1.1. De grondwettelijke vrijheid van onderwijs
• (Allereerste) grondwet 17 februari 1831: vrijheid van onderwijs (art. 17)
o Art. 17: vrijheid van onderwijs + kosteloosheid van onderwijs (indien dr staat
opgericht)
• Grondwet regelt de materie ‘onderwijs’ dat houdt het legaliteitsbeginsel in.
o Legaliteitsbeginsel: alle ingrepen in het onderwijs moeten terugvallen op die
basis
-> wetgever (bv. een minister) kan die Grondwet niet negeren
-> voordeel: willekeur wordt vermeden en vermijdt een ad-hoc beleid
• Willem I van Oranje: beperkte de invloed van de Kerk op het onderwijs en bepaalde dat
het de taak van de OH was om onderwijs in te richten.
• Discussie over vrijheid van onderwijs niet achter de rug -> onderwijskoepels grijpen vaak
terug naar de Grondwet om ideeën naar voren te schuiven/verwerpen.
1.2. Van vrijheid van onderwijs naar recht op onderwijs
De grondwettelijke vrijheid van onderwijs werd snel anders geïnterpreteerd. Er is een ruimere
interpretatie van art. 17 van de grondwet.
“Deze korte tekst is in de loop der jaren echter niet steeds op dezelfde wijze begrepen. Weliswaar
werd de onderwijsvrijheid steeds ruim verstaan zoals de interpretatie van fundamentele rechten
en vrijheden past, doch de praktische betekenis van die vrijheid is gaandeweg flink geëvolueerd.
Zo werd meer bepaald het accent verlegd van de door de grondwetgever van 1831 in de allereerste
plaats beoogde onderwijsvrijheid, die de ‘actieve vrijheid’ was om te onderwijzen, naar de
‘passieve vrijheid’ – meestal met ‘recht op onderwijs’ onder woorden gebracht – om onderwezen
te worden, bovendien in een levensbeschouwelijk milieu van zijn keuze. Dit neemt niet weg dat
beide aspecten van de onderwijsvrijheid volgens het Belgische grondwettelijk recht steeds
onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn geweest. In 1831 lijkt de Volksraad de passieve vrijheid
van onderwijs trouwens zo vanzelfsprekend te hebben gevonden, dat zij a.h.w. voorondersteld
moest hebben bij de actieve onderwijsvrijheid. Een recht om te onderwijzen gaat er noodzakelijk
van uit dat de burgers er aanspraak kunnen op maken onderwezen te worden.”
• Combinatie (1) vrijheid en (2) noodzakelijke zorg voor onderwijs door de staat -> discussie
over de kosten van onderwijs treedt naar de voorgrond
• Roep om OHsteun voor om het even welke vorm van onderwijs die door een Belg werd
ingericht werd luider
o Vb.: debat over het afschaffen van lesuren voor godsdienst en moraal
1.3. Van recht op onderwijs naar discussies over financiering: de
schoolstrijd
• Grondwet voorzag enkel in een financiering van het onderwijs dat door de staat werd
ingericht: het rijksonderwijs
, • Elke gemeente verplicht om kosteloos een lagere school in te richten + de gemeente kon
ook een bestaande katholieke school overnemen
• 1850: Wet Rogier
1.3.1. De eerste schoolstrijd
Vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienstbeleving leidde tot de eerste schoolstrijd
• 1879: Wet- Van Humbeeck (=ongelukswet)
o Elke gemeente werd verplicht om een lagere om een officiële lagere school in te
richten
o Verboden om nog een vrije school ‘aan te nemen’ of te subsidiëren
o Alle leraren moeten een diploma hebben van een Rijksnormaalschool
o Godsdienstonderwijs moest buiten de school worden verzorgd
• 1881: zelfde regeling voor het middelbaar onderwijs
• Start: eerste schoolstrijd
o Diplomatieke breuk met het Vaticaan -> paus bleef Belgische bisschoppen
steunen
o De school zonder godsdienstonderwijs was de inzet van een echte crisis: de
‘scholen zonder ziel’ vs. de vrije scholen van het katholieke onderwijs
o Strijd succesvol voor het katholiek onderwijs, in 1880 stuurden ze 63,5%
• 1884: derde organieke wet op het lager onderwijs, wet-Jacobs
o Herstelde de situatie -> meeste gemeenten konden weer een vrije school
aannemen -> leidde tot afschaffing van > 900 lagere scholen en >700 scholen
voor volwassenen die het rijk had ingericht
• 1911: vierde organieke wet (wet-Schollaert)
o Inschrijvingsgeld voor lager onderwijs afgeschaft.
