Hoofdstuk 1 – duurzaamheid
1. Duurzaamheid
= geschikt om lang te blijven bestaan, zonder overschotten of tekorten
Balans nodig in 5 P’s (people-planet-profit/prosperity-partnership-peace)
- Is het ecologisch verantwoord? -> planet
- Is het sociaal rechtvaardig? -> people
- Draagt het bij aan economische welvaart? -> prosperity
- Is het besluitvormingsproces democratisch gedragen? -> participatie
- Zijn de gevolgen voor toekomstige generaties in acht genomen? -> tijd
- Zijn de gevolgen voor alle mensen op aarde in acht genomen? -> ruimte
2. Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen = sustainable development goals (SDG’s)
Voor alle landen
Steunend op de 5 P’s
In functie van een wereld vrij van armoede, honger en ziekte
Whole institute benadering
- Beleid
- Gemeenschapsbanden
- Curriculum – onderwijs
- Inrichting – infrastructuur en faciliteiten
Aanzetten tot duurzame ontwikkelingsdoelen mogen door
1. Enable: mogelijk maken van duurzame keuzes
2. Encourage : aanmoedigen
3. Exemplify : geef goede voorbeeld
4. Engage : betrek anderen
3. Milieuhygiëne
= zorg voor het milieu
Op wereldvlak :
Periode na industriële revolutie elektriciteit werd ontdekt, verhuizen was mogelijk, spoor netwerk
nam toe
- Ngo’s starten als protest
België :
Sterkte expansie sinds jaren 70, incidenten beïnvloeden wetenschap én politiek en hierdoor het
Vlaams bestuursniveau
Tussen 2000 en 2007 werd milieu een verkoopargument
Hierna economische crisis
4. Van poen naar groen
Prosociaal gedrag = handelingen gericht op het welzijn of welbevinden van een ander
Milieurelevant gedrag = onderdeel van prosociaal gedrag, welzijn voor het milieu vergroten
2 typen waarden
- Egoïstisch = maximale uitkomst voor zichzelf
- Altruïsstisch = hoog mogelijkste opbrengst voor de anderen
Bisoferisch = beste voor natuur en milieu
Morele verplichtingen beïnvloeden waarden
, A priori : neigen naar het egoïstische
Instabiel prosociaal gedrag straffen of belonen (bv. gasboete / fietsvergoeding voor het nemen
van de fiets)
Nadeel : maar efficiënt op korte termijn
Stabiel prosociaal gedrag normatieve waarden versterken, egoïsme zakt
Informatie en moralisatie = emoties koppelen aan waarden, grotere kans op milieurelevant gedrag
op lange termijn
5. Slecht nieuws over het klimaat en de reactie van de mens
Psychologische mechanismen van de mens
- Cognitieve dissonantie (het goedpraten)
- Optimism bias (ik zal geen last hebben van…)
- Perceived lack of control (ik kan er niets aan doen)
- Self-licencing (jezelf goedpraten als je iets slecht doet omdat je ‘al de rest’ goed doet)
- Rebound effect (onbewust compenseren bv. spaarlampen meer laten branden)
- Boemerangeffect (de bron is niet juist)
6. Grijze/groene stroom
Grijze steenkool, kernenergie, olie, aardgas
Groene biomassa, zonne-energie, windenergie, aardwarmte, waterkracht
7. Klimaatplan
Broeikassen, energie uit hernieuwbare bronnen, meer energie besparen
EU doet het op elk vlak beter dan België
8. Klimaatuitdagingen
Ruimtelijke ordening herwerken, energierenovatie programma verder uitwerken
1. Duurzaamheid
= geschikt om lang te blijven bestaan, zonder overschotten of tekorten
Balans nodig in 5 P’s (people-planet-profit/prosperity-partnership-peace)
- Is het ecologisch verantwoord? -> planet
- Is het sociaal rechtvaardig? -> people
- Draagt het bij aan economische welvaart? -> prosperity
- Is het besluitvormingsproces democratisch gedragen? -> participatie
- Zijn de gevolgen voor toekomstige generaties in acht genomen? -> tijd
- Zijn de gevolgen voor alle mensen op aarde in acht genomen? -> ruimte
2. Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen = sustainable development goals (SDG’s)
Voor alle landen
Steunend op de 5 P’s
In functie van een wereld vrij van armoede, honger en ziekte
Whole institute benadering
- Beleid
- Gemeenschapsbanden
- Curriculum – onderwijs
- Inrichting – infrastructuur en faciliteiten
Aanzetten tot duurzame ontwikkelingsdoelen mogen door
1. Enable: mogelijk maken van duurzame keuzes
2. Encourage : aanmoedigen
3. Exemplify : geef goede voorbeeld
4. Engage : betrek anderen
3. Milieuhygiëne
= zorg voor het milieu
Op wereldvlak :
Periode na industriële revolutie elektriciteit werd ontdekt, verhuizen was mogelijk, spoor netwerk
nam toe
- Ngo’s starten als protest
België :
Sterkte expansie sinds jaren 70, incidenten beïnvloeden wetenschap én politiek en hierdoor het
Vlaams bestuursniveau
Tussen 2000 en 2007 werd milieu een verkoopargument
Hierna economische crisis
4. Van poen naar groen
Prosociaal gedrag = handelingen gericht op het welzijn of welbevinden van een ander
Milieurelevant gedrag = onderdeel van prosociaal gedrag, welzijn voor het milieu vergroten
2 typen waarden
- Egoïstisch = maximale uitkomst voor zichzelf
- Altruïsstisch = hoog mogelijkste opbrengst voor de anderen
Bisoferisch = beste voor natuur en milieu
Morele verplichtingen beïnvloeden waarden
, A priori : neigen naar het egoïstische
Instabiel prosociaal gedrag straffen of belonen (bv. gasboete / fietsvergoeding voor het nemen
van de fiets)
Nadeel : maar efficiënt op korte termijn
Stabiel prosociaal gedrag normatieve waarden versterken, egoïsme zakt
Informatie en moralisatie = emoties koppelen aan waarden, grotere kans op milieurelevant gedrag
op lange termijn
5. Slecht nieuws over het klimaat en de reactie van de mens
Psychologische mechanismen van de mens
- Cognitieve dissonantie (het goedpraten)
- Optimism bias (ik zal geen last hebben van…)
- Perceived lack of control (ik kan er niets aan doen)
- Self-licencing (jezelf goedpraten als je iets slecht doet omdat je ‘al de rest’ goed doet)
- Rebound effect (onbewust compenseren bv. spaarlampen meer laten branden)
- Boemerangeffect (de bron is niet juist)
6. Grijze/groene stroom
Grijze steenkool, kernenergie, olie, aardgas
Groene biomassa, zonne-energie, windenergie, aardwarmte, waterkracht
7. Klimaatplan
Broeikassen, energie uit hernieuwbare bronnen, meer energie besparen
EU doet het op elk vlak beter dan België
8. Klimaatuitdagingen
Ruimtelijke ordening herwerken, energierenovatie programma verder uitwerken