t
chapitre 2: le bulletin d’information (= het nieuwsbericht)
1. analyse d’un fait divers (= analyse van randnieuws)
1. Qui? (Wie?)
2. Quoi? (Wat?)
3. Où? (Waar?)
4. Quand? (Wanneer?)
5. Comment? (Hoe?)
6. Pourquoi? (Waarom?)
7. Conséquences? (Gevolgen?)
2. le communiqué de presse (= persbericht)
Comme toujours, il faut annoncer votre thème (=intro) et le terminer (= conclusion); et puis passer au
thème suivant (= connecteurs). Zoals altijd moet u uw thema aankondigen (= intro) en afsluiten (=
conclusie); daarna gaat u verder met het volgende thema (= verbindingswoorden).
Pour vous aider :
● Répondez d’abord aux différentes questions vues dans le chapitre sur le fait divers.
Beantwoord eerst de verschillende vragen uit het hoofdstuk over nieuwsberichten.
● Sur base des réponses, écrivez votre texte (pas forcément dans l’ordre des
questions/réponses). Schrijf op basis van de antwoorden uw tekst (niet noodzakelijk in de volgorde
van de vragen/antwoorden).
● Utilisez des connecteurs, mais peu. Gebruik verbindingswoorden, maar niet te veel.
● Attention, il faut mentionner des faits uniquement, pas d’avis personnel. Let op, vermeld alleen
feiten, geen persoonlijke meningen.
● Attention aux temps, surtout ceux du passé (imparfait / passé composé) et à l’emploi du
passif. Let op de tijden, vooral die in het verleden (onvoltooid verleden tijd / voltooid tegenwoordige
tijd) en het gebruik van de passieve vorm.
,2025-2026 Frans Jente Marcelis
chapitre 3: Le contrat - Generalites (= het contract - algemeen)
1. Contrat ou convention (= contract of overeenkomst)
§1: Un contrat = une convention, càd: §1: Een contract = een overeenkomst, d.w.z.:
● Une obligation de : ● Een verplichting om:
● donner → ex. transfert de propriété d’un ● te geven → bijv. eigendomsoverdracht
bien van een goed
● faire → ex. livrer une marchandise ● te doen → bijv. goederen leveren
● ne pas faire → ex. ne pas vendre un bien, ● niet te doen → bijv. een goed niet
ne pas faire concurrence verkopen, geen concurrentie voeren
● Entre 2 personnes, ou plus ● Tussen 2 of meer personen
§2: But du contrat: §2: Doel van het contract:
● vivre → ex. contrat de vente, de bail ● leven → bijv. verkoopcontract,
● acquérir de la richesse → ex. contrat de huurovereenkomst
travail ● rijkdom verwerven → bijv.
● la conserver → ex. contrat d’assurance arbeidsovereenkomst
§3: Un contrat (document → ex. un contrat de ● rijkdom behouden → bijv.
mariage ↔ une convention (le contrat → ex. une verzekeringscontract
convention matrimoniale) §3: Een contract (document → bijv. een
§4: Autres exemples : huwelijkscontract ↔ een overeenkomst (het
● Un contrat de travail ↔ une convention contract → bijv. een huwelijksovereenkomst)
collective §4: Andere voorbeelden:
● Un contrat de bail ↔ une convention de ● Een arbeidsovereenkomst ↔ een
location collectieve overeenkomst
§5 : Voc ● Een huurovereenkomst ↔ een
● un contrat → contracter → un huurovereenkomst
contractant, une partie §5 : Voc
● une convention → convenir → un ● een contract → contracteren → een
signataire, une partie contractant, een partij
● een overeenkomst → overeenkomen
→ een ondertekenaar, een partij
2. Examiner les principaux contrats (= belangrijke contracten bekijken)
partie qui donne partie qui accepte
le contrat de vente le vendeur l’acheteur
le contrat de bail le bailleur le locataire
le contrat de prêt le prêteur l’emprunteur
le contrat de donation le donateur le donataire
le contrat de travail l'employeur l’employé
le contrat d’assurance l’assureur l’assuré
le contrat de mariage l’époux l’épouse
,2025-2026 Frans Jente Marcelis
3. Examiner les principaux contrats (= belangrijke contracten bekijken)
une loi un contrat
auteur le pouvoir législatif les contractants
objet réglementer les relations définir les obligations des
sociales parties
effect de portée générale de portée limitée
4. La validité des contrats (= de geldigheid van contracten)
§1 : Conditions pour la validité d’un contrat (Art. §1: Voorwaarden voor de geldigheid van een
5.27, nouveau Code civil) overeenkomst (Art. 5.27, nieuw Burgerlijk
● contrat = OK → contrat = valable Wetboek)
→ la validité ● overeenkomst = OK → overeenkomst =
● contrat ≠ OK → contrat = nul geldig
→ la nullité → geldigheid
§2 ● overeenkomst ≠ OK →
● le consentement libre et éclairée de chaque overeenkomst = nietig
partie → nietigheid
● la capacité de chaque partie de contracter §2
● un objet déterminé et licite ● vrije en geïnformeerde toestemming van
● une cause licite elke partij
§3: Le consentement ● contractuele bekwaamheid van elke partij
= un accord / une acceptation (des 2 parties) ● een bepaald en rechtmatig voorwerp
● réciproque ● een rechtmatige oorzaak
● écrit / verbal / gestuel §3: De toestemming
● intègre (= non vicié) = een overeenkomst / een aanvaarding (van beide
§4: 3 vices: partijen)
■ une erreur ● wederzijds
■ un dol ● schriftelijk / mondeling / gebarentaal
■ une violence ● integer (= niet ongeldig)
§5: La capacité §4: 3 ongeldigheidsgronden:
= être capable (juridiquement) ■ een dwaling
§6: L’objet ■ bedrog
= une prestation promise ■ geweld
● conditions : §5: De bekwaamheid
§7 = (juridisch) bekwaam zijn
○ possible = réalisable §6: Het voorwerp
○ personnelle = een beloofde prestatie
○ déterminée = précise ● voorwaarden:
○ licite = légale §7
§8: La cause ○ mogelijk = uitvoerbaar
= la raison ○ persoonlijk
● conditions : ○ bepaald = nauwkeurig
○ réelle ○ wettig = legaal
○ licite §8: De oorzaak
= de reden
● voorwaarden:
○ reëel
○ wettig
, 2025-2026 Frans Jente Marcelis
Vocabulaire (= woordenschat)
un accord akkoord
un achat aankoop
acheter kopen
un acheteur koper
une assurance verzekering
un(e) assuré(e) verzekerde
un assureur verzekeraar
assurer verzekeren
un bail huurovereenkomst
un bailleur verhuurder
capable de in staat om
une capacité vermogen
une cause oorzaak
conclure afsluiten
une condition voorwaarde
un consentement toe- of instemming
un contractant contracterende partij
contracter (een contract) afsluiten
un contrat contract
un contrat d’assurance verzekeringscontract
un contrat de bail huurcontract
une contrat de donation schenkingsovereenkomst
un contrat de mariage huwelijkscontract
un contrat de prêt leningsovereemkomst
un contrat de travail arbeidsovereenkomst
un contrat de vente verkoopcontract
convenir overeenkomen
une convention overeekomst
un dol bedrog
un donataire begunstigde (van schenking)
un donateur schenker
dû verschuldigd
écrit geschreven
un(e) employé(e) werknemer
employer tewerkstellen
un employeur werkgever
un emprunt lening
emprunter ontlenen
un emprunteur ontlener
une erreur fout, vergissing
être tenu de gehouden zijn aan
gestuel met gebaren
illicite onwettig, verboden
intègre rechtschapen
licite geoorloofd, rechtmatig
une location huur
un locataire huurder
louer huren, verhuren
se marier trouwen
matrimonial huwelijks-
une menace bedreiging