• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 71 pages
Summary

Samenvatting Verpleegkundige Methodiek 2 | Diabetes Mellitus | VIVES | 2025/26

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 71 pages

Studiemateriaal voor Verpleegkundige Methodiek 2 aan Katholieke Hogeschool VIVES, gericht op diabetes mellitus en bijbehorende pathologie. Het document behandelt de definitie en types van diabetes, risicofactoren, anatomie en fysiologie van de pancreas, en de pathofysiologie van type 1 diabetes mellitus met gedetailleerde uitleg van insulineproductie, glucagonregulatie en het metabole schakelsysteem. Dit materiaal biedt een solide theoretische basis voor de verpleegkundige behandeling van diabetespatiënten en is essentieel voor examenvoorbereiding in het verpleegkundig onderwijs.

Content preview

Verpleegkundige methodiek 2 – diabetes en pathologie

Deel diabetes mellitus

Definitie en types

= een chronische aandoening die wordt gekenmerkt door chronische hyperglycemie.

Er zijn twee verschillende types:




Risicofactoren

- Obesitas
- Ongezonde voeding (te veel rood vlees, bereide voeding, gesuikerde frisdrank
- Roken, te weinig lichaamsbeweging
- Leeftijd (45+)
- Te hoog of te laag geboortegewicht
- Slaapstoornissen, depressie
- Familiaal voorkomen




1

,Pathofysiologie !!!

Anatomie en fysiologie

De pancreas of alvleesklier:
= ligt in de buikholte, retroperitoneaal, met de kop in de bocht van het duodenum en de staart tot aan de milt.

De pancreas is een klier die zowel een exocriene als een endocriene functie heeft:

- Exocrien: productie van het benodigde pancreassap voor de spijsvertering. Dit sap bevat
verteringsenzymen, zoals amylase voor koolhydraten, trypsine voor eiwitten en lipase voor vetten
- Endocrien: dit zijn de eilandjes van Langerhans: bevatten verschillende soorten cellen:
 α-cellen: produceren glucagon  dit hormoon doet het bloedglucosegehalte stijgen door
omzetting van het opgeslagen glycogeen, uit de lever, naar glucose. Glycolyse leidt dus tot
gluconeogenese waardoor een stijging van de bloedglucosespiegel wordt veroorzaakt
 ß-cellen: produceren insuline  dit hormoon doet het bloedglucosegehalte dalen. Het is
een van de belangrijkste hormonen in ons lichaam. Insuline zorgt voor opname van glucose
o.a. in de spier- en vetcellen en de omzetting naar glycogeen (reserve) in de lever
 δ-cellen: produceren somatostatine  dit hormoon regelt de afgifte van het groeihormoon.
Groeihormoon zorgt voor een toegenomen insuline- ongevoeligheid, waardoor makkelijker
een hogere bloedglucose concentratie ontstaat. Hierdoor stijgt continu de insulineproductie
en concentratie in het bloed. Een hypoglycemisch effect blijft echter uit. Hierdoor een treedt
glucosurie op.

Opname van glucose:

- De belangrijkste regulator voor insuline-productie is onze voeding. Wanneer we koolhydraten
innemen met de voeding stijgt de bloedsuikerspiegel  b- cellen in de pancreas geven insuline vrij
dat dan in de bloedbaan terecht komt = bereikt diverse weefsels (spierweefsel, lever, vetweefsel...)
- De spieren nemen 2/3e van alle glucose op die tijdens een maaltijd wordt aangevoerd. Op de
celmembranen van deze cellen bevinden zich insulinereceptoren. Door binding van insuline op deze
receptor vertrekt een signaal naar een glucosetransporter om glucose in de cel op te nemen. Door de
afbraak van dat glucose (glycolyse) kunnen de cellen vervolgens energie aanmaken insuline
- Bij iedere maaltijd zal de pancreas dus een hoeveelheid insuline aan het bloed afgeven, voldoende om
de bloedglucosespiegel binnen de normale grenzen houden. Daarnaast werkt de pancreas gedurende
de gehele dag en nacht op een laag pitje, om steeds een geringe hoeveelheid insuline in het bloed
aanwezig te houden. Zo produceert de pancreas van een niet-diabeet elke dag 30 ‘eenheden’ insuline.

Opslaan reserves:

- Naast het spierweefsel zijn ook de lever en de vetcellen erg insuline-gevoelig  spelen een
belangrijke rol in het opslaan van energiereserves.
- Glucose dat niet door andere weefsels is opgenomen wordt in de lever omgezet tot glycogeen en in
de vetcellen tot triglyceriden. Deze reserves kunnen worden aangesproken in tijden van voedseltekort




2

,Het schakelsysteem:

- In tijden van voedseltekort en een dalende bloedsuikerspiegel geven de a-cellen van de pancreas
glucagon vrij = een hormoon dat een tegengestelde werking heeft aan insuline. Het remt de aanmaak
van glycogeen en stimuleert de afbraak ervan tot glucose (glycogenolyse). Ook de aanmaak van
triglyceriden wordt geremd en de afbraak van tot vrije vetzuren (lipolyse) wordt gestimuleerd  zo
kan in afwezigheid van voedsel toch voldoende energie worden geproduceerd.

Ons metabolisme “schakelt” dus tussen twee standen ‘VOEDEN’ en ‘VASTEN’:




Dit schakelen gebeurt niet vanzelf, maar o.i.v. voedselinname. Ons metabolisme regelt het schakelen
dus niet autonoom (!), maar reageert enkel op het voedselaanbod.


Pathofysiologie

TYPE 1 DM:

= het gevolg van een (relatief snelle) auto-immuundestructie van de B-cellen van de eilandjes van Langerhans:
er kan geen insuline geproduceerd worden na voedselinname = glucose blijft dus achter in de bloedbaan




Er zijn drie voorwaarden van de pathofysiologie:

1. Genetische voorbeschiktheid
 90% is drager van specifieke humaan leukocytenantigenen (vnl. HLA-DR 3 en HLA-DR4)
 Deze membraaneiwitten spelen een rol in de antigeen presentatie van WBC
 Wie beide allelen draagt heeft het hoogste risico op T1DM, toch ontwikkelen heel wat
van deze dragers geen T1DM
 Bij eeneiige tweelingen (= genetisch identiek) is de concordantiegraad ‘slechts’ 50%

2. Auto-immuunrespons
 Bij T1DM-patiënten worden diverse autoantistoffen die zich richten tegen meerdere
antigenen in de b-cel zelf, o.a. insuline maar ook enzymen en membraantransporters
 Hoe meer types autoantistoffen circuleren, hoe groter de kans op T1DM
 De binding van antigenen en antistoffen zorgt voor een lymfocytaire ontstekingsreactie
(‘insulitis’) in de endocriene pancreas

3. Verlies van b-cellen
 Door het ontstekingsproces worden b-cellen vernietigd over verloop van maanden,
eventueel jaren. Enkel indien het grootste deel van deze insuline-producerende cellen
verloren gaat, ontstaat hyperglycemie en het klinisch beeld van T1DM



3

, De auto-immuunrespons treedt dus niet bij elke persoon op met een genetische voorbeschiktheid.

Eén of meerdere uitlokkende omgevingsfactoren (triggers) zijn nodig:

- Enterovirussen vb. Coxsackie-virus, echovirus  komen zeer vaak voor op kinderleeftijd
 Coxsackie B4-virus: één van de kapseleiwitten lijkt sterkt op een enzym in de b- cellen. Dit
zorgt ervoor dat het afweersysteem zich kan vergissen en het lichaamseigen enzym aanvalt.
Zelfs nadat het virus uit de pancreas is verdwenen, blijft de ontstekingsreactie in de b-cellen
dus aanhouden. Omdat niet elke auto- immuunrespons meteen leidt tot voldoende b-
celverlies zijn mogelijke herhaalde, virale infecties nodig om T1DM uit te lokken

- Andere virussen vb. rode hond (rubella), klierkoorts en cytomegalovirus (CMV)

- De stijgende incidentie is mogelijk ook te wijten aan de hygiëne- hypothese  onze steeds
hygiënischere leefomstandigheden zouden ervoor zorgen dat ons immuunsysteem op jonge leeftijd
onvoldoende in contact komt met allerlei micro-organismen uit de omgeving. Hierdoor raakt ons
afweersysteem niet goed afgesteld en reageert het ongepast op banale bedreigingen zoals vb. een
infectie met een enterovirus


TYPE 2 DM:




We kunnen verschillende fasen onderscheiden:

- Insulineresistentie

 Wanneer systematisch en langdurig een te hoog aantal calorieën wordt opgenomen met de
voeding  insulinereceptor hierdoor overgestimuleerd en de cellen worden voortdurend
geprikkeld om glucose op te nemen en reserves op te slaan  schadelijk voor de cellen en kan
leiden tot celdood (of het ontstaan van kanker)  er treden regelmechanismen in werking die de
signaalketen van insuline gaan afremmen  onze cellen gaan hierdoor minder goed ‘luisteren’
naar het insuline-signaal en de glucose-opname daalt
 Insulineresistentie eerst in de spieren van het lichaam: zo tracht het spierweefsel de overgang
van de metabole toestand ‘voeden’ naar ‘vasten’ door te drukken  het overtollige glucose blijft
echter circuleren in de bloedbaan en draagt bij tot het ontwikkelen van chronische
hyperglycemie. Insulineresistentie in de hypothalamus draagt bij tot een verminderd
verzadigingsgevoel na de maaltijd, waardoor de patiënt meer eet dan nodig.

Lichaamsbeweging bevordert de signaalketen van insuline, waardoor insulineresistentie in de
spieren terug afneemt

- Dysfunctie vetweefsel

 Als de spieren meer en meer insulineresistent worden, wordt het overtollige glucose deels
afgevoerd naar het vetweefsel waar het wordt opgeslaan als triglyceriden (TG).
 Als het ongezonde voedingspatroon aanhoudt veroorzaakt dit verschillende problemen:
 De vetweefsels worden insulineresistent: het vetweefsel weigert meer en meer glucose en
duwt het metabolisme ook richting ‘vasten’. Net zoals bij echte perioden van vasten worden
TG afgebroken tot vrije vetzuren (lipolyse) die worden vrijgeven in het bloed. Omdat er geen
vraag is naar deze brandstoffen blijven ze circuleren in het lichaam



4

Document information

Study
Uploaded on
May 30, 2026
Number of pages
71
Written in
2025/2026
Type
Summary
$33.50

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
8
Followers
0
Items
27
Last sold
2 months ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions