NEURO KINDEREN PRAKTIJ
EXAMEN
• Meer afwezig dan toegelaten → NA voor praktijkdeel en geen deelname aan afsluitend
praktijkexamen.
• OPO zonder praktijkbeoordeling:
o Meer afwezig dan toegelaten → –1 op theoriedeel in eerste zittijd.
o De –1 van praktijkdeel vervalt in tweede zittijd.
• OPO met niet-herkansbaar praktijkdeel:
o Meer afwezig dan toegelaten → –1 op praktijkdeel, blijft behouden in tweede
zittijd.
• 2–3 open casusvragen + bijvragen over achtergrondkennis uit practica
Feedback/vragen
• Casus met pathologie leeftijd …
• Bv: welke vragen stel je aan de P
• Behandeling voor de P
• Je kan ziektebeeld krijgen vanuit de lessen neuro kinderen
• Je moet weten wat je moet verwachten van een baby van x aantal maanden
• Overzicht van spieren in de ppt moet je kennen (vanuit de lessen KO)
• Selectiviteit
• Confusion test (orienterende test)
o Als voet mee omhoog komt naar DF → verminderde selectiviteit → verder testen →
modified trost selectivity of testbatterij van de scales
• Baby
o Je rolt altijd naar de verkorte kant
1
, ANAMNESE EN ICF
ICF-CY
ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health)
• Internationale multidisciplinaire classificatie → gemeenschappelijke taal
• Classificatie van gezondheidsgerelateerde domeinen
• Beschrijft: functioneren in dagelijks leven + context vh functioneren en beperking v individu
• Minder focus op etiologie, meer op volledige beschrijving van klinisch beeld
ICF-CY
• Afgeleid van ICF, specifiek voor 0–18 jaar
• Betere beschrijving van groei en ontwikkeling
• Aangepast aan context van kinderen en jongeren
Waarom ICF-CY?
• Kinderen functioneren anders dan volwassenen
• Andere leeftijdsgebonden activiteiten
• Andere participatierollen (school, hobby’s)
• Kind = “moving target”:
o Functieniveau: beïnvloed door groei/rijping
o Activiteiten niveau: leeftijdsafhankelijk
o Participatie niveau: sterk afhankelijk van gezin (omgeving)/context
Mogelijkheden van ICF
• Systematisch codestelsel
• Scoring
• ICF-checklist
• Goal-setting
• Coresets
• Practical manual, ICF browser
• Hands-on approach (klinisch en families)
ICF-componenten: kennen voor het examen
• Activiteiten → onderdelen van handelen; beperkingen
• Functies & anatomische eigenschappen → fysiologisch/mentaal; stoornissen
• Participatie → deelname maatschappelijk leven; restricties
• Externe factoren → fysieke & sociale omgeving
• Persoonlijke factoren → individuele achtergrond
• Ziekte/aandoening
• Bevorderende/belemmerende factoren
2
,Casus CP (spastisch-bilateraal)
• 7 jaar 4 maanden, oudste van 2, intact gezin
• Spasticiteit = verhoogde spiertonus
• Verminderde spierkracht, spierlengte/mobiliteit
• Stapt binnen met orthesen, buiten met looprek
• Valt vaak door evenwichtsproblemen, angst op oneffen ondergrond
• Buitengewoon onderwijs
Reflectie: childhood onset disabilities
• Heterogene groep v patiënten
• Aandoening + comorbiditeiten + geassocieerde stoornissen
• Evolutie van symptoombehandeling naar een functionele behandeling met focus op
kwaliteit van bewegen
• Interventiekeuze: medisch/therapeutisch
• Groei en ontwikkeling beïnvloeden therapie-effect?
F-words
Functioning: ICF-niveau = activiteitniveau
• Wat kan een kind wel/niet?
• Activiteiten = wat + hoe
• Hoe = minder belangrijk voor classificatie, wel voor therapie (klinisch redeneren)
Family: ICF-niveau = externe factoren
• Essentiële omgeving
• Ouders = meer dan contextuele factor; fysieke en mentale belasting
o Beperkt hen ook in participatie
o Kennen hun kind het best
o Cruciaal bij goalsetting
• Betrokkenheid grootouders
Fitness: ICF-niveau = functies en anatomische eigenschappen
• Fysiek en mentaal welzijn
• Kinderen met beperking zijn minder fit dan peers
• Oefenprogramma’s helpen
o Maar fitnesstraining alleen is onvoldoende om ze fysiek actief te houden
o Recreatieve mogelijkheden voorzien
Fun: ICF-niveau = persoonlijke factoren
• Wat doet het kind graag?
o Hierop inzetten → activiteit aanpassen
• Niet verwachten dat kind activiteit “normaal” uitvoert
• Zelfvertrouwen, competentie, prestatie laten ervaren
• Kindspecifieke doelen opstellen
Friends: ICF-niveau = participatie
• Sociale ontwikkeling
• Kwaliteit > kwantiteit
• Peers, inclusie vs. aangepaste activiteiten
• Therapeut: bevragen, observeren, implementeren
3
, Future: ICF-niveau = overkoepelend
• Dromen en verwachtingen van kind en ouders naar toekomst toe (lived experience)
• Therapeut begeleidt goalsetting
• Transitie naar volwassenheid
• Prioriteiten veranderen door ontwikkeling
• Rol therapeut: preventie, begeleiding, educatie, informeren
• Natuurlijke evolutie vd aandoening
• Therapeut vs context: informeert maar beslist niet
Voorbeeld CP – F-words integratie
• FITNESS: “Doordat ik stap met beperkingen, wordt ik nog veel gedragen. Hierdoor ben ik
minder fit.”
• FUNCTION: “Ik kan alleen stappen (ondanks dat dit traag is en ik vaak val).”
• FRIENDS: “Op school heb ik veel vrienden…”
• FAMILY: “Mijn ouders en zus zijn heel lief voor mij.”
• FUN: “Ik speel graag tikkertje en zing graag.”
• Future: “Later wil ik meester worden.”
Doorverwijzing
Inhoud doorverwijzingsbrief
• Patiëntgegevens: naam, geboortedatum, adres, INSZ-nummer, diagnose
• Diagnose: gewenste behandeling, aantal zittingen, frequentie, nomenclatuur,
huisbezoek/praktijk
• Artsgegevens: naam, RIZIV-nummer, contactgegevens, datum, handtekening
Anamnese
Definitie
• Eerste stap in informatieverwerving over aandoening
• Auto-anamnese: therapeut ↔ patiënt
• Hetero-anamnese: therapeut ↔ omgeving van patiënt
Doelen
• Kennismaking
• Formuleren hulpvraag
• Inzicht in probleem/hulpvraag
• Verwachtingen patiënt (zowel in therapeut als in kinesitherapie algemeen)
• Educatie over (onderliggende) aandoening, ontstaanswijze, verergerende/verlichtende
factoren
Wat bevraag je?
1. Persoonlijke gegevens
2. Reden van aanmelding
3. Medische info
4. Ontwikkeling/mijlpalen
5. Persoonlijkheid/interesses
6. Verwachtingen
Persoonlijke gegevens
• Naam, voornaam, geslacht
• Geboortedatum, adres, GSM + e-mail, mutualiteit
4
EXAMEN
• Meer afwezig dan toegelaten → NA voor praktijkdeel en geen deelname aan afsluitend
praktijkexamen.
• OPO zonder praktijkbeoordeling:
o Meer afwezig dan toegelaten → –1 op theoriedeel in eerste zittijd.
o De –1 van praktijkdeel vervalt in tweede zittijd.
• OPO met niet-herkansbaar praktijkdeel:
o Meer afwezig dan toegelaten → –1 op praktijkdeel, blijft behouden in tweede
zittijd.
• 2–3 open casusvragen + bijvragen over achtergrondkennis uit practica
Feedback/vragen
• Casus met pathologie leeftijd …
• Bv: welke vragen stel je aan de P
• Behandeling voor de P
• Je kan ziektebeeld krijgen vanuit de lessen neuro kinderen
• Je moet weten wat je moet verwachten van een baby van x aantal maanden
• Overzicht van spieren in de ppt moet je kennen (vanuit de lessen KO)
• Selectiviteit
• Confusion test (orienterende test)
o Als voet mee omhoog komt naar DF → verminderde selectiviteit → verder testen →
modified trost selectivity of testbatterij van de scales
• Baby
o Je rolt altijd naar de verkorte kant
1
, ANAMNESE EN ICF
ICF-CY
ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health)
• Internationale multidisciplinaire classificatie → gemeenschappelijke taal
• Classificatie van gezondheidsgerelateerde domeinen
• Beschrijft: functioneren in dagelijks leven + context vh functioneren en beperking v individu
• Minder focus op etiologie, meer op volledige beschrijving van klinisch beeld
ICF-CY
• Afgeleid van ICF, specifiek voor 0–18 jaar
• Betere beschrijving van groei en ontwikkeling
• Aangepast aan context van kinderen en jongeren
Waarom ICF-CY?
• Kinderen functioneren anders dan volwassenen
• Andere leeftijdsgebonden activiteiten
• Andere participatierollen (school, hobby’s)
• Kind = “moving target”:
o Functieniveau: beïnvloed door groei/rijping
o Activiteiten niveau: leeftijdsafhankelijk
o Participatie niveau: sterk afhankelijk van gezin (omgeving)/context
Mogelijkheden van ICF
• Systematisch codestelsel
• Scoring
• ICF-checklist
• Goal-setting
• Coresets
• Practical manual, ICF browser
• Hands-on approach (klinisch en families)
ICF-componenten: kennen voor het examen
• Activiteiten → onderdelen van handelen; beperkingen
• Functies & anatomische eigenschappen → fysiologisch/mentaal; stoornissen
• Participatie → deelname maatschappelijk leven; restricties
• Externe factoren → fysieke & sociale omgeving
• Persoonlijke factoren → individuele achtergrond
• Ziekte/aandoening
• Bevorderende/belemmerende factoren
2
,Casus CP (spastisch-bilateraal)
• 7 jaar 4 maanden, oudste van 2, intact gezin
• Spasticiteit = verhoogde spiertonus
• Verminderde spierkracht, spierlengte/mobiliteit
• Stapt binnen met orthesen, buiten met looprek
• Valt vaak door evenwichtsproblemen, angst op oneffen ondergrond
• Buitengewoon onderwijs
Reflectie: childhood onset disabilities
• Heterogene groep v patiënten
• Aandoening + comorbiditeiten + geassocieerde stoornissen
• Evolutie van symptoombehandeling naar een functionele behandeling met focus op
kwaliteit van bewegen
• Interventiekeuze: medisch/therapeutisch
• Groei en ontwikkeling beïnvloeden therapie-effect?
F-words
Functioning: ICF-niveau = activiteitniveau
• Wat kan een kind wel/niet?
• Activiteiten = wat + hoe
• Hoe = minder belangrijk voor classificatie, wel voor therapie (klinisch redeneren)
Family: ICF-niveau = externe factoren
• Essentiële omgeving
• Ouders = meer dan contextuele factor; fysieke en mentale belasting
o Beperkt hen ook in participatie
o Kennen hun kind het best
o Cruciaal bij goalsetting
• Betrokkenheid grootouders
Fitness: ICF-niveau = functies en anatomische eigenschappen
• Fysiek en mentaal welzijn
• Kinderen met beperking zijn minder fit dan peers
• Oefenprogramma’s helpen
o Maar fitnesstraining alleen is onvoldoende om ze fysiek actief te houden
o Recreatieve mogelijkheden voorzien
Fun: ICF-niveau = persoonlijke factoren
• Wat doet het kind graag?
o Hierop inzetten → activiteit aanpassen
• Niet verwachten dat kind activiteit “normaal” uitvoert
• Zelfvertrouwen, competentie, prestatie laten ervaren
• Kindspecifieke doelen opstellen
Friends: ICF-niveau = participatie
• Sociale ontwikkeling
• Kwaliteit > kwantiteit
• Peers, inclusie vs. aangepaste activiteiten
• Therapeut: bevragen, observeren, implementeren
3
, Future: ICF-niveau = overkoepelend
• Dromen en verwachtingen van kind en ouders naar toekomst toe (lived experience)
• Therapeut begeleidt goalsetting
• Transitie naar volwassenheid
• Prioriteiten veranderen door ontwikkeling
• Rol therapeut: preventie, begeleiding, educatie, informeren
• Natuurlijke evolutie vd aandoening
• Therapeut vs context: informeert maar beslist niet
Voorbeeld CP – F-words integratie
• FITNESS: “Doordat ik stap met beperkingen, wordt ik nog veel gedragen. Hierdoor ben ik
minder fit.”
• FUNCTION: “Ik kan alleen stappen (ondanks dat dit traag is en ik vaak val).”
• FRIENDS: “Op school heb ik veel vrienden…”
• FAMILY: “Mijn ouders en zus zijn heel lief voor mij.”
• FUN: “Ik speel graag tikkertje en zing graag.”
• Future: “Later wil ik meester worden.”
Doorverwijzing
Inhoud doorverwijzingsbrief
• Patiëntgegevens: naam, geboortedatum, adres, INSZ-nummer, diagnose
• Diagnose: gewenste behandeling, aantal zittingen, frequentie, nomenclatuur,
huisbezoek/praktijk
• Artsgegevens: naam, RIZIV-nummer, contactgegevens, datum, handtekening
Anamnese
Definitie
• Eerste stap in informatieverwerving over aandoening
• Auto-anamnese: therapeut ↔ patiënt
• Hetero-anamnese: therapeut ↔ omgeving van patiënt
Doelen
• Kennismaking
• Formuleren hulpvraag
• Inzicht in probleem/hulpvraag
• Verwachtingen patiënt (zowel in therapeut als in kinesitherapie algemeen)
• Educatie over (onderliggende) aandoening, ontstaanswijze, verergerende/verlichtende
factoren
Wat bevraag je?
1. Persoonlijke gegevens
2. Reden van aanmelding
3. Medische info
4. Ontwikkeling/mijlpalen
5. Persoonlijkheid/interesses
6. Verwachtingen
Persoonlijke gegevens
• Naam, voornaam, geslacht
• Geboortedatum, adres, GSM + e-mail, mutualiteit
4