Macro-economie: samenvatting
0 Inleiding
0.1 Wat is macro-economie?
Macro-economie = studie van de economie van een land, maatschappij of regio als geheel
↔ micro-economie: individuele consumenten, producenten, …
Geaggregeerde variabelen: berekend over de huishoudens/individuen in een geografisch gebied
Output of inkomen (bbp), inflatie, korte- en langetermijn rente, vermogen, …
→ allemaal over de hele economie
0.1.1 Verschillende onderzoeksvragen
1. Krachten achter conjunctuurschommelingen (= schommelingen in economische groei,
inflatie, rentes)?
2. Bepaling van KT- en LT-rentes?
3. Krachten achter macro-economische neergangen? (Bv. The Great Depression, financiële
crisis 2008, …)
4. Krachten achter het bbp per capita van een land? Waarom grote verschillen?
5. Is LT-groei wenselijk (klimaatverandering, biodiversiteitsverlies)?
6. Wat is houdbaar niveau van overheidsschuld? Rol van vergrijzing hierin?
7. Hoe kunnen monetair en budgettair beleid de economie stabiliseren en LT-groei
bevorderen?
8. Determinanten van vermogensongelijkheid? Belang van erfenissen en
vermogensbelasting?
0.2 Macro-economische modellen
• Empirische modellen: vertrekken vanuit empirische data, daaruit conclusies trekken
• Theoretische modellen: bouwen vanuit logisch denken, toetsen af aan empirische data
→ complementaire en communicerende benaderingen!
• Exogene variabelen: buiten het model, een gegeven
Leiden meestal tot verschuiving van de grafiek
• Endogene variabelen: in model bepaald, de output ervan (dus: de variabelen die men wil
verklaren)
Staan meestal op de assen
Academiejaar 2025-2026 1
,Vrije Universiteit Brussel
Vb: stijging van inkomen verhoogt de Vb: stijging van inputprijzen verlaagt
hoeveelheid gevraagde pizza bij elke prijs, wat hoeveelheid aangeboden pizza bij elke prijs,
de evenwichtsprijs en -hoeveelheid verhoogt wat de evenwichtsprijs verhoogt en de -
hoeveelheid verlaagt
Inkomen = exogeen Inputprijzen = exogeen
Evenwichtsprijs & -hoeveelheid = endogeen Evenwichtsprijs & -hoeveelheid = endogeen
Verschillen in macro-economische modellen door:
1. Bestudeerde endogene variabelen
2. Opgenomen exogene variabelen
→ modellen die dezelfde fenomenen verklaren (= zelfde endogene variabelen hebben), kunnen
verschillende voorspellingen/conclusies opleveren
→ steeds bijhouden:
1. Modelaannames
2. Welke variabelen endogeen en exogeen zijn
3. Vragen die model kan helpen begrijpen, vragen die het niet kan beantwoorden
0.3 Korte geschiedenis van macro-economisch denken
0.3.1 Pre 1930: de klassieke visie
Geaggregeerde productie 𝑌 is volledig afhankelijk van aanbodzijde
→ schokken veroorzaakt door inputs van productiefunctie (arbeid, kapitaal, technologie)
Schommelingen zijn irrelevant, dus geen nood aan budgettair/monetair beleid
Alleen volledige prijs- en loonflexibilitiet belangrijk
Academiejaar 2025-2026 2
,Vrije Universiteit Brussel
0.3.2 Jaren 1930: Grote Depressie & ‘geboorte van de macro-economie’
Grote Depressie: werkloosheidsgraad rond 25%, productiedaling van 30% (in VS)
Verspreid zich van VS naar andere landen
→ strookt niet met klassieke visie: lonen en prijzen zijn flexibel, toch structurele werkloosheid?
General Theory (Keynes): geboorte van de macro-economie
1. Animal spirits1 & volatiele bedrijfsinvesteringen zorgen voor conjunctuurcycli (i.p.v. aanbodszijde)
2. Geaggregeerde vraag (𝐴𝐷) is relevant → regelt de conjunctuur
3. Budgettair en monetair beleid is dus nodig om economie te stabiliseren
4. Prijs & lonen zijn niet flexibel, maar gedeeltelijk rigide (‘sticky’)
→ via beleid de 𝐴𝐷 weer terugduwen
0.3.3 Jaren 1940-1960: naoorlogse Keynesiaanse synthese
Uitbreiding van Keynes’ theorie:
IS-LM MODEL: model van de vraagzijde PHILLIPSCURVE: inflatie & werkloosheid
omgekeerd evenredig (1958)
Zie ook latere hoofdstukken
Post-Keynesianisme: meer radicale interpretatie van Keynes’ theorie
Ook modellen voor de langetermijngroei: Solow-model (1956) & Swan-model (1956)
1
Emoties, instincten, psychologische drijfveren, …
Academiejaar 2025-2026 3
, Vrije Universiteit Brussel
0.3.4 Jaren 1970: uitdagingen voor Keynesianisme
Staglatie: hoge inflatie, lage economische groei, hoge werkeloosheid
→ klopt niet met Phillipscurve-theorie
Monetarisme & Milton Friedman:
1. Kwantiteitstheorie van het geld: inflatie is een monetair fenomeen (→ hoeveelheid geld 𝑀 is
bepalend)
2. Permanente-inkomen-hypothese: consumptie wordt gedreven door permanent inkomen,
niet door besteedbaar inkomen2
3. Lucas-kritiek: de econometrische Keynesiaanse modellen zijn structureel fout
0.3.5 Jaren 1980-…: kwantitatieve modellen van de conjunctuurcyclus
Reële conjunctuurcyclus Kwantitatieve modellen, conjunctuurcycli door aanbodzijde
(RBC)-modellen (’80-‘90) (→ terug naar klassieke visie)
Nieuw-Keynesiaanse (NK)- Uitbreiding van RBC-modellen met Keynesiaanse elementen
modellen (’90-…) (vooral loon- & prijsrigiditeiten (sticky))
0.3.6 Jaren 2010-…: moderne conjunctuurmodellen
NK-modellen: kunnen Global Financial Crisis (2008-2009) niet verklaren
→ financiële fricties & ‘behavioural’ elementen toegevoegd (cf. Animal Spirits!)
Heterogene-agent NK-modellen: verdeling van inkomen en vermogen is belangrijk voor
conjunctuurdynamieken & impact op vraag- en aanbodschokken
Bv: een grootverdiener zal anders reageren (als in: hoeveelheid consumptie) op een
loondaling, dan een arm gezin
0.3.7 Jaren 1980-…: moderne LT-groeitheorieën (eerder: Solow en Swan)
Endogene groeitheorieën Endogene technologische vooruitgang, menselijk kapitaal &
(1980-1990) creatieve destructie
Klimaatgroeimodellen (1990) Uitbreiding van LT-groeimodellen door opnemen van
broeikasgasemissies & klimaatschade
0.3.8 Conclusies
1. Macro-economisch onderzoek volgt ontwikkelingen in de echte wereld
Grote Depressie, stagflatie, Financial Crisis, stijgende ongelijkheid, …
2. Macro-economisch onderzoek is verbonden met de stand van de wiskunde &
computationele infrastructuur
Keynes’ General Theory: beschrijvend
→ econometrische modellen → elke stap vereist complexere wiskunde &
→ kwantitatieve conjunctuurmodellen meer rekenkracht
→ heterogene-agent modellen
2
Permanent inkomen = gemiddeld inkomen dat je verwacht te verdienen over de komende periode
Beschikbaar inkomen = je huidig netto-inkomen
Academiejaar 2025-2026 4