Hoofdstuk 2
CODE/OPERATOR UITLEG
<- / -> / = Hoe slaag je een waarde op in een variabele
Variabele <- value kunt op zowel waarde als variabele
value -> variabele berekeningen uitvoeren
variabele = value (NOOIT value =
variabele)
c(x, y, z, ...) Combine-functie
gebruikt voor verschillende waarden
samen te nemen (x, y, z zijn waarden)
Kunt hiermee een vector (reeks
waarden) maken
o vector <- c(x, y, z)
[...] Plaats aangeven
bv vector[2] dan is de uitkomst y, want
y staat op de 2e plek in de vector
Ook gebruikt om een waarde te veranderen
bv “vector [2] <- a” als je de vector
opvraagt krijg je c(x, a, z)
Hoe vraag je meerdere plekken op
sales.by.month[c(1,2,3)] wil 1e, 2e, 3e
a:b (gaat om de “:” hier) Cijferreeks verkorten: ipv “1, 2, 3, 4, 5, 6” te
schrijven, schrijf je gewoon “1:6”
Recycling rule
Indien je 2 vectoren van verschillende lengte wil samenvoegen dan zal de kortste
steeds herhaald worden om zich bij de langste te voegen
o Lengte langste meervoud van kortste geen probleem
o Lengte langste geen meervoud van korste R geeft waarschuwing, moet dus
opletten
FUNCTIES UITLEG
, sqrt() Vierkantswortel (let op RONDE haakjes)
abs() Absolute waarde
length() Geeft lengte van een vector (of andere
dingen)
Hoofdstuk 3
FUNCTIES UITLEG
“x” of ‘x’ Character string: woorden
X = variabele hier met: R herkent het als woord/character
zonder: R herkent het als variabele (indien er geen variabele
bestaat met deze naam probleem)
length(x) = lengte vh woord(en)
variabele[a] geeft ade woord vd character
nchar() Telt alle afzonderlijke letters van een character string
bv greeting <- “hello” nchar(greeting) 5
bv nchar(months) 7 8 5 5 3 4 4 6 9 7 8 8 (zie hieronder)
NIET verwarren met length() in dit geval
Werkt ook bij nummers (alle afzonderlijke cijfers van een getal(len) tellen)
Character vector: Ook character kunnen in een vector worden opgeslagen (bv months <-
c("January", "February", "March", "April", "May", "June", "July", "August", "September", "October",
"November", "December"))
Met character kun je NIET rekenen!
Logical value (soort data)
= Data dat zich bezig houdt met nagaan of beweringen waar of onwaar zijn (2 logical values:
TRUE or FALSE)
Wat kun je schrijven: TRUE, true, T, True, FALSE, false, F, False NIET: t of f
Kun je ook opslaan bv x <- c(TRUE, TRUE, FALSE)
Hier kun je WEL mee rekenen, want true = 1 & false = 0
Kijk goed naar volgorde van de
symbolen: = teken komt altijd
als 2e
kleine tip: als je var a eerst b
laat opslaan en later c R
onthoudt het laatst opgeslagen
(c dus)
Let op: het verschil tussen == &
=
= om een waarde aan een
variabele te geven
== om na te gaan of 2
waarden aan elkaar gelijk
& heeft voorrang op |
zijn
Indien T|F antwoord:
T
Bij “or” moet 1 vd 2 juist zijn,
de andere mag juist of fout
zijn
FUNCTIES UITLEG
%in% Hiermee check je of bepaalde waarden terug te vinden zijn in een
, variabele
Hoe: “variabele %in% c(x, y, z)”
Vertallt: bevat de variabele de waarde x, y of z
Ook schrijfbaar zoals: “var ==Y | var == W” vaak gezien als verlenging
vd == operator
Hoofdstuk 4
FUNCTIES UITLEG
Round() Doel: waarden afronden
default: op geheel getal afronden
Argumenten
o x: de waarde die je wil afronden
o digits: aantal getallen na de komma om op af te ronden
(defaul = 0)
bv round(32.4378) 32 moeten geen digits staan
Kunt met of zonder argument namen schrijven
o bv: round( 3.4275, 2) round( x= 3.4275, digits = 2)
o Zonder argumentnamen maakt de volgorde WEL uit
Met argumentnamen maakt de volgorde NIET uit
Let op: je kunt digit of d of digi... schrijven en R zal het begrijpen dit is
omdat digits het enige argument is bij round() dat met d start R zal de
rest verder aanvullen digitjis zal R NIET begrijpen
Let op: er is een groot verschil als je x buiten of binnen round()
definieerd indien enkel binnen round(), dan kun je erbuiten niet
met x rekenen, want niet bestaand zogezegd
|> Pipes:
brengt alles van zijn linkerkant, naar de rechterkant als het
eerste argument v/e funtie
bv 225 |> sqrt() 15
2 |> round(x = 12.345) == round(2, x = 12.345)
ENKEL deze richting, niet omgekeerd
Tround() is naar DICHTST
bijzijnde getal
log: e = 2.718282...
(oneindig)
mean() = sum()/n
log10 10 kan ook
vervangen worden door
eenders welke getal
log10(x) = y 10y
=x
sum() & mean() kunnen ook
met logische data werken (T
= 1, F = 0)
mean() is eigenlijk een
proportie (nog belangrijk bij
simulaties)
FUNCTIES UITLEG
rep() Repeat: rep(x = a, times = b)
gaat iets een aantal keer herhalen
argumenten