ALGEMENE
PSYCHOLOGIE
Academiejaar 2021-2022
,HOOFDSTUK 1: WAT IS PSYCHOLOGIE?
1.1 EEN DEFINITIE VAN PSYCHOLOGIE
Psychologie is een wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd wordt en waarbij de gedragsevidentie gebruikt
wordt om de interne processen te begrijpen die aan de basis liggen van gedrag. (grote overeenkomst met def.
van andere wetenschappen) → wordt op een wetenschappelijke manier bestudeerd
Voorbeeld psychologische vraag:
→ Hoeveel keer komt een individu in een gevecht terecht? (beschrijvende vraag → observeerbaar
gedrag)
→ Zijn er omstandigheden (genetisch?, sociaal?, individuele geschiedenis?) die dit beïnvloeden,
waardoor we mogelijk iets meer te weten kunnen komen over mogelijke interne processen die
meespelen?
- om inzicht in het gedrag te krijgen moet men:
• het gedrag observeren en meten + kijken naar invl van gebeurtenissen
• theorieën opstellen over onzichtbare, interne processen die aan dat gedrag ten
grondslag liggen
o we bestuderen het rechtstreeks zichtbare gedrag om de niet-rechtstreeks
zichtbare interne processen te begrijpen
- observeerbaar = relatief begrip
• wat we op een bepaald moment niet kunnen bestuderen, kan dat later wel worden
- psychologie boekt vooruitgang = nauwkeuriger registreren + gerichter zoeken
• betere technieken en methodes
• beter weten waarnaar men moet kijken
- Hermann Ebbinghaus
• pionier psychologie
• Uber das gedachtnis (1885)
• ‘Van het oudste onderwerp zullen wij de nieuwste wetenschap maken’
o psychologie = oud onderwerp MR: vandaag heel andere invulling
1.2 ONTWIKKELINGEN DIE DE PSYCHOLOGIE MOGELIJK HEBBEN GEMAAKT
1.2.1 REDE, INTUÏTIE EN GELOOF
1.2.1.1 FILOSOFIE IN HET OUDE GRIEKENLAND
- Duurde lang voordat wetenschappelijke studie startte → reden:
o Complexiteit fenomeen; psychologische vragen zijn niet zo simpel, mens = complex
o Eerbied mens = ziel & lichaam is niet aards , mens = uniek
- Griekse filosofen socrates, Plato en Aristoteles (Klassieke Oudheid) = dachten toch na!
o Vragen over universum en plaats vd mens, antwoord zit binnen in mens= enige wezen met
rede, kan de realiteit begrijpen, dieren niet
o op een intuïtieve manier: naar zichzelf kijken en nadenken → denkers (geen/weinig
observatie!)
o NIET op een WET manier (weinig/geen observatie), geen toetsing
- Plato:
• Onderscheid tussen
o ware, onzichtbare wereld van onveranderlijke, ideale vormen = ziel
1
, o zichtbare, veranderlijke wereld rondom ons, die een onvolmaakte afspiegeling is
van de ware wereld = lichaam
➢ ziel leeft tijdelijk in het lichaam en keert na de dood terug naar kosmos
• toegang tot kennis door rede (menselijke geest) i.p.v. observatie (= niet belangrijk, enkel
toegang tot veranderlijke wereld)
• wiskunde = meest geavanceerde wijsheid die dichtst ideale wereld benaderde → getallen=
onveranderlijk
• geheugen en tabula rasa
• eerst niets, geleidelijk aan info opslaan (geen aangeboren kennis)
- Aristoteles:
• meer belang aan observatie
• MAAR ware kennis ≠ gebaseerd op observatie
• toegang tot kennis door uit te gaan van algemene waarheden= axioma’s (onwrikbare
uitgangspunten)
o door mens: intuïtief en zelfevident erkend
o herkennen van axioma’s = demonstratie
▪ bv: water + aarde naar centrum vd wereld
▪ vuur + lucht naar de maan
▪ ➔ obv deze demonstranties = de rest van kennis afgeleid dmv menselijke
rede
• wiskunde (meetkunde) = ideale wetenschap : kennis over ruimtes afgeleid uit kleine axioma’s
- Socrates = geheugen als vogelkooi= opslagruimte: kennis hebben, vogel in hand= kennis hebben maar
niet herinneren + leven en herinneringen ophalen → metafoor (vogelkooi) = kennis dat je wil
onthouden moet je proberen te vangen
1.2.1.2 DE KERK
- Kerk speelt een centrale rol in de middeleeuwen
• Na de val van het Romeinse rijk was de katholieke kerk de enige instantie die onderwijs
stimuleerde → GEVOLG: geloofswaarden primair -> ziel niet aards!
• Dit duurde tot de reformatie in de 16e E
- vertaling van Griekse geschriften naar kerkelijke leer
• Plato’s ideale wereld = hemel
• Aristoteles’ demonstraties = goddelijke ingevingen
• op zoek naar verloren kennis in oude geschriften = verdrijving Adam & Eva
=> Toenemend belang van wetenschap in de maatschappij
2
, 1.2.2 DE WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIE
1.2.2.1 EEN NIEUWE MANIER VAN DENKEN
- Eerst: Grieken + Katholieke kerk = nadenken, intuïtief aanvoelen, goddelijke ingevingen
Onstaat spontaan in alle beschavingen
- Europa (16de – 17 de eeuw) = andere vorm van kennis opdoen
• ware kennis is gebaseerd op systematische observatie en actief ingrijpen in de wereld
WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIE
- oorzaken:
• verminderde macht kerk
• herwaardering handel en handenarbeid
• boekdrukkunst
• ontdekkingsreizen
• confrontatie islamitische met westersewereld
• oprichting universiteiten
• periode van relatieve welvaart
1.2.2.2 DE COPERNICAANSE REVOLUTIE
- Juliaanse kalender vervangen door Gregoriaanse kalender
- Copernicaanse revolutie = het inzicht dat de aarde niet het centrum vormde van het helal
- Copernicus
• Geocentrisme → heliocentrisme
• aarde draait rond de zon , niet alles draait rond de aarde HELIOCENTRISME
• mens + aarde ≠ langer middelpunt, mens ook onderworpen aan natuurwetten + kan en mag
voorwerp van studie zijn
- Galilei
• verdedigde copernicaanse model + nieuwe observaties
• telescoop → observaties (daardoor werd belang van observatie duidelijk)
- Newton verdere uitwerking a.d.h.v. wiskundige formules, planeten rond zon: wetten van Newton →
het beginpunt van de fysica, de eerste natuurwetenschap
Belang van systematische observatie werd duidelijk: de mens is bestudeerbaar
1.2.2.3 NIEUWE KENNIS KOMT VOORT UIT OBSERVATIES, EX PERIMENTEN, NIET UIT HET BESTUDEREN VAN
OUDE MEESTERS
- Kennis is niet verloren gegaan maar moest opnieuw ontdekt worden
- Actief op fenomenen ingrijpen= experimenteren
- ‘nieuwe mannen van de wetenschap’
• machines bouwen, onderzoek over allerhande substanties (chemie)
• levende wezens (geneeskunde en biologie), experimenteren en gevolgen bestuderen
18de -19de eeuw = maatschappelijke veranderingen
3