). Als lineair is de
opportuniteitskost constant naarmate het goed toeneemt.
Opportuniteitskost
= gemiste opbrengst van de best mogelijke alternatieve aanwending van
de beschikbare productiemiddelen (kiezen is verliezen & 32 in het
voorbeeld). Wordt steeds uitgedrukt in termen van een andere goed,
daarom is deze waarde relatief. Hetgeen wat het verliest als je iets anders
meer gaat maken. De helling van de (zwarte) curve is gelijk aan de kost.
(Als goed toeneemt: concaaf = kost neemt toe <> convex, lineair = kost
constant)
Comparatief voordeel
= De ene kan 1 eenheid wijn maken voor het ‘opgeven’ van een mindere
hoeveelheid textiel dan de andere (zie breuken) -> land 1 comparatief
voordeel in dat goed (E: textiel & P: wijn). Wanneer je het goedkoopst kan
produceren o.b.v. de opportuniteitskost. Specialisatie = land produceert
enkel waar ze relatief gezien goed in zijn.
Consumptiemogelijkheden
= wat kan een land consumeren i.v.m. met wat het produceert. Bv
Engeland produceert 3600 eenheden textiel. En kan het omruilen met
3600 eenheden wijn met ruilvoet 1 (= helling gele curve). Alle soorten
mogelijkheden komen op de consumptie-mogelijkhedencurve.
, Module 2: vraag en aanbod
De vraag
= op de vraagcurve (dalend -> meer mensen bereid te betalen aan lagere
prijs) staat in het assenstelsel de prijs op de verticale as en de gevraagde
hoeveelheid op de horizontale => inverse vraagfunctie (interpretatie als
marginale bereidheid om te betalen)
Partiële vraag = verband gevraagde hoeveelheid en 1 variabele en ceteris
paribus (= veronderstellen dat de andere variabelen constant zijn over de
tijd)
o Reservatieprijs: max prijs dat iemand wil uitgeven aan dat product
o Wet van de vraag: prijs Omgekeerd Evenredig gevraagd
hoeveelheid (negatief verband)
o Consumentensurplus: reservatieprijs – prijs product => totale
bereidheid tot betalen (= gekleurde oppervlakte) – totale uitgaven
Marktvraag = vloeiende dalende curve + weergave marginale bereidheid
tot betalen