Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 8 van de 171 pagina's
Samenvatting

Parasitologie Samenvatting | Diergeneeskunde | UA | 2025/26

Document preview thumbnail
Voorbeeld 8 van de 171 pagina's

Volledige samenvatting Parasitologie, GESLAAGD IN EERSTE ZIT , cursus is aangevuld met extra info tijdens de les, alle parasieten soorten die te kennen zijn staan in tabellen, ordelijk weergegeven. op het einde is er nog een deel over parasitaire middelen en belangrijke parasieten per diersoort. Deze samenvatting behandelt de fundamentele concepten van Parasitologie voor het diergeneeskunde curriculum aan de Universiteit Antwerpen. De stof omvat algemene begrippen (symbiose, parasitisme, definities), systematiek van parasieten, gastheer-parasiet relaties, parasitaire adaptaties, en classificaties van zoönoses. De samenvatting bevat kleurcodes die aangeven welke onderwerpen examenrelevant zijn, welke minder belangrijk, en welke achtergrondinformatie vormen – ideaal voor gericht studeren en examenvoorbereiding.

Voorbeeld van de inhoud

Pagina 1 van 171


PARASITOLOGIE
INLEIDING; ALGEMENE BEGRIPPEN EN SYSTEMATIEK

Kleurcodes

- Niet kennen (zal niet in de samenvatting staan)
- Minder belangrijke parasiet, maar nog wel kennen
- Parasiet met relevantie rond voorkomen en belang in dierenpraktijk /Zoönose
- Achtergrondinformatie
- Belangrijk voor het examen

SYMBIOSE

Samenlevingsvormen tussen 2 of meer verschillende species

symbiose Voordeel/nadeel
mutualisme Beide voordeel
commensalisme Een neutraal (gastheer) ander voordeel (parasiet)
 Als de soort heel veel aanwezig is kan die mogelijks wel schade veroorzaken
parasitisme Een nadeel (gastheer) en andere voordeel (parasiet), dit brengt dus schade aan de
gastheer
- 50 % van alle diersoorten zijn parasitair op bepaald stadium van hun levenscyclus
- 100% van dieren en planten kunnen worden geparasiteerd
- Meerdere parasieten per gastheer species
- Soms meerdere gastheren voor 1 parasiet species → zoönoses
o Zoönose: een ziekte waar het dier de drager is van een ziekte die kan overslaan op de mens
o Bv. Toxoplasma is een ziekte waar de kat de drager van is en die kan zwangerschapsproblemen opleveren
bij de mens.

PARASITOLOGIE = DE STUDIE VAN PARASITAIRE SAMENLEVINGSVORMEN

- Parasiet
o Morfologie, cyclus, biologie, (diagnose)
- Relatie tussen gastheer en parasiet
o Fysiologie, biochemie, celbiologie, kliniek, pathologie
- Immunologie
o Immuun mechanismen: hormonaal, cellulair, moleculair
o Er bestaan bijna geen vaccins tegen parasieten
- Epidemiologie (waar de parasiet leeft, hoe die zit verspreid)
o Relatie: gastheer- parasiet – (vector)- omgeving
- Ziekteleer
o Farmacologie, kliniek, pathologie
- Behandeling

DEFINITIES

parasitisme
obligaat Parasitair stadium binnen de cyclus is noodzakelijk
facultatief Onafhankelijke, niet parasitaire cyclus is mogelijk
Permanent Volledige cyclus gaat door in de gastheer, kan niet leven zonde gastheer (bv.
Hoofdluizen)

, Pagina 2 van 171

Tijdelijk Deel van de cyclus gaat door in de gastheer, kan dus overleven (tijdelijk) zonder
gastheer
incidenteel Zeldzaam bij genoemde gastheer, komt eigenlijk niet voor bij die diersoort, vaak toch
door een ongewone transmissieroute (bv. Via waterkers)
erratisch Abnormale gastheer of plaats, parasiet die hoort niet bij die gastheer en vaak zijn die
dan ook niet aangepast aan die gastheer waardoor die een infectie vaak lijdt tot een
ernstigere ziekten.
Stenoxeen Hoge gastheer specificiteit
Euryxeen Lage gastheer specificiteit
Homoxeen Slechts 1 gastheer binnen cyclus
Heteroxeen Meerdere gastheersoorten binnen cyclus



Gastheer
Definitieve Adulte stadia: seksuele vermeerdering in de gastheer
Tussen Larvale stadia (met ontwikkeling): een tussengastheer is nodig om de parasiet volledig
tot ontwikkeling te laten komen
- Immature stadia aanwezig maar moeten nog tot ontwikkeling komen
- Een wacht/-tussengastheer om bv. Te overwinteren om te overleven
Paratenische Larvale stadia (zonder ontwikkeling): zitten daar voor transport naar de eindgastheer,
wacht,…
Vector Actieve rol in de transmissie (biologisch, Biologische vector: parasiet vermeerdert
mechanisch) in die vector
Mechanische vector: directe overdracht
van de gastheer, worden gewoon
overgebracht naar de eindgastheer (bv.
Door dazenbeten)
Definities
Prepatente periode Periode tussen infectie en infectieus worden. Behandelen in deze periode is nodig,
wel moeilijk vast te stellen want er zijn nog geen eitjes, maar het dier kan al wel ziek
zijn
Patente periode Infectieuze periode (eieren, larven, etc)
Endo-parasiet Leeft in de gastheer
Ecto-parasiet Leeft op de gastheer
Meso-parasiet Leeft in externe openingen (mondholte, oor, genitaliën,…)
Reservoir Biotoop van de parasiet (mens, dier), bepaalde parasieten infecteren ook wilde
dieren, een reservoir dient echt als opslag, het dier zelf wordt niet ziek
Zoönose Dier als bron van infectie voor mens, het is een vertebraat die als bron is voor infectie
bij de mens

ZOÖNESES

Direct zoönose Via direct contact
cyclozoönose Door het eten van rauw vlees dat besmet is
Metazoönose Via een vector (antropoden)
saprozoönose Besmetting door gecontamineerde omgeving

PARASITAIRE ADAPTATIES

Noodzakelijk om zich binnen de gastheer te bestendigen (infectie, overleving, vermeerdering)

, Pagina 3 van 171

Parasitaire adaptaties
Morfologisch Grootte, vorm, aanpassing van bewegingsorganen, vasthechtingsorganen
(haken, zuignap, klauwen), vermindering CZS (sensorische functies) en
verteringsstelsel (mondkapsel, tanden, snijplaten)
Levenscyclus Toename van reproductief potentieel, ei-productie, hermafrodisme (2
geslachten), parthenogenesis (geen man nodig voor voortplanting), verlies
van seizoensgebondenheid, snelle rijping tot volwassen stadium, verlengde
levensduur, aseksuele vermeerdering gedurende meerdere fasen van de
levencyclus, inclusie van secundaire en tertiaire gastheren
Immunologisch Absorptie van host antigeen, antigenische variatie, immunologische
sanctuary sites, disruptie van de gastheer immuun respons, moleculaire
mimicry, verlies of masking van oppervlakte antigenen
Biochemisch Energie metabolisme (anaeroob,micro-aerofiel), opname van
voedingstoffen (toename van transportsystemen)

GASTHEERSPECIFICITEIT

- Lokalisatie van de gastheer (host-finding): hoe vindt de parasiet zijn gastheer
o Ecologische en geografische beperking
▪ Bv. Zuigwormen hebben een tussengastheer nodig maar als biotoop voor tussengastheer maar
als het biotoop niet gunstig is voor de tussengastheer gaat die parasiet daar ook niet voorkomen.
o Specifieke prikkels (geotaxis, chemotaxis (mee met Fz), luminotaxis (licht), attractans, geur)
o Tussengastheren als onderdeel van voeding
o Gedragswijziging van tussengastheren (bv. Muis met toxoplasma wordt overmoedig)
- Vestiging in de gastheer
o Doorboren van huid
o Hatching of exsheating (temperatuur, pH, redox, verteringsenzymes)
▪ De maag kan de maag de wand van de parasiet gaan verteren waardoor die vrijkomt en makkelijk
opgenomen kan worden in de dunne darm
- Groei en voortplanting
o Afwezigheidd van noodzakelijke gastheer stimuli
o Gastheer immuun response -natuurlijke immuniteit
o Essentiële nutriënten

MECHANISMEN VAN INFECTIE

- Passief
o Via de voeding/drinkwater (cysten, eieren)
o Door direct contact (bv. Sommige protozoa)
- Actief
o Via vectoren (bijtend of zuigend)
o Speciale ontwikkelingsvormen (larven)
o Verticale transmissie (zelden)

OVERLEVING EN IMMUNITEIT

- Ectoparasieten; korte interactie, geen immuniteit
- Endoparasieten
o Intracellulair = immune avoidance
o Extracellulair = immune evasion
▪ Cel oppervlakte bedekken met gastheer eiwit
▪ Antigenische variatie
▪ Vorming van beschermende wand (cyste)

, Pagina 4 van 171

SCHADELIJKE EFFECTEN




- Species - Leeftijd (oude, jonge mensen)
- Infectiedruk - Voedingstoestand
- Lokalisatie - Immuuntoestand (zwangerschap)
- stadium - Fysiologische toestand




1. Wasting, spoliatie (direct, indirect)
2. Superinfecties (bacteriën die mee binnendringen
met parasiet)
3. Vorming van toxische producten
4. Immunosuppressie
5. Allergie en overgevoeligheid
6. Mechanische schade (druk, obstructie, migratie)
7. Irritatie (huid, organen)




Alles wordt bepaald door de infectiedruk, de meeste parasitaire infecties zijn subklinische (met evt verlies van productie),
als de druk te hoog is dan gaat de gastheer kunnen sterven.

Het paarse zijn de parasietfactoren: belangrijk zijn de species (komt later aan bod), de lokalisatie is van belang, vaak bij
parasieten die oraal worden opgenomen is de dunne darm van belang.

Het blauwe is de inbreng van de gastheer (verdediging), leeftijd is een factor die een rol speelt, vooral heel jonge mensen
of juist oude mensen hebben vaak een groter risico. De voedingstoestand van een dier, logisch bij ondervoedde dieren dat
het immuunsysteem ook niet optimaal werkt. De immuuntoestand bij bv. Mensen die leiden aan een auto-
immuunziekten. En de fysiologische toestand kan zijn bij drachtige dieren die een groter risico lopen.

In grijs zijn dan de mogelijke uitkomsten vooral als de parasiet de overhand aan het nemen is.




SYMPTOMEN EN ZIEKTE

- Subklinisch
o Gunstig voor de parasiet want de gastheer blijft bewoonbaar
o Kan wel leiden tot een verminderde productie → behandeling wel nodig
- Klinisch (parasite load, specifieke immuniteit, aspecifieke resistentie)
- GI: anorexie, diarree, constipatie, braken, anaemie,…
- Respiratoir: anorexie, niezen, hoesten, dyspnee, tachypnee,…
- Reproductie: steriliteit, abortus
- CZS: anorexie, convulsies, paralyse,…
- Vasculair: anorexie, oedeem, anemie,…
- Huid: jeuk, roodheid, korsten, alopecie,…
- Lever: koorts, anorexie, icterus, oedeem,…
- Organen: specifieke symptomen

, Pagina 5 van 171

LEVENSCYCLUS

Sommige parasieten hebben relatief complexe cycli:

- 1-4 opeenvolgende gastheren
- Afwisseling tussen ongewervelde en gewervelde gastheren
- Alternatie terrestriale en aquatic gastheren
- Horizontale en verticale transmissie mogelijkheden

Adaptatie op selectiedruk

- Maximale vruchtbaarheid
- Maximale overleving
 Ontwerpen van controle programma’s en evolutie verwantschap

TREMATODA (ZUIGWORMEN)

Deze soort komt veel voor bij vissen

ALGEMENE KENMERKEN

- Parasitair (6000 soorten) bij vertebraten- wereldwijde verspreiding
- Als adult of juveniel in diverse orgaansystemen (meestal GI en Resp.)
- Minstens 2 gastheren (indirecte cyclus) met verschillende generaties
- Botten (flukes): digenea
- Hoge specificiteit voor gastropode, 1e tussengastheer, lage specificiteit voor vertebraat eindgastheer of 2 e
tussengastheer (zoönoses als gevolg)
- Typisch in vochtige biotoop gelinkt aan zoet water

Morfologie

- Dorso-ventraal afgeplat, meestal 2 zuignappen, bladvorm
- Niet gesegmenteerd (cestodes hebben dat wel)
- Bilaterale symmetrie
- Coeloom, anus en circulatie systeem afwezig
- Excretie systeem op basis van vlamcellen
- Onvolledig digestie systeem
- Hermaphrodiet (geslachten niet gescheiden (uitzondering van de
schistosoma, wel gescheiden geslachten)

Trematode legt ongeveer 1400 eitjes per dag (=weinig). In de slak zelf gebeurt een aseksuele
vermeerdering, is wel een enorme vermeerdering. Ze hebben ook zuignappen voor vasthechting en oraal kunnen ze ook
voedsel opnemen. Ze hebben een cirrus dat een soort van penis is, met ook klieren en blaasjes. Het laurer’s kanaal staat
in verbinding met het buitenwereld waardoor spermatoïden naar binnen kunnen en voor het vrouwelijk geslachtsdeel
hebben ze een vitellineklier (eigeel) en mehlis’ klier. De trematoden doen niet aan zelfbevruchting.


EXTERNE STRUCTUUR: TEGUMENT
Lichaamswand (tegument)
Structuur - Syncitiële laag van cellen (levend)
- Celkernen tot in het parenchyma
- Nieuwvorming door aangroei vanuit het parenchyma
- Zeer snelle turn-over (T1/2= enkele uren)
Eigenschappen - Absorptie van laag moleculaire stoffen (AZ, suikers)
- Protease productie voor extracellulaire digestie
- Bescherming tegen externe invloeden

, Pagina 6 van 171

Adaptaties - Kleine orale zuignap: opname voedsel
- Grote ventrale zuignap (vasthechting + voortbeweging)
- Genitale zuignap (niet altijd aanwezig)- genitale porus
- Aanwezigheid van plooien, microvilli, stekels, tuberkels




Figuur 1 TG: tegument, BA-BL: basale laag, FI: fibreuze laag, CM: circulaire spierlaag, CL: longitudinale spierlaag, ST: subtegument cel

Belangrijk is het geneesmiddel praziquantel die zorgt voor inhibitie voor de vorming van syncitiële cellen (werkt goed op
de trematoden en cestoden).

Ze hebben in hun tegument verschillende plooien met harde haakjes/tuberkels, gaan daarmee de gastheer chronisch
irriteren en kan littekenweefsel gaan vormen door de irritatie dat dan de fibroblasten actief worden.


INTERNE STRUCTUREN: ORGANEN
Orgaan systeem Beschrijving
Zenuw - Slechts rudimentair aanwezig
- Soms eye-spots bij tussenstadia (schistosomules)- host finding
Vertering - Absorptie van voedingstoffen via 2 wegen
- Via tegument (meest belangrijk voor AZ en glucose)
- Via digestief stelsel: kleine pharynx en een blind-eindigende darm
(ceaca)
Uitscheiding - Gebaseerd op vlamcellen (protonephridia)
- Uitmondend in centraal kanaal – (kleine blaas) - excretieporus
Reproductie Alle hermaphrodiet, uitzondering schistosomes – kruisbevruchting is de regel
- Ovarium gescheiden van dooierklieren (vitelline klier: dooier als
voedselbron voor zygote)
- Aanwezigheid van receptaculum seminis
- Mehlis’klier: productie van lipoproteïnen (buitenwand van het ei):
tanning van eischalen
- Kanaal van Laurer: extra verbinding met de oppervlakte, rol bij
fertilisatie
- Testis: vas deferens- cirrus (in cirrusbuidel)

STANDAARD LEVENSCYCLUS

Alternatie van aseksuele vermeerdering in de (slak) invertebraat, gevolgd door sexuele vermeerdering in de vertebraat

1. Zygote: bevrucht ei verlaat de adulte vorm (ei met operculum)
2. Myracidium: gecilieerde (vrijlevende) larve, besmetting van slak (actief of passief)
a. 1+2 doen zich voor in de buitenwereld
b. Is gecilieerd: moet kunnen rondzwemmen (vochtig milieu) om slak te vinden want voeden zich dus
niet zelf
c. Kan zichzelf niet voeden, korte overlevingstijd, met snel gastheer vinden

, Pagina 7 van 171

3. Sporocyst: uitgroei van broedzak met germinale cellen (soms vorming van 2 e generatie sporocysten)
a. Gebeurt in de slak, ongeslachtelijke vermeerdering
4. Redia: larvaal tussenstadium met uitgroei van germinale cellen (redia stadium niet bij alle Digenea aanwezig)
(soms vorming van de dochtergeneraties)
a. 3+4 gebeurt in de slak: aseksuele vermenigvuldiging door sporocysten of rediën
b. Gebeurt in de slak, ongeslachtelijke vermeerdering
5. Cercaria: larve met staart die uiteindelijk naar de volwassen worm zal uitgroeien- reproductie organen reeds
partieel aanwezig- cercariën verlaten de slak actief
a. wordt door de slak uitgescheiden, die verlaten de slak actief
6. Metacercaria: infectieuze cystevorm – passieve infectie van eindgastheer // furcocercaria bij schistosoma:
actief infectie door penetratie van de huid

cercaria gaan aangetrokken worden door organisch materiaal, de
metacercariae heeft een dikke wand aangemaakt en zit op planten
en die goed kunnen overleven.

Metacercaria die ontstaan in een waterorganismen, dit is van
belang in voor landen waar mensen veel rauwe vis eten.

Er is ook een groep die rechtstreeks naar de gastheer gaat.




ontwikkelingsstadia




DIGENEA: SYSTEMATIEK




Figuur 2: informatief, de blauw gekleurde worden besproken

, Pagina 8 van 171

Digenea Gastheer localisatie Tussengastheer
species Eerste (gastropode) Metacercaria in
Family: Fasciolidae
Fasciola hepatica Schaap, rund, galgangen Lymnea- poelslak Metacercariae op
paard, mens waterplanten
Fascioloides magna Hert, (rund, schaap, parenchym
varken)
Belangrijk voor het examen

Rund, schaap, varken hebben geen patente cyclus want erratische gastheer, een blijvende circulatie in parenchym, zorgt
op die manier voor meer leverschade (normaal gat in galgang waardoor adulten van lever naar de gal gaan)


F. HEPATICA (LEVERBOT, FLUKE, DOUVE)
- Wereldwijde verspreiding
o Komt wel eens voor in plassen op de weide waar algengroei is
(ideale groeiplaats voor slakken)
- Groot economisch belang bij herkauwers
- Bladvorming met kegelvorming uiteinde
- Tegument met stekels
- Vertakte caece en testes
o Niet de mogelijkheid om te gaan bestrijden met praziquantel
want die werkt in op het tegument en die kunnen overleven op voeding vanuit de darm
- Sterk ontwikkelde vitellaria
- Dunschalige eieren
- Hun biotoop is vaak in semi-natte weiden, naast drinkbakken
- Niet gevoelig voor praziquantel
- Bij runderen vooral chronische infecties, bij schaap vaak acute




1. De immature eieren worden uitgescheden in galgangen en dan naar de darm via de feaces verlaat het lichaam van
de gastheer

Documentinformatie

Studie
Geüpload op
19 mei 2026
Aantal pagina's
171
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
$13.79

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
7
Volgers
0
Items
6
Laatst verkocht
3 maanden geleden



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen