Deel I: Meerkeuzevragen
1. B
2. b, d
3. c
4. b, c
5. c
6. b, d
7. c
8. b, c
9. b
10. c
11. a
12. b, d
13. b
14. c
15. b, d
16. d
17. b
18. b, c
19. a
20. b, d
21. a
22. c
23. b, d
24. c
25. b
26. b, d
27. c
28. b
29. b
30. b, c
31. a
32. c, d
33. b
34. d
35. a, c
36. c
37. b
38. b, c
39. a
40. b
, 1. Het onderscheid tussen verleden en geschiedenis is cruciaal. Het verleden betreft
gebeurtenissen zoals ze plaatsvonden, terwijl geschiedenis de interpretatie ervan is
door historici. Dit impliceert dat historische kennis altijd bemiddeld is door bronnen,
selecties, en hedendaagse perspectieven. Voor historisch-criminologisch onderzoek
betekent dit dat men kritisch moet zijn over welke misdaden opduiken in bronnen en
welke niet. Het maakt ons bewust van hiaten, machtsmechanismen en veranderende
definities van criminaliteit. Bovendien wijst het op de noodzaak van bronkritiek en
contextuele analyse bij het reconstrueren van historische criminaliteit. Historici
kunnen het verleden nooit objectief weergeven, maar wel kritisch en systematisch
benaderen.
2. Elias beschreef de 'civilisering van geweld' als een sociaal proces waarin mensen
leerden om hun impulsen te beheersen. Dit proces ging samen met staatsvorming,
professionalisering van geweldsmonopolies (leger, politie) en een meer gesofisticeerde
omgangsvorm. Bijvoorbeeld: duels of spontane wraakacties werden vervangen door
rechtspraak. Dit betekende echter geen verdwijning van geweld, maar een
verschuiving naar gereguleerde, soms onzichtbare vormen van disciplinering. Zijn
theorie toont hoe gedragsveranderingen samenhangen met machtsconcentratie en
internalisering van sociale normen. Het begrip is relevant voor het begrijpen van
modern strafbeleid en sociale orde.
3. Criminaliteitscijfers uit het verleden zijn onvolledig. Ze geven alleen weer wat
formeel geregistreerd is, niet wat werkelijk gebeurde. Veel misdrijven werden
informeel opgelost of zelfs niet als zodanig herkend. Vrouwen, migranten en lage
sociale klassen zijn vaak ondervertegenwoordigd in archieven. Bovendien waren
definities van misdaad sterk tijdsgebonden. Daarom moeten historici statistiek
combineren met kwalitatieve analyse en bronnenkritiek. Alternatieve bronnen zoals
pamfletten, brieven of dagboeken bieden aanvullende inzichten. Het risico bestaat
anders dat we een vertekend en elitair beeld van criminaliteit behouden.
4. Informele conflictoplossing speelde een belangrijke rol in de vroegmoderne
samenleving. Veel geschillen werden niet via rechtbanken maar via bemiddeling,
compositie of lokale autoriteiten afgehandeld. Deze praktijk versterkte sociale cohesie,
voorkwam escalatie, en was minder kostelijk dan formele procedures. Sleutelfiguren
zoals priesters, notarissen of burgemeesters bemiddelden vaak. Deze aanpak werkte
vooral in kleine gemeenschappen waar reputatie essentieel was. Formele rechtspraak
werd vaak als laatste redmiddel ingezet. Informele praktijken boden meer ruimte voor
onderhandeling en contextuele rechtvaardigheid.
5. Sociaal kapitaal verwijst naar de netwerken en relaties waarover individuen
beschikken. In de vroegmoderne tijd konden mensen met sterk sociaal kapitaal vaak
formele vervolging vermijden via bemiddeling of bescherming. Wie geen sociaal
1. B
2. b, d
3. c
4. b, c
5. c
6. b, d
7. c
8. b, c
9. b
10. c
11. a
12. b, d
13. b
14. c
15. b, d
16. d
17. b
18. b, c
19. a
20. b, d
21. a
22. c
23. b, d
24. c
25. b
26. b, d
27. c
28. b
29. b
30. b, c
31. a
32. c, d
33. b
34. d
35. a, c
36. c
37. b
38. b, c
39. a
40. b
, 1. Het onderscheid tussen verleden en geschiedenis is cruciaal. Het verleden betreft
gebeurtenissen zoals ze plaatsvonden, terwijl geschiedenis de interpretatie ervan is
door historici. Dit impliceert dat historische kennis altijd bemiddeld is door bronnen,
selecties, en hedendaagse perspectieven. Voor historisch-criminologisch onderzoek
betekent dit dat men kritisch moet zijn over welke misdaden opduiken in bronnen en
welke niet. Het maakt ons bewust van hiaten, machtsmechanismen en veranderende
definities van criminaliteit. Bovendien wijst het op de noodzaak van bronkritiek en
contextuele analyse bij het reconstrueren van historische criminaliteit. Historici
kunnen het verleden nooit objectief weergeven, maar wel kritisch en systematisch
benaderen.
2. Elias beschreef de 'civilisering van geweld' als een sociaal proces waarin mensen
leerden om hun impulsen te beheersen. Dit proces ging samen met staatsvorming,
professionalisering van geweldsmonopolies (leger, politie) en een meer gesofisticeerde
omgangsvorm. Bijvoorbeeld: duels of spontane wraakacties werden vervangen door
rechtspraak. Dit betekende echter geen verdwijning van geweld, maar een
verschuiving naar gereguleerde, soms onzichtbare vormen van disciplinering. Zijn
theorie toont hoe gedragsveranderingen samenhangen met machtsconcentratie en
internalisering van sociale normen. Het begrip is relevant voor het begrijpen van
modern strafbeleid en sociale orde.
3. Criminaliteitscijfers uit het verleden zijn onvolledig. Ze geven alleen weer wat
formeel geregistreerd is, niet wat werkelijk gebeurde. Veel misdrijven werden
informeel opgelost of zelfs niet als zodanig herkend. Vrouwen, migranten en lage
sociale klassen zijn vaak ondervertegenwoordigd in archieven. Bovendien waren
definities van misdaad sterk tijdsgebonden. Daarom moeten historici statistiek
combineren met kwalitatieve analyse en bronnenkritiek. Alternatieve bronnen zoals
pamfletten, brieven of dagboeken bieden aanvullende inzichten. Het risico bestaat
anders dat we een vertekend en elitair beeld van criminaliteit behouden.
4. Informele conflictoplossing speelde een belangrijke rol in de vroegmoderne
samenleving. Veel geschillen werden niet via rechtbanken maar via bemiddeling,
compositie of lokale autoriteiten afgehandeld. Deze praktijk versterkte sociale cohesie,
voorkwam escalatie, en was minder kostelijk dan formele procedures. Sleutelfiguren
zoals priesters, notarissen of burgemeesters bemiddelden vaak. Deze aanpak werkte
vooral in kleine gemeenschappen waar reputatie essentieel was. Formele rechtspraak
werd vaak als laatste redmiddel ingezet. Informele praktijken boden meer ruimte voor
onderhandeling en contextuele rechtvaardigheid.
5. Sociaal kapitaal verwijst naar de netwerken en relaties waarover individuen
beschikken. In de vroegmoderne tijd konden mensen met sterk sociaal kapitaal vaak
formele vervolging vermijden via bemiddeling of bescherming. Wie geen sociaal