PRAKTISCH
− Meerkeuzevragen (50%)
o Hogere cesuur
o Telkens één correcte antwoordoptie
− Open vragen (50%)
o Twee korte kennisvragen (namen, begrippen, …)
o Omvangrijke open vraag
o Schrijf duidelijk (zowel naar inhoud als vorm), gestructureerd en in
volzinnen (geen loutere opsomming). Vermijd vage antwoorden.
De vragen testen vooral of je de grote redeneringen begrijpt, niet
enkel losse details.
VOORBEELDEN MEERKEUZEVRAAG
Welke van onderstaande stellingen is correct?
Volgens Clive Emsley moet het negentiende-eeuwse idee van de gevaarlijke
klasse (dangerous classes) vooral begrepen worden als:
A. Een objectieve en nauwkeurig afgebakende groep beroepscriminelen die
door statistieken exact kon worden geïdentificeerd.
B. Een categorie waarin criminaliteit, armoede, stedelijke wanorde, moreel
verval en politieke dreiging met elkaar werden vermengd.
C. Een juridische term die verwees naar recidivisten die reeds meermaals
door een strafrechtbank waren veroordeeld.
D. Een begrip dat vooral door arbeiders zelf werd gebruikt om hun
klassenverzet te beschrijven.
Correct antwoord: B
o B is juist, omdat de “gevaarlijke klasse” geen exacte juridische of
objectieve groep was. Het was een beeldvorming waarin verschillende
angsten samenkwamen: armoede, criminaliteit, prostitutie, stedelijke
wanorde, luiheid, alcohol, arbeidersopstanden, migratie en politieke
dreiging.
Waarom de andere antwoorden fout zijn
o A is fout omdat de gevaarlijke klasse niet exact objectief afgebakend was.
Statistieken deden alsof men criminaliteit objectief kon meten, maar in
werkelijkheid ging het ook om interpretatie, angst en stereotypering.
o C is fout omdat het geen juridische term was voor recidivisten.
Recidivisten waren wel een belangrijke groep in het strafbeleid, maar
“dangerous classes” was breder.
o D is fout omdat het begrip niet vooral door arbeiders zelf werd gebruikt.
Het werd vooral gebruikt door elites, sociale hervormers, politie,
1
, journalisten en commentatoren om bepaalde groepen als gevaarlijk voor te
stellen.
OPEN VRAAG
Je krijgt:
• twee korte kennisvragen
→ namen, begrippen, instellingen, concepten
• één grote open vraag
→ brede synthesevraag over meerdere lessen heen
Belangrijk bij open vragen
Je moet:
- in volzinnen schrijven;
- duidelijk structureren;
- geen losse opsomming geven;
- geen vage antwoorden geven;
- context geven: periode, plaats, betekenis, functie, belang,
gevolgen.
VOORBEELDEN OPEN VRAGEN
VRAAG 1
Begrip: Bespreek wat wordt bedoeld met ‘livret’
Antwoord dient te verwijzen naar:
→ Kb van 1781 in Frankrijk, liet identificatie toe en controle mobiliteit van
stedelijke arbeiders
→ Vanaf 1803 voor mannen in loondienst, met fysieke beschrijving. Wees op
toename surveillance.
→ Doel was om mobiliteit in te perken en reizigers te controleren via politie,
zonder livret mogelijkheid als landloper te worden opgepakt
→ Te vergelijken met werkmansboekje in België en Wanderbuch in Duitsland.
→ Periode/context/waar stond het voor/belang/van wie/tegen wie/ …
2