A4: membraantransport
1. Transport
In cellen = noodzaak aan transport
➔ Dingen gaan in -en uit de cel via het membraan
Waarom?:
• Opname van voedingsstoffen
• Verwijdering van (afval)stoffen
• Behouden van ionenbalans
• Osmotische balans
• Signaaltransductie
Hoe?: membraan is selectief doorlaatbaar → niet alles kan
binnen/buiten
• Soms transportproteïnen nodig
• Soms gaat het vanzelf
2. Passief transport
= geen energie (ATP) nodig → gaat vanzelf
Hoe?: stoffen gaan met concentratie gradiënt mee
= van hoge naar lage concentratie
1) Diffusie = zuurstof, CO2 …
2) Osmose = water
3) Gefaciliteerde diffusie = polaire moleculen, ionen
• Kanalen
• carriers
Diffusie:
= verspreiden van moleculen van hoge naar lage
concentratie → met concentratiegradiënt mee
1
, Osmose:
= diffusie van vrij water doorheen een selectief permeabele membraan
➔ Wordt bepaald door de totale concentratie van opgeloste deeltjes, niet door de specifieke soorten ionen
Osmotische waarde:
• Hypertoon:
- Oplossing 1 is hypertoon tov oplossing 2
- 1 heeft een hogere concentratie dan 2
→ water gaat van 2 naar 1
• Isotoon:
- Oplossing 1 is isotoon tov oplossing 2
- 1 en 2 hebben dezelfde concentratie
→ water gaat van 1 naar 2 EN andersom
• Hypotoon:
- Oplossing 1 is hypotoon tov oplossing 2
- 1 heeft een lagere concentratie dan 2
→ water gaat van 1 naar 2
2