FYSIOLOGIE VAN DE ORGAANSTELSELS-2026
0. OVERZICHT NIER
Functie= centrale rol in de homeostase
1. Regeling osmolaliteit & volume lichaamsvochten
2. Regeling electrolieten evenwicht
3. Regeling zuur-base evenwicht
4. Excretie metabolieten & ‘vreemdde’ bestanddelen
5. Productie & secretie hormonen
OPFRISSING OSMOLALITEIT/ OSMOLARITEIT
Osmolaliteit= aantal osmotische actieve partikels/ kg/H2O
à unit partikels= osmole (1 osmole=1 mol osmotisch actieve partikels-
à mens= +/- 290 mOsm/ kg H2O in extracellulair compartiment
à de noemer is enkel H2O zonder de opgeloste stof= vaak onpraktisch in de praktijk
Osmolariteit= aantal osmotisch actieve partikels/ totaal volume (oplosmiddel+ stof)
à bij sterke verdunning bv extracellulair: osmolariteit= osmolaliteit
1. ANATOMIE RENAAL SYSTEEM
Drie hoofdonderdelen van het renaal systeem: nier, urterer
en blaas
n Nier: waar bloed wordt gefilterd
n Ureter: De buis die de urine van de nier naar de
blaas transporteert.
n Blaas: opslagruimte voor urine
Binnenkant van de nier:
n Cortex (schors): De buitenste laag waar de meeste
glomeruli (filterstations) liggen.
n Medulla (niermerg): De binnenste laag met de
piramiden. De urine verzamelt zich aan de punt van
deze piramiden in de papil.
n Calyx & Pelvis: De urine stroomt via de kelken (calyx) naar het nierbekken (pelvis),
vanwaar het de ureter ingaat.
,NEFRON
Nefron= functionele eenheid
Een nefron is de microscopische structuur die het eigenlijke werk doet. Essentieel onderscheid
op basis van de locatie van de glomerulus:
- Superficieel (corticaal)
à hoog in de schors (cortex)
à heeft korte los van Henle die nauwelijks het merg ingaat
- Juxta-medullair
à Dicht tegen het merg aan
à Heeft zeer lange lus van Henle die diep in de medulla reikt
à ongeveer 1 miljoen nefronen per nier
Glomerulus een essentieel netwerk van haarvaten (capillairen) in de nier dat
bloed filtert als de eerste stap in urinevorming
Kapsel van Bowman Vangt het filtraat op dat uit het bloed is geperst in de glomerulus
Proximale tubulus De eerste gekronkelde lus. Hier vindt de meeste heropname
plaats
Lus van Henle 1) Thin descending limb
à dunne dalende tak: zeer waterdoorlaatbaar
2) Thin ascending limb
à dunne stijgende tak: Alleen in juxta-medullaire
nefronen
3) Thick ascending limb (TAL)
à Hier worden zouten (Na, K, Cl) actief uit de urine
gepompt, maar water kan er niet uit. Dit is cruciaal voor
het concentreren van urine.
Distale tubulus De tweede gekronkelde lus, waar de laatste fijne afstemming
van de zoutbalans plaatsvindt, vaak onder invloed van
hormonen.
Collecting duct Meerdere nefronen monden uit in één verzamelbuis. Hier wordt
de definitieve hoeveelheid water die je uitplast bepaald (onder
invloed van het hormoon ADH). Uiteindelijk stroomt de urine via
de papil naar het nierbekken.
VASCULAIR
à bloedvoorziening van de nier
n Bloed komt de nier binnen via de A. Renalis. Deze vertakt steeds verder tot de Arterie
arcuata
Zodra we bij het nefron komen, volgt het bloed een unieke route met twee opeenvolgende
capillaire netwerken:
n Afferente arteriole: Het bloedvat dat de glomerulus ingaat.
, n Glomerulaire capillairen: Het kluwen waar de filtratie plaatsvindt.
n Efferente arteriole: Het bloedvat dat de glomerulus uitgaat.
Let op: Normaal volgt na een capillair netwerk een ader (venule), maar in de nier volgt een
tweede slagader (arteriole). Dit is nodig om de druk hoog te houden.
n Veneuze afvoer naar V. Renalis-> V. Cava
NEFRON- HISTOLOGIE
à elk deel van het nefron heeft een eigen specifieke
histologie
à De cellen die de wanden van het nefron vormen, zijn
gepolariseerd. Dit betekent dat de bovenkant en
onderkant van de cel verschillend zijn, wat essentieel is
voor het transport van stoffen van de urine naar het bloed
(of andersom).
Epitheliale kenmerken:
• Tight junctions
• Apicale (binnenkant) & basolaterale (buitenkant)
membraan)
• Brush border: microvilli op het apicale membraan
die het oppervlak vergroten
GESPECIALISEERDE STRUCTUREN: GLOMERULUS & KAPSEL VAN BOWMAN
Filtratie in de glomerulus gebeurt via een drievoudige barrière:
1) Gefenestreerd capillair endotheel
à Bevat gaatjes van +/- 70 nm
à laat water en kleine stoffen door
à Houdt bloedcellen tegen
2) Basale membraan
à Een dikke laag tussen endotheel en podocyten
à negatief geladen: stoot negatieve eiwitten af (zoals albumine)
à Werkt als extra filter
3) Podocyten
à Speciale cellen van het kapsel van Bowman
à Hebben uitlopers, waartussen kleine spleten zitten (filtration slits)
à deze spleten bevatten een slit diaphragm (soort fijne filter)
Podocyten:
à Spleten zijn ongeveer 140 A (Angström) breedt= extreem dun
à Diafragma is een soort “vliesje” die de spleet overspant. Het bestaat uit specifieke eiwitten
, zoals nefrine en NEPH1
à= negatief geladen membraanproteines
à Via signalen in de cel (intracellulaire signaling
pathways) kan de podocyt de doorlaatbaarheid
aanpassen. De nier kan dus "instellen" hoe makkelijk
stoffen erdoorheen glippen.
à indien diafragma defect is: verlies proteines uit
bloed
= “nefrotisch syndroom”
Gefenestreerd epitheel:
- Basale membraan= barriere voor plasma proteins
- Lading basale membraan: negatief geladen glycoproteinà bemoeilijkt anionische
macromoleculen
Hoe de nieren stoffen gaan filteren gebeurt dus zowel op basis van grootte als elektrische
lading!
Filtratie obv <20 Å: Deze moleculen zijn klein genoeg
grootte om vrijwel ongehinderd door het filter te
gaan (bijv. water, zouten)
20-40 Å: = overgangszone
à Hier hangt het van de lading af of een
molecuul erdoorheen komt. Cationische
(positief geladen) moleculen hebben hier
een voordeel.
>40 Å: Deze moleculen zijn te groot en
komen er normaal gesproken niet
doorheen.
Filtratie obv Kationen worden het makkelijkst gefilterd.
elektrische De negatief geladen filtratiebarrière trekt
lading deze moleculen aan.
Vb= albumine (35Å, neg lading)
à normaal niet in urine
Nefritis (ontsteking): Bij een ontsteking van de nierfilters gaat de negatieve lading van de
barrière verloren.
JUXTAGLOMERULAIR APPARAAT (MACULA DENSA)
= cruciaal controlesysteem in de nier dat ervoor zorgt dat de
filtratie constant blijft, zelfs als je bloeddruk verandert.
n Tussen afferente & efferent arteriole
n Overgang thick ascending limb- distale tubulus
n Sensor NaCl (medulla densa)
n Secretie renine (granulaire cel)