+ 4)
Hoofdstuk 2. Tekstsoorten
Academisch Journalistiek
Verschil ligt in:
Taalgebruik
Doelgroep
Doel
Doelgroep: collega’s, Doelgroep: zo breed mogelijk
onderzoekers, professionals/ publiek
deskundigen/ specialisatie
Taalgebruik: vakjargon, formeel, Taalgebruik: informeel,
professioneel, beter gestructureerd makkelijker/ eenvoudiger, soms
en is vooral objectief. ook subjectief.
Doel: kennis overdragen adhv Doel: informeren, en ook
bewijsmateriaal, en daarvoor ga je amuseren (zelden zonder
moeten verwijzen naar jurid’e bronverwijzing)
bronnen.
Deel 2.1. Academische teksten
Hoe dit hoofdstuk kennen/ kunnen? Het doel en de kenmerken van
tekstsoorten herkennen, zodat je weet met welke tekst je te
maken hebt.
Veel voorkomende vormen van academische tekstgenres:
A. Onderzoeksrapport = een schriftelijke publicatie die de resultaten
van een origineel wetenschappelijk onderzoek rapporteert. De
onderzoeker vertrekt vanuit een onderzoeksvraag, die nog
opgesplitst wordt in deelonderzoeksvragen. Op het einde wordt er
een conclusie getrokken + onderzoekter formuleert aanbevelingen.
B. Adviesrapport = een schriftelijk document dat specifieke
aanbevelingen doet obv een grondige analyse van een probleem,
situatie of vraagstuk. Het resulteert altijd in een aanbeveling,
ondersteund met argumenten en bewijsmateriaal.
C. Essay (of verhandeling) = een zakelijke tekst waarin een auteur
zijn visie op een specifiek onderwerp presenteert. De schrijver
organiseert zijn gedachten rond een bepaalde stelling (met als doel:
een relevante discussie op gang te brengen).
D. Wetenschappelijk artikel = vloeit voort uit een diepgaand
onderzoeksrapport, een thesis of een scriptie, die de onderzoeker
eerst heeft geschreven, maar is veel korter (enkele pag’s).
1
, Geschreven door vakspecialisten gericht aan collega’s, gepubliceerd
in vaktijdschriften. Taal = moeilijker voor ons door hun vakjargon!
E. Populairwetenschappelijk artikel = gericht aan niet-vakgenoten
om ze te informeren over de stand van het onderzoek of recente
ontwikkelingen in het vakgebied. Taal = makkelijker! Het trekt meer
mensen aan door de layout.
F. Casestudy = een studie over een grondige analyse van een
bepaald onderwerp.
Het onderzoek omvat gedetailleerde observaties, interviews en
documentatie om een grondig begrip te krijgen van de casus. Het
Deel biedt
2.2. Journalistieke
inzicht in complexeteksten
verschijnselen. Het doel is: lessen trekken,
Soorten teksten die we
patronen identificeren,… in kranten, tijdschriften, vakbladen en1
nieuwswebsites kunnen terugvinden:
A. Nieuwsbericht = hierin wordt een actueel nieuwsfeit in een
beperkt aantal regels verteld. Het draait altijd rond de W-vragen (wie
wat waar wanneer waarom) en H-vragen (hoe). Principe rond de
oprolbaarheid: de belangrijkste informatie komt eerst
(kernboodschap) en de rest daarna (kernboodschap verder
uitgewerkt).
B. Nieuwsanalyse = gaat uit van een actueel feit, maar de auteur
houdt zich niet bezig met het feit zelf, maar wel de betekenis ervan.
Dat doet hij door feiten in een bredere context te zetten. Het
onderwerp van een nieuwsanalyse is meestal niet een op zich
staand incident. Er moet een ‘vervolg’ op te verwachten zijn. De
tekst wordt geschreven door journalisten die zeer vertrouwd zijn met
het onderwerp.
C. Achtergrondartikel = lijkt op een nieuwsanalyse, ook hier gaat de
tekst niet over het nieuwsfeit zelf maar over de achtergronden,
oorzaken en mogelijke gevolgen ervan. Maar i.t.t. nieuwsanalyse
waarbij de auteur een specialist is, weet de auteur vooraf zelf de
antwoorden nog niet op de vragen die hij wil beantwoorden.
D. Opiniestuk = geeft de mening weer van een deskundige/ publieke
persoonlijkheid over een nieuwsfeit. Hij wil met zijn stuk een
bijdrage leveren tot een breder publiek debat over een
maatschappelijk relevant onderwerp. Doel van de auteur is om de
lezer zijn/ haar mening te beïnvloeden. Schrijfwijze is zelden in de ik-
vorm.
