Hoofdstuk 1: Het wankele evenwicht tussen bevolking en landbouw
Hoofdstuk 2: De ontluikende handel
Hoofdstuk 3: De wispelturige groei van de nijverheid
Het middeleeuwse munt- en kredietwezen
Deel 2: Het handelskapitalisme in de greep van het mercantilisme (1450–1750)
Een nieuw wereldbeeld
Hoofdstuk 1: Nieuwe spanningen tussen bevolking en landbouw
Hoofdstuk 2: De geboorte van een Atlantische handelsruimte
Hoofdstuk 3: De nijverheid en het oprukkende mercantilisme
Hoofdstuk 4: De financieel-technische vooruitgang
Deel 3: De industriële revolutie en het ontstaan van moderne economische groei (1750–
1914)
Inleiding: De verlichting en de opkomst van de burgerij
Hoofdstuk 1: De demografische en agrarische dynamiek
Hoofdstuk 2: Opkomst van de eerste globale economie
Hoofdstuk 3: De vele gedaanten van de industriële revolutie
Hoofdstuk 4: Beginnende democratisering van de welvaart
Hoofdstuk 5: Gouden standaard en financieel kapitalisme
De eerste globale economie is een feit
Deel 4: Ondergang van de West-Europese hegemonie (1914–1945)
Hoofdstuk 1: Naweeën van de Eerste Wereldoorlog
Hoofdstuk 2: Misleidende stabiliteit (1925–1929)
Hoofdstuk 3: Van Grote Depressie naar Tweede Wereldoorlog
Deel 5: Het postindustriële tijdperk (1945–heden)
Hoofdstuk 1: Overgang van oorlogs- naar vredeseconomie
Hoofdstuk 2: Ongebreidelde economische groei (1950–1973)
Hoofdstuk 3: Het institutionele kader tijdens de jaren 1950 en 1960
Hoofdstuk 4: Het Oostblok en de derde wereld tot de jaren 1970
Hoofdstuk 5: Nieuwe schokken en herstructureringen (1974–heden)
Hoofdstuk 6: Institutionele ontwikkelingen in het Westen
Periodes/jaartallen in dit vak worden gebaseerd op deze grafiek (crisis, etc.)
1
, ECONOMISCHE GESCHIEDENIS
DEEL 1: ONTSTAAN VAN HET HANDELSKAPITALISME (750 – 1450)
Hoofdstuk 1: het wankele evenwicht tussen bevolking en landbouw
Inleiding (750 – 950)
Kerngebieden van wereldeconomie: oosten v/d Middellandse zee, Midden-Oosten, Indië en
China daar zitten economische activiteit, cultuur en militaire sterktes (zijn verbonden via de
zijderoute)
West-Europa = perifeer (aanhangsel), achtergebleven gebied met weinig handel en nijverheid
(geen grote steden)
Kaart Europa (+/- 800): roze vlek = rijk Karel de Grote (Karolingische rijk) zo goed als heel
West-Europa
Zijderoute: heel veel verschillende routes dus zijderoute = containerbegrip China en Indië grote
leveranciers van zijderoute en willen specerijen en luxegoederen naar het Westen exporteren
Over zee
o Gedeeltelijke over Perzische golf en door vruchtbare sikkel (land)
o Volledige zeeroute over de rode zee
Over land (meeste routes)
West-Europa
Peasant Economy overheerst = heel veel kleine boeren (peasants) die in een overlevingsmodus
zitten (produceren en consumeren alles zelf) agrarische subsistentie- of overlevingseconomie
waarbij de opbrengsten uit landbouw en de niet-agrarische nevenactiviteiten grotendeels op het
boerenbedrijf zelf worden geconsumeerd (levensmiddelen, veevoeder, zaaigoed, kleding,
huisvesting, etc.) = algemene armoede in Europa
Weinig arbeidsspecialisatie geringe efficiëntie en lage reële inkomens
Ruilhandel domineert door schaarste aan muntstukken
Uitzondering: Italië en Iberisch Schiereiland = Moren (Spanje)
o Morel = Moslimvolk en die zijn veel verder ontwikkeld dan wij op dat moment
o In Zuid-Italië zitten nog stukken van het Oost-Romeinse rijk dus rijkdom
Karel de Grote (eerste keizer van West-Europa van 768-814)
Zorgt voor de eenmaking van West-Europa
Einde 5de eeuw werd laatste West-Romeinse keizer afgezet keizerskroon wordt opgestuurd
naar Oost-Romeinse/Byzantijnse rijk omdat Germaanse volkeren (West-Romeinse rijk) wisten
dat ze geen cultureel, economisch, militair geen partij waren voor Byzantijnse rijk in Europa
eeuwenlang geen keizer
Keizerskroning Karel de Grote door Paus (jaar 800) = belangrijke symbolische aangelegenheid
(achterstand op andere landen inlopen als Europa)
West-Europa heeft een gedeeld leiderschap tussen Paus (kerkelijk vlak) en keizer (wereldlijk
vlak)
o Uniek in de wereld want in andere landen zoals China heeft de keizer ook religieuze
macht daarom is het moeilijk met hen te onderhandelen (kan niet met Godheid
onderhandelen)
o In Europa is zelfs Paus geen God, maar een vertegenwoordiger van God op aarde (je kan
onderhandelen)
o Conflicten tussen keizer en paus want keizer wil paus naar zijn hand zetten en
omgekeerd
Moslimwereld heeft een soort ‘tussenpositie’
2
,o Kaliefen hebben wereldlijke en religieuze macht maar Kalief is geen God want Allah zit
in de hemel, maar een vertegenwoordiger van Allah op aarde
o Oosters Despotisme: 1 iemand heeft absolute macht
3
, Middeleeuwse staatsopvatting
Wederzijdse persoonlijke afhankelijkheidsrelaties
o Vazal legt eed van trouw af aan koning (later keizer) verplicht zich tot militaire en
andere bijstand
o In ruil biedt vorst bescherming aan zijn vazal
o Netwerkeconomie: hoe meer vazallen, hoe meer troepen
o Men werd beloond met stukken grond = tijdelijk gebruiksrecht
Karel de Grote verbindt beide elementen: iedereen die van keizer goed in leen krijgt (feodum)
moet hem trouw zweren = feodaliteit/leenstelsel
Graven en hertogen lenen op hun beurt dat land tijdelijk uit met daaraan gekoppelde eed van
trouw
o Tijdelijk = als de keizer niet tevreden is over hoe je het doet dan kan dat worden
afgenomen en als je sterft komt het sowieso terug bij keizer/koning terecht
= feodale piramide met onderaan achtervazallen/lokale heren (= plaatselijke
grootgrondbezitters)
Sociaaleconomische ontwikkelingen
3 standen: de bevolking is opgedeeld in 3 duidelijk afgescheiden ‘standen’ of maatschappelijke
groepen met ongelijke rechten en plichten
1. Clerus: bidders of geestelijken (staan bovenaan)
2. Strijders of professionele ruiterij (kunnen paarden voor strijddoeleinden onderhouden) =
grootgrondbezitters
3. Zij die handenarbeid verrichten (voornamelijk landbouwers)
Maar de meeste boeren in vruchtbare gebieden zijn horigen/lijkeigenen
Grootgrondbezitter heeft bijna al het land in handen maar geeft een deel in exploitatie aan
lijfeigenen voor eigen gebruik
Als tegenprestatie zijn lijfeigenen verplicht een deel van de oogst in natura af te staan en
gratis de gronden van de lokale heer bewerken (scheidingslijn lijfeigenen en slaven is
‘troebel’)
Lijfeigenen zijn aan de grond gebonden en onderworpen aan de rechtspraak van de lokale
heer
o Grondgebonden: toelating vragen om iemand te bezoeken of te trouwen met iemand
van een ander domein
o Onderworpen aan rechtspraak: overgeleverd aan lokale heer want er zijn (bijna) geen
mogelijkheden om naar hogere instanties te trekken om je gelijk te halen
Maar in perifere zones (kustgebieden, Kempen) zijn er meer vrije boeren
Expansie van landbouw (vanaf tweede helft van de 8e eeuw)
Overgang van tweeslagstelsel naar drieslagstelsel
o Tweeslagstelsel = grond in 2 verdeelt en in jaar 1 akkerbouw en jaar 2 braak liggen
(voor recuperatie)
o Drieslagstelsel = grond in 3 verdeelt en in stuk & jaar 1 wintergraan (gewassen die kou
nodig hebben) en in stuk & jaar 2 zomergraan (geen kou nodig) en in stuk & jaar 3
braak liggen met liefst vee laten grazen
Houten karrenploeg = zwaardere ploeg gemonteerd op een kar met een beter dieper
ploegen en tegelijkertijd grond ook omploegen snijvlak (vooruitgang grondproductiviteit)
Agrarische groei creëert koopkracht bij grootgrondbezitters
Regionale handel en markten door nabijheid van “hoofdstad” van Karolingische rijk (Aken) en extra
koopkracht
“Hoofdstad” want er was geen vaste hoofdstad omdat Karel de Grote constant reisde
o Een reizende hoofdstad = hoofdstad waar de keizer zich op dat moment bevindt
Wie? Friezen (kustbewoners tussen Zwin (Vlaanderen) en Zuidwest-Denemarken) handelen
met Engeland, Scandinavië, Noord-Frankrijk, en de valleien van de Maas en de Rijn
Wat? Wol (kleding), leder (tassen), aardewerk (kruiken voor bewaren voedsel), zout (pekelen),
honing, wapens, pelsen, etc.
IJzeren eeuwen (midden 9de eeuw tot einde 10de eeuw):
= Karolingische economische groei begint te sputteren door oorlogsgeweld
Binnenland centraal gezag van Karolingen stort in elkaar
4