Thema 2 – Aan de slag met SPSS
2.1) Hoe kan je starten met SPSS?
Dataview = work space waar data ingevoerd worden.
Bovenaan menubalk + knoppenbalk betekenissen:
• File = bewaren, openen, etc. v bestanden. • Graphs = grafieken opvragen
• Edit = kopiëren en plakken,… • Utilities = extra opties om SPSS te
• View = beeld / werkbalken wijzigen personaliseren
• Data = cases selecteren / wegen, sorteren, • Extensions = uitbreidingsopties
bestanden samenvoegen, splitsen,… • Windows = overgang tussen SPSS-
• Transform = werken met variabelen vensters
• Analyze = statistische analyses uitvoeren • Help = hulpopties + handleiding
Van links naar rechts:
o Open file = bestand openen
o Save file = opslaan
o Print = pagina afdrukken
o Dialoog recall = lijst v eerder uitgevoerde procedures
o Undo = laatste handeling ongedaan maken
o Redo = opnieuw uitvoeren vd net ongedaan gemaakte handeling
o Go to case = naar een bepaalde case gaan
o Go to variable = naar bepaalde variabele gaan
o Variables = info over de variabelen
o Run descriptive statistics = frequentietabel + maten v een centrale tendens
o Find = zoeken naar een waarde in een datamatrix
o Split file = bestand opsplitsen volgens categorieën v een variabele + analyses worden uitgevoerd
per categorie
o Select cases = cases selecter obv opgegeven voorwaarden
o Value labels = waarden in de datamatrix worden omgezet in labels of omgekeerd
o Use variable sets = reeks variabelen uitkiezen om volgende analyses op te doen
o Costumize toolbars = toolbars aanpassen aan voorkeuren
Het Data View venster bestaat uit rijen voor cases (respondenten) en kolommen voor de variabelen.
In de Variable View moet een overzicht opgemaakt worden vd gebruike variabelen. Dit moet ingevuld
zijn voordat de gegevens ingevoerd worden in de Data Editor.
2.2) Hoe vul je een Variable View in?
→ schema v gegevens: per variabele de eigenschappen invullen.
, 2.2.1) Wat zijn de kolommen in de Variable View?
Name – korte naam vd variabele 1ste kolom:
Beperkingen + kenmerken bij het ingeven vd naam:
o Max 64 karakters – maar gebruik v max 8 tekens → best zo kort mogelijk houden
o Naam moet beginnen met een letter
o Naam mag niet eindigen op punt / underscore
o Spaties en gereserveerde tekens mogen niet gebruikt worden
o All, and, by, eq, ge, gt, le, lt, ne, not, or, to, with mogen niet gebruikt worden
o Speciale tekens @, #, $ zijn wel OK
o Geen hoofdlettergevoeligheid
o Elke naam mag slechts 1x voorkomen
Type – soort v variabele 2de kolom:
1ste 7 types = numerieke variabelen, 8ste type = string = alfanumeriek v niveau. Voor cijfermatige
gegevens = numeric. Voor letters = string. String variables worden best zo weinig mogelijk gebruikt.
Gebruik in de plaats daarvan value labels.
Width – het maximale aantal karakters 3de kolom:
= max aantal tekens / karakters per ingevoerde waarde. Staat standaard op 8, maar kan aangepast
worden.
Decimals – hoeveel cijfers na de komma verwacht je? 4 de kolom:
Staat standaard op 2 decimalen. Soms aangeraden om aantal decimalen op 0 te zetten indien er geen
kommagetallen v toepassing zijn.
Label – een langere naam voor de variabele 5de kolom:
Deze naam komt niet in de Data View, maar wel in de output boven de grafiek of tabel. Deze kolom
kan ook gebruikt worden voor extra info over de variabele.
Het is essentieel om elke afzonderlijke variabele een concrete benaming te geven, zodat je bij het
bekijken vd output weet over welke variabele het gaat.
Values – de betekenis v je gebruikte codes
Value labels dienen enkel voor kwalitatieve variabelen.
1) Klik op het plusteken
2) Typ in de 1ste kolom een value (1,2,…) en in de 2de kolom een bijhorend label.
3) Klik terug op het plusteken
4) Zo connecteer je elke waarde aan een label
Het dialoogvenster v value labels kan je verkrijgen door in de kolom values vd variabele te klikken.
Missing values – welke code geeft een ontbrekende waarde aan?
1) Niets invullen → punt in de Data View = system missing value.
2) Voor een ontbrekende waarde een cijfer kiezen dat niet overeen kan komen als waarde bij de
betreffende variabele = user missing value.