E. Commentaar(stuk) = meestal wordt dit stuk door de
hoofdredacteur geschreven, het is een opiniërend artikel dat de visie
van de krant tegenover een belangrijk nieuwsfeit uit de actualiteit
vertegenwoordigt. Het is geschreven in de betogende stijl, maar
heeft minder de bedoeling de lezer te overtuigen dan een
opiniestuk.
2
, F. Interviewartikel = 1 of meerdere personen worden aan het woord
gelaten. De interviewer kan hiermee uiteenlopende doelen beogen.
Ofwel wil hij een portret schetsen van de geïnterviewde, ofwel wil hij
informatie verkrijgen van de geïnterviewde, ofwel wil hij de mening
van de geïnterviewde analyseren. Een interviewartikel is een
bewerkte en hergestructureerde tekst chronologisch!!
G. Recensie = een kranten- of tijdschriftartikel waarin een nieuw boek,
voorstelling, film,… wordt beoordeeld. De recensent is iemand die
wegens zijn ervaring en/of deskundigheid geloofwaardig is voor het
lezerspubliek. Het artikel heeft als doel om de lezer ervan te
overtuigen dat het gerecenseerde object de moeite waard is, of juist
niet.
Hoofdstuk 3. Teksstructuur
Deel 3.1. Ordeningsmethoden
Examen: bij de ordeningsmethoden is de maatregelstructuur een
vorm van … methodische ordening. Of we kunnen uit een tekst
halen welke ordening het is en 3 dingen kunnen aanduiden.
Chronologische ordening = beschrijft een situatie van vroeger
t.e.m. nu of omgekeerd, van de huidige situatie naar de situatie
zoals die in het verleden was.
Geografische ordening = geeft een situatieschets weer per
continent, land gebied of per afdeling. De volgorde van de plaatsen
kan willekeurig zijn, maar als de ‘eigen’ locatie deel uitmaakt van de
tekst, dan wordt die meestal eerst of laatst toegelicht.
(Sub)thematische ordening = het tekstthema valt uiteen in
verschillende subthema’s, die telkens in een aparte alinea/
paragraaf behandeld worden. Zo kan een tekst over een bepaald
fenomeen vanuit verschillende invalshoeken toegelicht worden.
Methodische ordening = hebben een structuur obv de
opeenvolgende stappen in een redenering (wat is het probleem, wat
zijn de gevolgen, wat zijn de voordelen/ nadelen,…?). Vaak gaat het
om teksten waarin een probleem of maatregel wordt behandeld,
maar het kan ook gaan om een verslag van een onderzoek, het
indienen van een voorstel/ ontwerp, een evaluatie van een proces,
etc. Hierop volgen een aantal onderverdelingen:
3
, o Probleemstructuur
W-vragen en H- Wat is het probleem?
vragen!! Waarom is het een probleem?
Voor wie is het een probleem?
Wat zijn de oorzaken ervan?
o Maatregelsstructuur
Wat is de maatregel precies?
Waarom is de maatregel nodig?
Hoe wordt de maatregel uitgevoerd?
Wat zijn de effecten van de maatregel?
o Evaluatiestructuur
Wat zijn de relevane eigenschappen van wat beoordeeld
wordt?
Wat zijn de relevante beoordelingscritera ervoor?
Wat zijn de positieve/ negatieve aspecten?
o Ontwerpstructuur
Waartoe dient het (het onderwerp)?
Aan welke eisen moet het voldoen?
Welke middelen moeten worden gekozen?
Hoe ziet het onderwerp eruit?
o Onderzoekstructuur
Wat wordt er precies onderzocht?
Waarom wordt het onderzocht?
Volgens welke methode wordt er onderzocht?
Wat zijn de resultaten?
o Argumentatiestructuur
Wat is het onderwerp van de argumentatie?
Wat is het standpunt van de auteur tegenover het
onderwerp?
Wat zijn de argumenten die het standpunt
ondersteunen?
Wat is de conclusie/ aanbeveling van de auteur?
Let wel op!! Deze ordeningsmodellen kunnen elkaar overlappen. Zo zijn er
in de praktijk veel teksten die bijv. de probleemstructuur en de
maatregelstructuur combineren.
Oefening 1 p. 19: Welke ordeningsmethode vind je waarschijnlijk terug bij
volgende communicatiesituaties?
1. Op het kruispunt van de Beemsterlaan met de Kerkstraat in Baarle-
Hertog zijn de afgelopen 2 jaar al 20 ongelukken gebeurd, waarvan 2
met dodelijke afloop. Er wordt vaak te hard gereden en het zicht
wordt er belemmerd door struiken. Je bent inwoner van deze
4