-
01
H1: Chemie van levende zaken
1
-
1. Alle materie bestaat uit elementen
1
-
3. Life Depends on Water
2
-
4. Het belang van waterstofionen
4
-
4.1. Buffers minimaliseren veranderingen in pH
5
-
5. Organische moleculen van levende organismen.
5
-
5.1. Macromoleculen worden gesynthetiseerd en afgebroken in de cel
6
-
6. Koolhydraten (suikers): gebruikt voor energie en structurele ondersteuning
7
-
6.1.2. Polysachariden slaan energie op
8
-
7. Lipiden (vetten): Onoplosbaar in water ( apolaire moleculen)
8
-
7.1.1. Triglyceriden zijn energieopslagmoleculen
8
-
7.1.2. Fosfolipiden zijn de primaire component van celmembranen
9
-
7.1.3 Steroïden zijn samengesteld uit vier ringen
9
-
8. Eiwitten: complexe structuren gemaakt van aminozuren
9
-
8.1. Eiwitfunctie afhankelijk van structuur
10
-
8.2. Enzymen vergemakkelijken biochemische reacties
12
-
9. Nucleïnezuren slaan genetische informatie op
12
-
10. ATP draagt energie
14
-
02
H2: Structuur en functie van de cel
16
-
1. Cellen worden geclassificeerd op basis van hun interne organisatie
16
-
2. Cell Structuur afhankelijk van cel functie
16
-
2.1. Cellen blijven klein om efficiënt te blijven
17
-
2.2. Cellen visualiseren met microscopen
17
-
3. Structuur van de cel
17
-
03
4. Cellen hebben structuur voor ondersteuning en beweging
20
-
04
5. Een plasmamembraan omringt de cel
22
-
05
6. Moleculen kruisen het plasmamembraan op verschillende manieren
23
-
2. Actief transport vereist energie
24
-
06
3. Endocytose en exocytose verplaatsen materialen in bulk
25
-
Informatie kan worden overgedragen over het plasmamembraan
25
-
De natrium-kaliumpomp helpt het celvolume op peil te houden
25
-
Isotone extracellulaire vloeistof handhaaft ook het celvolume
26
-
07
7. Cellen gebruiken en transformeren materie en energie
27
-
7.1. Glucose voorziet de cel van energie
27
-
7.2. Samenvatting van de energieproductie uit glucose
28
-
Vetten en eiwitten zijn extra energiebronnen
29
-
Anaerobe paden maken energie beschikbaar zonder zuurstof
29
-
08
H3: Van cellen naar orgaansystemen
31
-
1. Weefsels: Groepen cellen met een gemeenschappelijke functie
31
-
2. Epitheelweefsels
31
-
Epitheelweefsels zijn opgedeeld volgens cellvorm
32
-
Het basaalmembraan geeft structurele ondersteuning
32
-
09
3. Bindweefsel ondersteunt en connecteert verschillende delen van het lichaam
33
-
3.1. Vezelig/fibreus bindweefsel geeft sterkte en flexibiliteit
34
-
3.2. Gespecialiseerde bindweefsels dienen speciale functies
35
-
10
4. Spierweefsel
36
-
4.1. Skeletspierweefsel
36
-
4.2. Hartspierweefsel
37
-
4.3. Glad spierweefsel
37
-
11
5. Zenuwweefsel
37
-
12
6. Organen en orgaansystemen voeren complexe functies uit
38
-
Weefselmembranen omsluiten lichaamsholten
38
-
Beschrijven van lichaamspositie of richting
39
-
13
7. De huid als orgaansysteem
40
-
7.1. De huid bestaat uit epidermis en dermis
40
-
7.2. Vezels in de dermis zorgen voor stevigheid en elasticiteit
41
-
14
H4: Skeletale systeem
43
-
1. Skeletale systeem bestaat uit bindweefsel
43
-
1.1. Botten zijn de harde elementen van het skelet
44
-
1.2. Botten bevatten levende cellen
44
-
1.3. Ligamenten houden botten samen
46
-
1.4. Kraakbeen zorgt voor ondersteuning
46
-
2. Botten ontstaan uit kraakbeen
46
-
3. Mature botten ondergaan hermoderlering en herstel
47
-
3.1. Botten veranderen in vorm, lengte en sterkte
48
-
3.2. Botcellen zijn gereguleerd door hormonen.
48
-
4. Botten passen in elkaar om het skelet te vormen
49
-
De schedel: craniale en faciale botten
49
-
Het tongbeen
50
-
De wervelkolom
51
-
Ribben en borstbeen: beschermen de skeletholte
51
-
Het appendiculair skelet
52
-
15
5. Gewrichten vormen connecties tussen botten
53
-
Ligamenten, pezen en spieren versterken en stabiliseren gewrichten
54
-
6. Ziekten en aandoeningen van het skelet systeem
55
-
16
H5: Het spierstelsel
56
-
1. Spieren brengen beweging voort of genereren spanning
57
-
1.1. De fundamentele activiteit van spieren is contractie
57
-
1.2. Skeletspieren zorgen ervoor dat botten kunnen bewegen
57
-
1.3. Een spier bestaat uit vele spiercellen
58
-
1.4. De contractiele eenheid is een sacromeer
59
-
17
2. Individuele spiercellen trekken samen en ontspannen
59
-
2.1. Zenuwen activeren skeletspieren
59
-
2.2. Door activering komt calcium vrij
60
-
2.3. Calcium start het schuifmechanisme
60
-
2.4. Wanneer zenuwactivatie eindigt, eindigt contractie
61
-
2.5. Spieren hebben energie nodig om aan contractie te doen en te ontspannen
62
-
2.6. Produceren en opslaan van energie in spieren
62
-
18
3. Spieren variëren in beweging, kracht en uithoudingsvermogen
63
-
3.1. De mate van zenuwactivatie beïnvloedt de kracht
63
-
19
Hart- en gladde spieren hebben speciale kenmerken
64
-
4.1. Activatie van hart en gladde spieren
64
-
4.2. Opstelling van mysosine- en actinefilamenten
65
-
4.3. Snelheid en duur van spiercontractie
66
-
20
5. Ziekten en aandoeningen van het spierstelsel
66
-
21
H6: Hart en de bloedvaten
67
-
1. De compositie en functies van het bloed
68
-
1.1. Plasma bestaat uit water en opgeloste stoffen
69
-
1.2. Rode bloedcellen transporteren zuurstof en koolstofdioxide
70
-
1.3. Hematocriet en hemoglobine geven het zuurstoftransportvermogen weer.
71
-
1.4. Alle bloedcellen en bloedplaatjes komen origineel van stamcellen
72
-
1.5. RBC’s hebben een kort leven
72
-
1.6. RBC-productie is gereguleerd door een hormoon
73
-
1.7. Witte bloedcellen beschermen het lichaam
73
-
Granulaire en agranulaire witte bloedcellen
74
-
1.8. Bloedplaatjes zijn noodzakelijk voor bloedstolling
75
-
22
2. Homeostase: stoppen van bloedverlies
75
-
2.1. Vasculaire spasmen vernauwen bloedvaten om bloedstroom te verminderen
76
-
2.2. Bloedplaatjes kleven aan elkaar om een gescheurd bloedvat te dichten
76
-
2.3. Bloedstolsel vormt zich rond de bloedplaatjesprop
76
-
23
3. Menselijke bloedgroepen
77
-
3.1. ABO bloedtypering is gebaseerd op A- en B-antigenen
78
-
3.2. Rh bloedtypering is gebaseerd op de Rh-factor
79
-
3.3. Bloedtypering en cross-matching zorgen voor bloedcompatibiliteit
79
-
3.4. Nieuwe testen hebben bloedtransfusies veel veiliger gemaakt.
80
-
24
4. Bloedvervangers
80
-
25
5. Bloedaandoeningen
81
-
5.1. Mononucleose: besmettelijke virale infectie van lymfocyten
82
-
5.2. Bloedvergiftiging: bacteriële infectie van het bloed
82
-
5.3. Bloedarmoede: vermindering van zuurstofdragende capaciteit van het bloed
82
-
5.4. Leukemie: ongecontroleerde aanmaak van WBC’s
83
-
5.5. Multipel myeloom: ongecontroleerde aanmaak van plasmacellen
83
-
5.6. Trombocytopenie: vermindering van het aantal bloedplaatjes
84
-
26
H7: hart en bloedvaten
85
-
27
1. Bloedvaten transporteren bloed
85
-
1.1. Slagaders transporteren bloed weg van het hart
85
-
1.2. Arteriolen precapillaire sfincters spelen een rol in de bloedstroom
86
-
1.3. Haarvaten: waar bloed stoffen uitwisselt met de weefsels
87
-
1.4. Het lymfestelsel helpt het bloedvolume in balans te houden.
87
-
1.5. Aders vervoeren bloed terug naar het hart
88
-
Skeletspieren knijpen aders samen
89
-
Kleppen laten bloed maar in één richting stromen
89
-
Drukverschillen die ontstaan tijdens het ademhalen duwen het bloed naar het hart
89
-
28
2. Het hart pompt bloed door de bloedvaten
89
-
2.1. Het hart is vooral een spier
90
-
2.2. Het hart heeft vier kamers en vier kleppen
90
-
2.3. Patroon van de bloedstroom door het cardiovasculaire systeem
91
-
2.4. Slagaders en aders van het menselijk lichaam
92
-
2.5. De hartcyclus: het hart trekt samen en ontspant
93
-
2.6. Hartgeluiden als gevolg van sluitende kleppen
94
-
2.7. Cardiaal geleidingssysteem coördineert contractie
95
-
2.8. Elektrocardiogram registreert elektrische activiteit van het hart
96
-
29
3. Bloed oefent druk uit op de vaatwanden
97
-
3.1. Bloeddruk meten
97
-
3.2. Hypertensie: hoge bloeddruk kan gevaarlijk zijn
98
-
3.3. Hypotensie: te lage bloeddruk
98
-
30
4. Regulatie van het cardiovasculaire system
98
-
4.1. Baroreceptoren handhaven arteriële bloeddruk
99
-
4.2. Lokale noden bepalen de lokale bloedstroom
100
-
4.3. Inspanning: toegenomen bloedstroom en cardiale output
100
-
31
5. Cardiovasculaire aandoeningen: een belangrijk gezondheidsprobleem
101
-
32
6. Een falend hart vervangen
102
-
33
7. Risico op hart- en vaatziekten verminderen
103
-
34
H8: het immuunsysteem en afweermechanismen
103
-
35
1. Pathogenen veroorzaken ziekten
104
-
1.1. Levende organismen
104
-
1.2. Niet-levende besmettelijke deeltjes
104
-
1.3. Overdraagbaarheid, wijze van overdracht en virulentie bepalen gezondheidsrisico
105
-
36
2. Het lymfestelsel verdedigt het lichaam
105
-
2.1. Lymfevaten transporten lymf
106
-
2.2. Lymfeklieren reinigen de lymfe
107
-
2.3. De milt reinigt het bloed
107
-
2.4. Thymusklierhormonen zorgen ervoor dat T-lymfocyten rijpen
108
-
2.5. Amandelen beschermen de keel
108
-
37
3. Pathogenen buiten houden: de eerste verdedigingslinie
108
-
3.1. Huid als belangrijkste barrière
109
-
3.2. Bescherming bij beschadiging van de huid
109
-
3.3. Mucus en andere lichaamsopeningen
109
-
3.4. Zuren in het lichaam
109
-
3.5. Uitscheidingssystemen als verdediging
110
-
38
4. Niet-specifieke afweermechanismen: de tweede verdedigingslinie
110
-
4.1. Complementsysteem helpt andere afweermechanismen
110
-
4.2. Fagocyten slokken vreemde cellen op
111
-
4.3. Ontsteking: roodheid, warmte, zwelling en pijn
112
-
4.4. NK-cellen richten zich op tumoren en door virus geïnfecteerde cellen
113
-
4.5. Interferonen verstoren virale reproductie
113
-
4.6. Koorts verhoogt de lichaamstemperatuur
114
-
39
5. Specifieke afweermechanismen: de derde verdedigingslinie
114
-
5.1. Het immuunsysteem richt zich op antigenen
114
-
5.2. Lymfocyten staan centraal in specifieke verdedigingen
115
-
5.3. B-cellen: antilichaam-gemedieerde immuniteit
115
-
5.4. De vijf klassen van antilichamen
116
-
5.5. Antilichamen hebben een structuur die helpt om te binden met een specifiek antigeen
117
-
5.6. T-cellen: cel-gemedieerde immuniteit
118
-
40
6. Het immuungeheugen creëert immuniteit
120
-
41
7. Medische hulp in de strijd tegen pathogenen
121
-
7.1. Immunisatie
121
-
7.2. Monoklonale antilichamen
121
-
7.3. Antibiotica bestrijdt bacteriën
122
-
42
8. Weefselafstoting: een medische uitdaging
123
-
43
9. Ongepaste activiteit van het immuunsysteem veroorzaakt problemen
123
-
9.1. Allergieën: een hypersensitief immuunsysteem
123
-
9.2. Auto-immuunziekten: het niet herkennen van lichaamseigen weefsel
124
-
44
10. Immuundeficiëntie: AIDS
125
-
10.1. HIV richt zich op helper T-cellen van het immuunsysteem
125
-
10.2. AIDS ontwikkelt zich langzaam
126
-
10.3. AIDS-epidemie: een wereldwijd probleem
126
-
10.4. HIV te vermijden
127
-
10.5. Nieuwe behandelingen
127
-
45
H9: het ademhalingsstelsel
128
-
46
1. Ademhaling vindt plaats in het hele lichaam
129
-
47
2. Ademhalingssysteem bestaat uit bovenste en onderste luchtwegen
129
-
2.1. Bovenste luchtwegen filteren, verwarmen en bevochtigen lucht
129
-
2.2. Onderste luchtwegen wisselen gassen uit
130
-
48
3. Ademhalingsproces omvat een drukgradiënt
133
-
3.1. Inademing brengt lucht binnen, uitademing blaast lucht buiten
133
-
3.2. Longvolumes en vitale capaciteit meten de longfunctie
134
-
49
4. Gasuitwisseling en transport zijn passieve processen
135
-
4.1. Gassen verspreiden zich naargelang hun partiële druk
135
-
4.2. Externe ademhaling: uitwisseling van gassen tussen lucht en bloed
135
-
4.3. Interne ademhaling: uitwisseling van gassen met weefselvloeistoffen
136
-
4.5. Meeste CO2 wordt in plasma getransporteerd als bicarbonaat
138
-
50
5. Het zenuwstelsel reguleert de ademhaling
138
-
5.1. Een ademhalingscentrum brengt ademhalingsritme tot stand
138
-
5.2. Chemische receptoren monitoren CO2, H+ en O2 niveaus
139
-
5.3. Bepaalde mate van bewuste controle is mogelijk
139
-
51
6. Aandoeningen van het ademhalingssysteem
140
-
6.1. Verminderde luchtstroom/ gasuitwisseling
140
-
6.2. Micro-organismen kunnen ademhalingsstoornissen veroorzaken
140
-
6.3. Longkanker wordt veroorzaakt door proliferatie van abnormale cellen
141
-
6.4. Blootstelling aan asbest kan leiden tot mesothelioom
142
-
6.4. Pneumothorax en atelectase: een storing in gasuitwisseling
142
-
6.5. Congestief hartfalen tast longfuncties aan
142
-
52
H10: het endocriene systeem
143
-
53
1. Het endocriene systeem produceert hormonen
143
-
54
2. Hormonen kunnen steroïde en niet-steroïde zijn
144
-
2.1. Steroïde hormonen dringen doelcellen binnen
144
-
2.2 Niet-steroïde hormonen binden zich aan receptoren op doelcelmembranen
145
-
2.3. Sommige hormonen nemen deel aan negatieve feedbackloops
145
-
55
3. De hypothalamus en de hypofyse
146
-
3.1. De achterste hypofyse slaat ADH en oxytocine op
146
-
3.2. De voorste hypofyse produceert zes belangrijke hormonen
148
-
3.3. Hypofyse stoornissen: hypersecretie en hyposecretie
149
-
56
4. Pancreas scheidt glucagon, insuline en somatostatine af
150
-
57
5. Bijnieren (adrenale klieren) bestaan uit cortex en medulla
150
-
58
6. Schildklier (thyroïde) en bijschildklieren (parathyroïden)
152
-
6.1. Schildklier: thyroxine versnelt het cellulair metabolisme
152
-
6.2. Bijschildklierhormoon PTH regelt het calciumgehalte in het bloed
153
-
59
7. Testikels en eierstokken produceren geslachtshormonen
154
-
7.1 Teelballen (testikels) produceren testosteron
154
-
7.2 Eierstokken (ovaria) – oestrogeen en progesteron
154
-
60
8. Andere klieren en organen scheiden ook hormonen af
155
-
8.1. Thymusklierhormonen ondersteunen het immuunsysteem
155
-
8.2. Pijnappelklier scheidt melatonine af
155
-
