Homeostase: Het vermogen van het lichaam om interne
omstandigheden constant te houden ondanks externe
veranderingen. Dit is essentieel voor cellulaire overleving en functie.
o Belangrijkste systemen: Skeletspieren, gastro-intestinaal,
respiratoir, circulatoir en renaal systeem. Coördinatie via
biochemische (endocrien) en elektrische signalen
(zenuwstelsel).
Compartimentalisatie: Biologische membranen scheiden cellulaire
compartimenten, elk geoptimaliseerd voor specifieke functies.
Membranen zijn lipide dubbellagen met ingebedde eiwitten zoals
transporteiwitten en receptoren.
Transportprocessen: Cruciaal voor homeostase en omvatten:
o Diffusie en osmose: Passieve processen.
o Eiwitgemedieerd transport: Ionkanalen, transporters en
pompen.
o Macroschaal coördinatie: Door spieractiviteit en
zenuwstelsel.
Membranen: Dynamisch, asymmetrisch en georganiseerd in
microdomeinen, met specifieke lipidesamenstellingen. Bewegende
eiwitten kunnen gedetecteerd worden met technieken zoals FRAP.
Hoofdstuk 2: Diffusie en Permeabiliteit
Diffusie: Moleculen bewegen van hoge naar lage concentratie door
willekeurige bewegingen (Fick’s eerste wet):
o Flux (J) is recht evenredig met de concentratiegradiënt
(ΔC/Δx).
o Diffusiecoëfficiënt (D) wordt beïnvloed door molecuulgrootte
en mediumviscositeit.
Effectiviteit van diffusie:
o Korte afstanden: Diffusie is snel (bv. binnen cellen).
o Lange afstanden: Diffusie is traag en inefficiënt.
Circulatiesystemen zijn nodig.
Membranen en diffusie:
o De partitiecoëfficiënt (β) bepaalt hoe goed een stof oplost in
het membraan (lipofiel > hydrofiel).
o Permeabiliteit (P) beïnvloedt de snelheid van transport door
membranen.
Toepassing: Farmacologische stoffen met hoge β (lipofiel) worden
snel door cellen opgenomen. Water en kleine moleculen passeren
gemakkelijk; grote ionen en eiwitten niet.
Hoofdstuk 3: Osmotische Druk en Waterbeweging
Osmose: Waterverplaatsing door een semipermeabel membraan
van een gebied met lage naar hoge opgeloste stofconcentratie.
o Osmotische druk ontstaat door verschillen in concentraties
van onpermeabele opgeloste stoffen.
o Van’t Hoff’s wet: Osmotische druk (p) is evenredig met de
concentratie van onoplosbare stoffen en temperatuur.
, Effecten op volume:
o Hypertoon milieu: Cel verliest water (krimpt).
o Hypotoon milieu: Cel neemt water op (zwelt).
o Permeabele opgeloste stoffen veroorzaken tijdelijke
volumeveranderingen; onpermeabele stoffen veroorzaken
blijvende veranderingen.
Hydrostatische en osmotische druk:
o Waterbeweging wordt bepaald door de balans tussen
hydrostatische (P) en osmotische druk (p).
Praktische implicaties: Bloeddruk, oedeem (vochtophoping) en
osmose-gestuurde therapieën (bv. mannitol bij hersenoedeem).
Hoofdstuk 4: Elektrische gevolgen van ionaire gradiënten
1. Ion gradiënten en membraanpotentiaal:
o Ionen (zoals K⁺, Na⁺, Cl⁻) zijn ongelijk verdeeld over
celmembranen, wat zowel chemische als elektrische effecten
heeft.
o Bij rust is de cel vooral permeabel voor K⁺. De diffusie van K⁺
veroorzaakt een elektrische potentiaalverschil,
de membraanpotentiaal.
o Het evenwichtspotentiaal voor een ion kan berekend worden
met de Nernst-vergelijking, afhankelijk van de concentraties
binnen en buiten de cel.
2. Rustmembraanpotentiaal:
o In echte cellen zijn membranen permeabel voor meerdere
ionen, waaronder K⁺, Na⁺ en Cl⁻.
o De Goldman-Hodgkin-Katz (GHK) vergelijking voorspelt
de rustmembraanpotentiaal door de bijdrage van al deze ionen
te combineren.
3. Membraanpermeabiliteit en potentiaalveranderingen:
o Cellen kunnen hun membraanpotentiaal aanpassen door de
permeabiliteit voor bepaalde ionen te veranderen
(bijvoorbeeld door het openen of sluiten van ionkanalen).
o Dit mechanisme is cruciaal voor actiepotentialen en
elektrische signalering.
4. Donnan-effect:
o Onoplosbare, negatief geladen macromoleculen in de cel
veroorzaken een osmotisch onevenwicht dat water aantrekt.
o Dit probleem wordt opgelost door de Na⁺/K⁺-ATPase, die Na⁺
uit de cel pompt om een balans te creëren.
Hoofdstuk 5: Ionkanalen
1. Functie van ionkanalen:
o Ionkanalen bepalen de elektrische eigenschappen van
membranen door het mogelijk maken van iondoorlaat.
o Belangrijke functies:
1. Verwerken van elektrische signalen.
2. Genereren van actiepotentialen.
3. Propageren van signalen naar zenuwuiteinden.