In verlening van de vierde organieke wet werd op 14 mei 1914 de leerplicht ingevoerd (6 tot 14
jaar). Er volgde ook een financiering van het secundair onderwijs.
1.3.2. De tweede schoolstrijd (1950 – 1958)
• Na WOII
o Steeds meer leerlingen naar het SO -> te weinig officiële scholen & Kath.
onderwijs ondergefinancierd -> kath onderwijs vroeg inschrijvingsgeld
o OH gaf extra financiering aan het katholiek onderwijs
• 1955:
o Subsidies voor katholieke scholen afgeschaft (wet-Collard)
o Extra rijkssecundaire scholen oprichtte en commissies installeerde die toezicht
hielden op het katholieke onderwijs
o Gevolg: betogingen, marsen in grote VL steden, aanvallen op de gendarmerie… +
hoogtepunt was de Mars op Brussel (1955)
• Regering- Eyskens
o Minderheidsregering opgezet door Gaston Eyskens
▪ Richtte een Nationale Schoolcommissie op, waarin alle partijen
(katholieken, liberalen en socialisten) aan een oplossing werkten.
, ▪ 1958: legden de basis voor een compromis dat het Schoolpact
werd/wordt genoemd. Tot op vandaag zorgt die voor een schoolvrede.
▪ 1959: uiteindelijke Schoolpactwet werd gestemd
1.4. Het Schoolpact
Het Schoolpact waarborgde voor het eerst het bestaan van twee grote onderwijsnetten in België.
1. Het officiële onderwijs
o Ingericht door de staat, de provincie of de gemeente
2. Het vrije onderwijs
o Voornamelijk het katholieke net
Meteen werd ook het recht op onderwijs van een erkende godsdienst (of lessen moraal)
gegarandeerd. De leerplichtwet werd ook aangepast.
Doorheen de jaren zijn er een 4 groepen bijgekomen onder de vlag ‘vrijheid van onderwijs’ die
ook vrij onderwijs inrichtten. Zij organiseren zich voor hun belangenverdediging binnen het
Overleg Kleine Onderwijskoepels (OKO):
1. Federatie van Onafhankelijke Pluralistische Emancipatorische Methodescholen
(FOPEM)
2. Federatie Steinerscholen
3. Raad van Inrichtende Machten van het Protestants-Christelijk Onderwijs (IPCO)
4. Vlaams Onderwijs Overlegplatform (VOOP)
→ er zijn ook heel wat scholen zoals methode-, freinet-, dalton-, montessori- of
jenaplanscholen maar zich aansluiten bij een van de grote koepels en in principe het
pedagogisch project ervan volgen
→ bovenstaande kleine koepels gaan meestal hun eigen weg in onderwijsdiscussies
Nieuwe indeling volgens de subsidieregeling:
1. het vrij gesubsidieerd onderwijs (VGO), met ook de kleine koepels
2. het officieel gesubsidieerd onderwijs (OGO), met als ondergroepen het provinciaal
onderwijs en het OVSG
3. het rijksonderwijs -> noemt nu: het gemeenschapsonderwijs (GO!)
Pedagogisch project van de school: fundamenteel geldt dat de vrijheid van onderwijs garandeert
dat elke inrichtende macht – en dus vaak de school – haar eigen methodes, groeperingsvorm,
examens, werving van leerkrachten… kan regelen.
Niet mogen weigeren van leerlingen onder bepaalde voorwaarden.
• GOK-decreet van 2002, dat o.a. het inschrijvingsrecht vastlegde
• M-decreet, dat onder de noemer ‘inclusie’ een verschuiving veroorzaakte van leerlingen
uit het buitengewoon onderwijs naar het gewoon onderwijs
• Recente leersteundecreet, dat het inschrijvingsrecht inzake inclusie concretiseerde,
maar ook beperkte
Verzuiling (p. 35-37): verzuiling zoals in België, is enkel terug te vinden in NL en Ierland.
,2. Leerplicht en geen schoolplicht
2.1. De lange weg naar de leerplicht
In België was de leerplicht laat ingevoerd in vergelijking met andere landen:
• Duitse Staten (1850)
• Engeland (1870-1880)
• Luxemburg (1881)
• Frankrijk (1882)
• Nederland (1901)
Discussie rond leerplicht kwam pas rond 1913 op gang -> had o.a. te maken met kinderarbeid
2.2. De leerplicht en de schoolstrijd
• Obv de wet die een verbod oplegde op vrouwen- en kinderarbeid (1889) werd
kinderarbeid <12 jaar verboden
• 1914: leerplicht vastgelegd tot 14 jaar
2.3. De verlenging van de leerplicht: opnieuw een twistappel
• 1983: leerplicht vastgelegd tot 18 jaar
o Wie voor de datum van 1 juli 18 jaar wordt, mag feitelijk de schoolbanken
verlaten, maar dan zonder diploma of studiebewijs. En wie voor die leeftijd een
diploma SO behaalt, is daarna niet meer leerplichting.
• Invoering van de leerplicht gebeurde in een periode dat het onderwijs in België,
Belgische materie was. Bij de invoering valt op dat:
o De verlenging gekoppeld wordt aan een leeftijd en niet aan een scholingsgraad
(bv. afronden van het SO). Je hoort daarom regelmatig verhalen over leerlingen
die midden in een schooljaar opstappen.
o De verlenging een getrapt karakter heeft. Leerlingen moeten voltijds onderwijs
volgen tot 15-16 jaar en minimaal deeltijds onderwijs van 16 tot 18 jaar.
• Leeftijdsgrens van 18 jaar is vrij uniek in Europa. Meestal werd er gekozen voor de
bovengrens van 16 jaar.
2.4. Leerplicht en geen schoolplicht
• In België wel leerplicht maar geen schoolplicht (federale materie)
o Uitvloeisel van de grondwettelijke vrijheid op onderwijs
o Ouders moeten garanderen dat hun kind(eren) regelmatig onderwijs volgen ->
huisonderwijs, privéonderwijs…
o Leerlingen die huisonderwijs of privéonderwijs volgen moeten examens afleggen
via de Centrale Examencommissie
o Huisonderwijs aan kwaliteit voorwerpen onderworpen -> slaagt leerplichtige
leerling 2x niet via de examencommissie -> leerplichtige leerling moet zich
inschrijven in een erkende school
• Redenen waarom men kiest voor huisonderwijs
1) Levensbeschouwelijke motieven
2) Opvoedkundige motieven
3) Negatieve ervaringen met het bestaande onderwijs
,2.5. Nieuwe discussies over de leerplicht; verlagen van start- en eindleeftijd
Twee discussies worden continu opgeworpen:
• Discussie over het verlagen van de ondergrens van de leerplichtleeftijd van 6 naar 5 jaar
• Discussie over het verlagen van de bovengrens van de leerplichtleeftijd tot 16 jaar of het
zoeken naar alternatieven
2.5.1. Verlagen van de ondergrens
• Vanaf de jaren ’60: eerste discussies over verlagen van de ondergrens van 6 naar 5 jaar
o Dezelfde argumenten keren telkens terug:
▪ Wegwerken van milieuachterstanden
▪ Bevorderen van de schoolweerbaarheid
▪ Opvangen van leermoeilijkheden en affectieve stoornissen
o In afwachting van een verlaging van de leerplicht werden andere maatregelen
ingevoerd
o Het Participatiedecreet dat in 2009 tot een taaltoets heeft geleid voor
kleuters die minder dan 220 halve dagen aanwezig zijn in de
kleuterschool. Wanneer ze niet slaagden, moesten ze alsnog één jaar
naar de kleuterklas voordat ze met het lager onderwijs konden starten. ->
grondwet omzeild!
2.5.2. Verlagen van de bovengrens
• Onderzoek schuift kritische indicatoren naar voren die het criterium 18 jaar aan de orde
stellen:
o Problematiek van (on)welbevinden en schoolmoeheid bij een groot percentage
van de leerlingen;
o Spijbelproblematiek
o Drop-out in het onderwijs
o Hardnekkige percentages leerlingen die de school verlaten zonder diploma (niet-
gekwalificeerde uitstroom). Deze cijfers zijn beter dan vroeger!
3. Onderwijs is een gemeenschapsmaterie
• Sinds 1988 behoren de bevoegdheden onderwijs en cultuur op het
gemeenschapsniveau (Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap).
o 3 ministeries van Onderwijs
, 4. Kwaliteitszorg en -bewaking
Kwaliteitsbeleid in het onderwijs in Vlaanderen is verankerd in de kwaliteitsdriehoek (decreet:
1991)
• Vertaalt het vage begrip ‘kwaliteit’ in termen van een macrobeleid dat de grote contouren
vastlegt waarbinnen de kwaliteit, het peil of het niveau van het onderwijs zich moet
bewegen.
• Basis van kwaliteitsdriehoek = doelstellingen (eindtermen)
o Als je niet weet wat je doelstellingen zijn, kan je ook niet nagaan of ze bereikt
worden.
• Inspectiesysteem
o Het nagaan of de doelstellingen bereikt zijn in de vorm van audits en
peilingsproeven
• Pedagogische begeleiding
o Leraren en scholen ondersteunen bij het nastreven en bereiken van de
doelstellingen
Kritiek op dit decreet: Bij de onderwijsnetten was er
vrees voor de macht die de OH plots naar zich
toetrok om bijvoorbeeld de inhouden van het
onderwijs te bepalen via de eindtermen ipv de
leerplannen.
4.1. De wortels van de kwaliteitsdriehoek
Met de grondwetsherziening van 1988 nam het nieuwe Vlaamse onderwijsbeleid een snelle
start. Drie belangrijke decreten zetten de start van de volgende legislaturen:
1) Het decreet op de Algemene Raad van het Gemeenschapsonderwijs (AGRO, 5 juli)
• Schafte het rijksonderwijs af en dus ook de dubbele bevoegdheid van de minister
van Onderwijs
• Afhankelijk van politieke voorkeur van de minister ontstond er steeds een
vermoeden van belangenverstrengeling waardoor het ene of het andere
onderwijs voorgetrokken werd. Met dit decreet zou de minister slechts één pet
opzetten, die van beleidspersoon voor het gehele Vlaamse onderwijs.
• Het rijksonderwijs werd als gemeenschapsonderwijs ondergebracht onder een
eigen koepel: de Algemene Raad voor het Gemeenschapsonderwijs. De
rijksleerplannen vielen weg als ijkingspunt.
• AGO -> RAGO (Raad van het Gemeenschapsonderwijs) -> tegenwoordig: GO!
2) Oprichting van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor, 31 juli 1990)
• Vlor= onafhankelijk advies- en overlegorgaan dat representatief zou worden
samengesteld uit de koepelorganisaties van inrichtende machten (de netten), de
vakbonden, de ouders en de sociale partners.