8.3. Overzicht: hormonen van endocriene klieren excl. hypothalamus en hypofyse
155
-
8.4. Endocriene functies van het hart, het spijsverteringsstelsen en de nieren
156
-
61
9. Andere chemische boodschappers
157
-
62
10. Aandoeningen van het endocriene systeem
157
-
10.1 Diabetes mellitus
157
-
10.2 Schildklieraandoeningen
158
-
10.3 Bijnieraandoeningen
158
-
10.4 Hypogonadisme
159
-
63
H11: het spijsverteringstelsel en voeding
160
-
64
1. Het spijsverteringsstelsel brengt voedingsstoffen in het lichaam
160
-
1.1. De wanden van het maagdarmkanaal bestaan uit vier lagen
160
-
1.2. Vijf basisprocessen voltooien de werking van het spijsverteringsstelsel
160
-
1.2. Twee soorten motiliteit helpen bij de spijsvertering
161
-
65
2. De mond verwerkt voedsel voor het doorslikken
161
-
2.1. Tanden bijten en kauwen voedsel
161
-
2.2. Tong plaatst en proeft voedsel
162
-
2.3. Speeksel start het verteringsproces
162
-
66
3. Keelholte en slokdarm brengen voedsel naar de maag
163
-
67
4. Maag slaat voedsel op, verteert eiwitten en reguleert levering
164
-
4.1. Maagsap breekt eiwitten af
164
-
4.2. Maagcontracties mengen voedsel en duwen het naar voor
164
-
68
5. De dunne darm verteert voedsel, en absorbeert voedingsstoffen en water
165
-
69
6. Hulporganen voor spijsvertering en absorptie
166
-
6.1. De pancreas scheidt enzymen en NaHCO3 af
166
-
6.2. De lever produceert gal en vervult andere functies
166
-
70
7. De dikke darm absorbeert voedingsstoffen en verwijdert afvalstoffen
167
-
71
8. Hoe voedingsstoffen worden opgenomen
168
-
8.1. Proteïnen en koolhydraten worden verteerd en daarna geabsorbeerd
168
-
8.2. Lipiden worden afgebroken en weer opgebouwd
168
-
8.3. Water wordt geabsorbeerd door osmose
169
-
8.4. Vitaminen en mineralen worden op verschillende manieren opgenomen
169
-
72
9. Zenuwen en hormonen reguleren de spijsvertering
169
-
73
10. Voeding: je bent wat je eet
170
-
10.1. Koolhydraten: een belangrijke energiebron
170
-
10.2 Lipiden: essentiële celbestanddelen en energiebronnen
170
-
10.3. Complete eiwitten bevatten alle aminozuren
171
-
10.4. Vitaminen zijn essentieel voor normaal functioneren
171
-
10.5. Mineralen: essentiële elementen voor lichaamsprocessen
171
-
10.6. Vezels zijn goed voor de dikke darm
172
-
74
11. Energiebalans
172
-
11.1. Energiebalans, lichaamsgewicht en fysieke activiteit
172
-
11.2. Gezond gewicht verbetert algehele gezondheid
172
-
11.3. Obesitas
173
-
75
12. Eetstoornissen
173
-
76
13. Aandoeningen aan het spijsverteringsstelsel
174
-
13.1. Aandoeningen aan de spijsverteringsorganen
174
-
13.2. Aandoeningen aan hulporganen
174
-
77
H12: het urinewegstelsel
175
-
78
1. Het urinewegstelsel reguleert lichaamsvloeistoffen
175
-
1.1. Nieren reguleren het waterpeil
175
-
1.2. Nieren reguleren stikstofhoudende afvalstoffen en andere opgeloste stoffen
175
-
79
2. Organen van het urinewegstelsel
176
-
2.1. Nieren zijn het primaire orgaan
176
-
2.2. Urineleiders transporteren urine naar blaas
176
-
2.3. Urineblaas slaat urine op
177
-
80
3. Interne structuur van een nier
177
-
3.1. Speciale bloedvaten voeden de tubulus
177
-
81
4. Vorming van urine: filtratie, reabsorptie en secretie
178
-
4.1 Glomerulaire filtratie filtert vloeistof uit haarvaatjes
178
-
4.2. Tubulaire reabsorptie brengt gefilterd water en opgeloste stoffen terug naar bloed
179
-
4.3. Tubulaire secretie verwijdert andere stoffen uit het bloed
181
-
82
5. Productie van verdunde of geconcentreerde urine
181
-
5.1. Productie van verdunde urine: uitscheiding van overtollig water
181
-
5.2. Productie van geconcentreerde urine: behoud van water
182
-
83
6. Urineren hangt af van een reflex
183
-
84
7. Nieren handhaven homeostase op vele manieren
183
-
7.1. ADH reguleert de waterbalans
183
-
7.2. Aldosteron reguleert de zoutbalans
184
-
7.3. Renine-angiotensinesysteem reguleert bloedvolume en bloeddruk
184
-
7.4. Atriaal natriuretisch hormoon beschermt tegen te veel bloedvolume
185
-
7.5. Nieren helpen zuur-base evenwicht en pH van bloed te handhaven
186
-
7.6. Erytropoëtine stimuleert productie van RBC’s
186
-
7.7. Nieren activeren vitamine D
187
-
85
8. Aandoeningen aan het urinewegstelsel
187
-
8.1. Veelvoorkomende aandoeningen
187
-
8.2. Dialyse zuivert bloed kunstmatig
188
-
8.3. Niertransplantaties zijn een permanente oplossing voor nierfalen
188
-
8.4. Urine-incontinentie is een verlies van controle over de blaas
188
-
86
H13: het voortplantingsstelsel
189
-
87
1. Mannelijk voortplantingsstelsel levert sperma
189
-
1.1. Testikels produceren sperma
189
-
1.2. Hulpklieren helpen sperma overleven
189
-
1.3. Voor spermaproductie zijn meerde celdelingen nodig
190
-
1.4. Testosteron beïnvloedt mannelijke voortplantingscapaciteit
191
-
88
2. Vrouwelijk voortplantingsstelsel produceert eicellen en ondersteunt zwangerschap
192
-
2.1. Eierstokken geven eicellen vrij en scheiden hormonen af
192
-
2.2. Baarmoeder voedt het zich ontwikkelende embryo
193
-
2.3. Vagina: geslachtsorgaan en geboortekanaal
193
-
2.4. Borstklieren voeden de zuigeling
194
-
89
3. Menstruatiecyclus bestaat uit eierstok- en baarmoedercyclus
194
-
3.1 Eierstokcyclus: oöcyten rijpen en komen vrij
195
-
3.2. Baarmoedercyclus bereidt baarmoeder voor op zwangerschap
196
-
3.3. Cyclische veranderingen in hormoonspiegels veroorzaken menstruatiecyclus
196
-
90
4. Menselijke seksuele respons, geslachtsgemeenschap en bevruchting
197
-
91
4. Anticonceptie: vruchtbaarheidscontrole
197
-
5.1. Chirurgische sterilisatie
198
-
5.2. Hormonale methoden
198
-
5.3. Andere anticonceptiemethoden
198
-
5.4. Toekomst van anticonceptie
199
-
92
6. Onvruchtbaarheid: onvermogen om zwanger te worden
199
-
6.1. Onvruchtbaarheid kan veel oorzaken hebben
199
-
6.2. Bevorderen van vruchtbaarheid
200
-
93
7. Seksueel overdraagbare aandoeningen
200
-
7.1. Bacteriële SOA’s
200
-
7.2. Virale SOA’s
201
-
7.3. Andere SOA’s
202
-
7.4 Voorkomen van SOA’s
202
-
94
H15: kanker
203
-
95
1. Tumoren kunnen goedaardig of kwaadaardig zijn
203
-
96
2. Kankercellen ondergaan structurele en functionele veranderingen
203
-
2.1. Patroon van veranderingen dat leidt tot gebrek aan controle
204
-
2.2. Stadia van kanker
204
-
97
3. Factoren die bijdragen tot de ontwikkeling van kanker
205
-
3.1. Gemuteerde proto-onco-, tumor suppressor- en mutatorgenen dragen bij tot kanker
205
-
3.2. Verschillende factoren kunnen leiden tot kanker
205
-
3.3. Immuunsysteem speelt belangrijke rol bij kankerpreventie
206
-
98
4. Vooruitgang in diagnose maakt vroegtijdige opsporing mogelijk
207
-
99
5. Behandelingen van kanker
207
-
5.1. Conventionele behandelingen (vaak combinatie)
207
-
5.2. Magnetisme en fotodynamische therapie richten zich op kwaadaardige cellen
208
-
5.3. Immunotherapie bevordert de immuunrespons
208
-
5.4. Kanker ‘uithongeren’ door angiogenese te remmen
208
-
5.5. Moleculaire behandelingen richten zich op defecte genen
209
-
100
6. De tien dodelijkste kankers
209
-
101
7. Andere opmerkelijke kankers
210
-
7.1. Nierkanker
210
-
7.2. Huidkanker
210
-
7.3. Eierstokkanker
211
-
7.4. Teelbalkanker
211
-
102
8. De meeste kankers kunnen voorkomen worden
211
-
103
H16: genetica en erfelijkheid
212
-
104
1. Genotype is genetische basis voor fenotype
212
-
105
2. Genetische overerving volgt bepaalde patronen
213
-
2.1. Punnett vierkant analyse voorspelt patronen van overerving
213
-
2.2. Mendel stelde de basisprincipes van genetica vast
213
-
2.3. Dominante allelen komen tot expressie boven recessieve
213
-
2.4. Twee-trekkruisingen: onafhankelijk assortiment genen voor verschillende eigenschappen
214
-
106
3. Onvolledige dominantie en co-dominantie
215
-
3.1. Onvolledige dominantie: heterozygoten hebben een tussenliggend fenotype
215
-
3.2. Co-dominantie: beide genproducten komen gelijkmatig tot uiting
215
-
107
4. Andere factoren die erfelijkheidspatronen en fenotype beïnvloeden
217
-
4.1. Polygene overerving: fenotype wordt beïnvloed door vele genen
217
-
4.2. Zowel het genotype als de omgeving beïnvloeden het fentotype
217
-
4.3. Gekoppelde allelen kunnen al da niet samen overerven
218
-
108
5. Geslachtsgebonden overerving
218
-
5.1. Geslachtsgebonden overerving hangt af van genen op geslachtschromosomen
219
-
5.2. Geslachtsgenen hebben invloed op geslachtsgebonden eigenschappen
220
-
109
6. Veranderingen in het aantal of de structuur van chromosomen
220
-
6.1. Syndroom van Down: drie kopieën van chromosoom 21
221
-
6.2. Veranderingen in aantal geslachtschromosomen
221
-
6.3. Deleties en translocaties veranderen de structuur van een chromosoom
222
-
110
7. Erfelijke aandoeningen waarbij recessieve allelen betrokken zijn
222
-
7.1. Fenylketonurie wordt veroorzaakt door een ontbrekend enzym
223
-
7.2. Tay-Sachs ziekte leidt tot hersendisfunctie
223
-
7.3. Ziekte van Huntington wordt veroorzaakt door een dominant-dodelijk allel
223
-
111
8. Genen coderen voor eiwitten, niet voor specifieke gedragingen
224
-
112
H17: ontwikkeling, rijping, veroudering en dood
225
-
113
1. Bevruchting begint als zaad- en eicel zich verenigen – eindigt met vorming zygote (diploïde cel)
225
-
1.1. De reis van eicel en zaadcel
225
-
1.2. Één zaadcel bevrucht de eicel
225
-
1.3. Tweelingen kunnen twee- of één-eiig zijn
226
-
114
2. Het ontwikkelingsproces: splitsing, groei, differentiatie en morfogenese
227
-
115
3. Pre-embryonale ontwikkeling: eerste twee weken
227
-
116
4. Embryonale ontwikkeling: weken drie tot acht
228
-
4.1. Weefsels en organen ontstaan uit drie kiemlagen
228
-
4.2. Extra-embryonale membranen
229
-
4.3. De placenta en de navelstreng
229
-
4.4. Het embryo ontwikkelt zich snel
230
-
117
5. Geslachtsontwikkeling
231
-
118
6. Foetale ontwikkeling: negen weken tot geboorte
232
-
119
7. Geboorte en vroege postnatale periode
232
-
7.1. Bevalling eindigt in geboorte
232
-
7.2. Keizersnede: chirurgische bevalling
233
-
7.3. Transitie van foetus naar pasgeborene
233
-
7.4. Lactatie produceert melk om pasgeborene te voeden
234
-
120
8. Maturatie: van geboorte tot volwassenheid
235
-
121
9. Veroudering
235
-
9.1. Wat veroorzaakt veroudering?
236
-
9.2. Lichaamssystemen verouderen op een verschillend tempo
236
-
122
10. Dood
237