Thema 1: Doelstellingen en instrumenten van
economisch beleid
1. De rol van de overheid in een gemengde economie
1.1 Gemengde economie
In theorie bestaan er verschillende soorten economieën
• Perfecte markteconomie: enkel rol voor privéactoren
• Staatseconomie: enkel rol voor de overheid
➔ In de praktijk komt dit echter zelden voor
In de praktijk leven we in een gemengde economie:
• marktmechanisme (bedrijven, vraag en aanbod)
• overheidsinterventie
➔ De overheid corrigeert tekortkomingen van de markt
1.2 Waarom grijpt de overheid in? (marktfalen)
Iedereen is in principe vrij om goederen, diensten en productiemiddelen te verhandelen tegen
de marktprijs, maar de overheid faciliteert en corrigeert de marktwerking
➔ De overheid grijpt in wanneer de markt niet efficiënt werkt
A) Publieke goederen
• = product of dienst, vrij te gebruiken door iedereen, zonder dat de hoeveelheid of de
toegankelijkheid van deze producten of diensten voor ieder willekeurig individu
vermindert (niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend)
• Voorbeelden: defensie, openbare verlichting
B) Externe effecten
• Positief (bv. onderwijs)
• Negatief (bv. vervuiling)
,C) Onvolledige concurrentie
• Monopolies / oligopolies → inefficiënte prijzen
D) Informatieproblemen
• Asymmetrische informatie (bv. verzekeringen)
1.3 Het aandeel van de overheid in een gemengde economie
Het aandeel van de overheid in de gemengde economie kan op basis van twee maatstaven
worden aangetoond
• aandeel overheidsuitgaven in het bbp
• aandeel van de overheidstewerkstelling in de totale werkgelegenheid
EXAMENVRAAG: op basis van welke manieren kan je de omvang van de overheid in de
gemengde economie meten
1.3.1 Aandeel overheidsuitgaven in het bbp
Het bbp (bruto binnenlands product) = de marktwaarde van alle finale goederen en diensten
die binnen een bepaalde periode in een land worden geproduceerd
Belangrijke elementen van de definitie
• Marktwaarde
o Alle goederen worden uitgedrukt in prijzen (gemeenschappelijke meeteenheid)
o maakt optellen mogelijk van verschillende goederen
o Voorbeeld: auto = 500× duurder dan koelkast → draagt 500× meer bij aan bbp
• “Alle” (maar enkel via de markt)
o Enkel legaal verhandelde goederen en diensten tellen mee
o NIET inbegrepen: zwartwerk, eigen productie (bv. groenten uit eigen tuin)
• Eindproducten
o Enkel finale goederen en diensten worden meegeteld
o Vermijdt dubbel tellen
o Zowel tastbaar (bv. kleding, computers) niet-tastbaar (bv. kapper, consultancy)
Berekening van het bbp
𝑌 = 𝐶 + 𝐼 + 𝐺 + (𝐸 − 𝑍)
,Waarbij:
• C (private consumptie) = uitgaven huishoudens (behalve nieuwe woningen)
• I (private investeringen) = kapitaalgoederen, voorraden, woningen
• G (overheidsuitgaven) = lonen ambtenaren + publieke uitgaven
• E - Z (netto-handel) = export (E) – import (Z)
Berekening aandeel overheidsuitgaven in het bbp
𝐺
𝑌
= overheidsuitgaven / bbp
• hoog percentage → grote rol van overheid
• laag percentage → kleinere rol van overheid
1.3.2 Aandeel van de overheidstewerkstelling in de totale werkgelegenheid
Ten tweede kan het aandeel van de overheid in de gemengde economie worden bepaald door
het aandeel van de overheidstewerkstelling in de totale werkgelegenheid te meten
overheidstewerkstelling
totale tewerkstelling
• gemeten in voltijdse equivalenten (VTE)
• omvat alle overheden in een land:
o federale overheid
o regionale en gewestelijke overheden
o provinciale en lokale overheden
Interpretatie
• hoog aandeel → overheid speelt grote rol als werkgever
• laag aandeel → economie meer privaat gedreven
➔ Evoluties kunnen verschillen per bestuursniveau: totale overheidstewerkstelling kan dalen
terwijl sommige niveaus groeien
• Voorbeeld: -10.000 federale ambtenaren, +5.000 regionale ambtenaren
→ netto -5.000, maar machtsverschuiving binnen overheid
,Internationale verschillen
VS Europa
• kleinere overheid
• grotere overheid
• minder herverdeling
• meer sociale bescherming
• sterke nadruk op marktwerking
➔ Oorzaak: verschillende visies op rol van overheid
Verschillen binnen Europa op basis van:
• onderwijsorganisatie
• gezondheidszorg
• politie
Verklaringen voor verschillen
• geen één enkele oorzaak, maar een combinatie van factoren
• Vb. Wet van Wagner, Baumol, Peacock & Wiseman (plateautheorie), Bureaucratische
theorieën
2. Economisch beleid: definitie en typologie
2.1 Definitie
In de literatuur bestaan heel wat definities rond economisch beleid of economische politiek:
• Van Poeck en Van Gompel (2013): “het geheel van maatregelen die door een
beleidsvoerder (…) wordt genomen teneinde bepaalde doelstellingen op het domein van
allocatie, ordening, stabilisatie en verdeling te realiseren”
• Hoogerwerf (1989): “Beleid is het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden
met bepaalde middelen en bepaalde tijdskeuzen”
• Korteweg en Keesing (1981): “de bemoeiingen van de overheid met het economisch
proces die primair gericht zijn op de omvang van bepaalde economische grootheden”
➔ De verschillende definities verwijzen naar twee elementen: doelstellingen en instrumenten
,2.2 Efficiëntie, effectiviteit en doelbereiking
Economisch beleid houdt zich niet alleen bezig met welke doelstellingen en hoe deze best
kunnen worden gerealiseerd, maar ook hoe deze doelstellingen het efficiëntst kunnen
worden gerealiseerd
➔ Onderscheid: efficiëntie, effectiviteit en doelbereiking
• Doelbereiking = Wordt het vooropgestelde doel effectief gehaald?
• Effectiviteit = In welke mate draagt beleid causaal bij tot het resultaat?
(doeltreffendheid)
o wat gebeurt met beleid vs. wat zou gebeuren zonder beleid
• Efficiëntie = wordt het doel bereikt tegen de laagste kost? (doelmatigheid)
Voorbeeld:
• Y-as: het aantal jobs
• X-as: de tijdsperiode (T0 = vandaag en T1 = 5
jaar later)
Betekenis van de curves
• d = doelstelling na 5 jaar (vb. 200 000 jobs)
• b = groei zonder beleid (vb. 175 000 jobs)
• c = groei met beleid (vb. 165 000 jobs)
Toepassing met de 3 begrippen
• Doelbereiking? Nee → doel is niet behaald
• Effectiviteit? Ja → beleid draagt bij aan een beter resultaat
• Efficiëntie? Weet je niet → er is geen informatie over kosten
EXAMENVRAAG: verschil tussen onderstaande begrippen uitleggen (verschil tussen
effectiviteit en doeltreffendheid)
• Verklaar o.b.v. een zelfgekozen voorbeeld de begrippen efficiëntie, effectiviteit en
doelbereiking
• Grafiek waarbij groei met beleid en groei zonder beleid gelijk zijn: hoe zit het met
doelbereiking, effectiviteit en efficiëntie?
,2.3 Beleidsactoren
Economisch beleid wordt niet enkel door de overheid bepaald, maar door meerdere actoren.
2.3.1 Overheid
• politieke overheid (regering)
• administraties (ambtenaren, kabinetten)
• centrale bank (monetair beleid)
Taakverdeling (ontwikkelde landen)
• overheid → budgettair beleid
• centrale bank → monetair beleid
2.3.2 Supranationale actoren
In Europa:
• Europese Commissie
• Europees Parlement
• Europese Centrale Bank (ECB)
➔ Belangrijk:
• monetair beleid = Europees
• budgettair beleid = nationaal
2.3.3 Kiezers
Bepalen via verkiezingen de richting van beleid, maar invloed is beperkt door:
• kiesdrempels
• coalitieregeringen
• vage programma’s
2.3.4 Parlement
Formeel: wetgevende macht
➔ In praktijk: vooral controlerende rol
• minder initiatief dan vroeger
• cijfers: aandeel parlementaire initiatieven daalt sterk
,2.3.5 Belangengroepen
Voorbeelden:
• vakbonden
• werkgeversorganisaties
• milieugroepen
➔ Invloedmechanismen: lobbywerk, media, onderhandelingen (sociaal overleg)
Corporatisme = systeem waarbij beleid tot stand komt via overleg tussen:
• overheid
• werkgevers
• werknemers
2.3.6 Buitenlandse instellingen
Voorbeelden:
• IMF
• Wereldbank
• WTO
• BIS
Rol
• financiële steun
• beleidsadvies
• internationale regels
2.4 Begrippenlijst - (inter)nationale organisaties
Organisatie Uitleg (correct + in eigen woorden)
Internationaal samenwerkingsorgaan van bijna alle landen ter
wereld. Het doel is de stabiliteit van het internationale
monetaire systeem te waarborgen. Dit gebeurt door (1)
IMF (Internationaal economieën te analyseren, (2) leningen te geven aan landen
Monetair Fonds) met betalingsbalansproblemen en (3) beleidsadvies en
praktische hulp te bieden.
, Internationale organisatie die zich bezighoudt met de regels van
de internationale handel. De WTO zorgt ervoor dat handel
WTO
tussen landen gebaseerd is op afspraken en verdragen, zodat
(Wereldhandelsorganisatie)
conflicten worden beperkt en handel vlot kan verlopen.
Internationale instelling die financiële en technische steun
geeft aan ontwikkelingslanden. Het doel is armoede
verminderen en economische ontwikkeling stimuleren. Bestaat
Wereldbank
uit meerdere instellingen (zoals IBRD en IDA) die samen
ontwikkelingsprojecten ondersteunen.
Internationale organisatie van centrale banken. De BIS
ondersteunt centrale banken in hun streven naar monetaire en
BIS (Bank for International financiële stabiliteit en bevordert samenwerking tussen
Settlements) centrale banken. Wordt ook gezien als de “bank voor centrale
banken”.
Onafhankelijke Belgische instelling die economische, sociale
en milieustudies en voorspellingen maakt. Het helpt
Federaal Planbureau beleidsmakers door analyses te leveren en beleid te kaderen
binnen duurzame ontwikkeling.
Adviesorgaan van experten dat problemen rond
overheidsfinanciën analyseert. Het doet voorstellen voor
Hoge Raad van Financiën hervormingen en adviseert de regering over begrotingsbeleid.
Staat bekend als de “begrotingswaakhond”.
EXAMENVRAAG: leg het begrip uit in eigen woorden
3. Doelstellingen van economisch beleid
3.1 Algemene doelstelling en hoofdfuncties van de overheid
De uiteindelijke doelstelling van economisch beleid is het realiseren van een zo groot mogelijke
maatschappelijke welvaart.
Om die algemene doelstelling te bereiken, neemt de overheid drie grote functies op zich:
• stabilisatiefunctie
• herverdelingsfunctie
• allocatiefunctie
3.1.1 Stabilisatiefunctie
→ zorgen voor een stabiele economische ontwikkeling doorheen de tijd
,Omvat:
• economische groei
• optimale benutting van productiefactoren
• prijsstabiliteit (lage inflatie)
• evenwicht op de betalingsbalans
Intern vs. extern evenwicht
• Intern evenwicht = groei + werkgelegenheid + prijsstabiliteit
• Extern evenwicht = betalingsbalans
3.1.2 Herverdelingsfunctie
→ zorgen voor een rechtvaardige verdeling van:
• inkomens
• vermogens
➔ Belangrijk: inkomen ≠ vermogen
3.1.3 Allocatiefunctie
→ beïnvloeden hoe productiefactoren worden ingezet
Doel:
• bevredigende samenstelling van het nationaal product
• juiste verhouding tussen:
o private goederen
o publieke goederen
3.2 Economische doelstellingen analyseren
De drie hoofdfuncties worden verder vertaald in meer concrete economische doelstellingen
➔ Om een goed beeld te krijgen van een economisch beleid wordt gebruik gemaakt van
kengetallen en benchmarks
• Kengetallen: meten doelstellingen
• Benchmarks: referentiepunten
, 3.2.1 Kengetallen
Doelstelling Economische kengetallen
Bevredigend percentage van
Groeipercentage bbp (in constante prijzen)
(selectieve) economische groei
Groeivoet van de werkgelegenheid,
Optimale benutting van de
werkloosheidspercentage & activiteitsgraad
beschikbare productiefactoren
Groeipercentage van de (geharmoniseerde)
consumptieprijsindex
Redelijk stabiel prijsniveau
Groeipercentage van de bbp-deflator
Saldo van de handelsbalans (in % van het bbp)
Evenwicht op de betalingsbalans Saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans (in
% van het bbp)
Indicator van spreiding van beschikbaar inkomen of
Rechtvaardige verdeling van
vermogen
inkomens en vermogens
Aandeel overheidsproductie in totaal bbp
Goede samenstelling van de bestedingen (C, I, G en E-Z)
Bevredigende samenstelling van
Aandeel van de investeringen (private en publieke) in het
de nationale productie
bbp
Goede verhouding tussen private en publieke goederen
Kritiek op het bbp
Er is steeds meer kritiek op het ‘groeipercentage bbp (in constante prijzen)’ als kengetal voor
selectieve economische groei
• bepaalde activiteiten worden niet opgenomen ook al creëren ze toegevoegde waarde (vb.
vrijwilligerswerk)
• houdt geen rekening met het zwartwerk: bbp maakt gebruik van officiële getallen
• bij het vergelijken van landen wordt het bbp omgezet in een gemeenschappelijke munt.
Munteffecten spelen dan een rol
• overheidsdiensten worden gewaardeerd tegen kostprijs en houden geen rekening met de
werkelijke waarde voor de maatschappij
• houdt geen rekening met het vermogen van een land (vb. cultureel patrimonium)
• houdt geen rekening met het welzijn van de bevolking
EXAMENVRAAG: 1 kritiek kunnen benoemen en uitleggen