1 het skelet
Het skelet is een steunweefsel (vorm van bindweefsel, gekenmerkt door
mineralisatie van de matrix met calciumfosfaat Ca₃(PO₄)₂ – 2/3 van
botgewicht).
Functies:
Structurele ondersteuning van het lichaam.
Opslag van mineralen (calciumfosfaat) en vet (geel beenmerg als
energie-reserve).
Vorming van bloedcellen (rood beenmerg).
Bescherming van zachte weefsels (vb. schedel).
Beweging via hefboomwerking voor spieren.
Het menselijk lichaam telt ± 206 beenderen.
Indeling van beenderen (macroscopisch):
Type Kenmerk VB
Lange beenderen Lengte > breedte Humerus
Korte beenderen Lengte = breedte Handwortelbeentjes
Platte beenderen Dun en breed Schedelbeenderen,
schouderblad, ribben
Onregelmatige Ingewikkelde vorm Heupbeen, wervels,
beenderen voetworteltjesbeentjes
Structuur van een typisch lang been
, Kenmerken van meeste botten:
Diafyse (schacht): compact beenweefsel met mergholte
Epifysen (uiteinden): spongieus botweefsel, bedekt met
gewrichtskraakbeen
Periost (buitenste beenvlies) en endost (binnenbekleding).
Diafys
e
2 soorten botweefsel:
1. Compact beenweefsel: massief en rigide, Epifyse
beschermt tegen deformaties, omhult beenmerg. n
2. Spongieus beenweefsel: stevig door botbalkjes (trabeculae –
complex steigerwerk).
Microscopische botstructuur
Compact bot: Functionele eenheid = osteon (cilindrische eenheid).
Concentrische lagen osteocyten (volwassen botcellen) in
gecalcificeerde matrix (lamellen).
Centraal: kanaal van Havers (met bloedvat en zenuw).
Spongieus bot: Gekenmerkt door trabeculae (gecalcificeerde lamellen als
staafjes/steigerwerk).
Botcellen (steady state: afbraak en opbouw):
Osteocyten: Volwassen botcellen, omgeven door matrix.
Osteoclasten (pacman-opruimcellen): breken bot af
(osteolyse/resorptie) met zuren/enzymen.
Osteoblasten (beenvormers): vormen nieuwe botmatrix
(ossificatie).
Botvorming, groei en herstel: