Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Assurantie A Leven (2026)

Rating
-
Sold
-
Pages
92
Uploaded on
19-05-2026
Written in
2025/2026

Studiemateriaal voor Assurantie A Leven met uitgebreide behandeling van de Wet financieel toezicht (Wft) en inkomstenbelasting. De eerste twee hoofdstukken dekken financiële producten (eenvoudig, impactvol en complex), financiële instrumenten en diensten volgens de Wft, plus de classificatie van inkomsten in boxen onder de Wet IB 2001. Ideaal voor examenvoorbereiding en het begrijpen van regelgeving rond verzekeringen en belastingplicht voor natuurlijke personen.

Show more Read less
Institution
Course

Content preview

Samenvatting Tekstboek Assurantie A – Leven

Hoofdstuk 1: Wft en financiële producten

In de Wft wordt gesproken over financiële producten (1), financiële instrumenten (2) en financiële
diensten(3).

Voor financiële producten(1) is in de wettekst een artikel opgenomen. De Wft ziet de volgende
financiële producten: Beleggingsobject, betaalrekening, elektronisch geld, financieel instrument,
krediet, spaar- rekening, verzekering (geen herverzekering, premiepensioenvordering en bij AMVB
aangewezen. NB: bepaalde verzekerings- en kredietvormen vallen niet onder de Wft.

Financiële producten vallen uiteen in:
1. Eenvoudige Financiële producten (voor dienstverlening/vakbekwaamheid gelden andere eisen)
a. Betaalrekening
b. Spaarrekening (tenzij gekoppeld met rentevergoeding en koersontwikkeling)
c. Consumptief krediet tot € 1k.
2. Impactvolle financiële producten (specifieke eisen zorgplicht en vakbekwaamheid ivm potentiële
ingrijpende gevolgen voor klanten). Denk hierbij aan:
a. Creditcards
b. Hypothecair krediet & consumptief krediet boven € 1k.
c. Spaarrekening met koppeling rente en koers
d. Inkomensvervangende verzekeringen (bv. AOV en/of bij hypotheek)
e. Effectenkrediet
f. Levensverzekeringen (uitzondering van natura-uitvaart en tijdelijke overlijdenverzekering)
3. Complexe financiële producten (aard, gevolg en risico voor gemiddelde klant niet te overzien.
Hiervoor is een diepgaande analyse nodig). NB: complexe producten zijn altijd impactvol. Maar
gelden bovenop de eisen van impactvolle producten nog extra eisen van vakbekwaamheid en
zorgplicht. Denk voor complexe producten aan de volgende producten:
a. Combinatieproducten waarbij tenminste één afhankelijk is van ontwikkeling financiële
markt.
b. Aandelen of participaties in een beleggingsinstelling
c. Levensverzekering (uitzondering van natura-uitvaart en tijdelijke overlijdenverzekering).
Dit zijn spaar-, kapitaal- of lijfrenteverzekeringen.
d. Combinatiehypotheken (denk aan hypotheek in combinatie met levensverzekering of een
spaarrekening).
e. Beleggingsobjecten

Financiële instrumenten (2)  De instrumenten die de Wft noemt in dit kader zijn:
a. Effecten
b. Geldmarktinstrumenten
c. Recht van deelneming in een beleggingsinstellingen (fondsen)
d. Optie, future, swap of rentetermijncontracten op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen
e. Afgeleide instrumenten voor overdracht van kredietrisico
f. Financieel contract ter verrekening van verschillen.

Financiële diensten (3)  de diensten die de Wft noemt in dit kader zijn:
a. Aanbieden, adviseren, bemiddelen, optreden gevolmachtigde
b. Beheren, verlenen en/of verrichten van beleggingsinstellingen + activiteiten
c. Optreden als clearinginstelling
d. Herverzekeringsbeleggen.

Niet alle verzekerings- en kredietvormen vallen onder de Wft. Als aanbieders deze vormen aanbieden
vallen ze niet onder de Wft en hebben ze ook geen vergunning nodig van de DNB en/of AFM.

1. Verzekeringsvormen die niet onder de Wft vallen, zijn de volgende:
f. Het verzekeringsproduct is een aanvulling op een goed of dienst en verzekert de risico
van of rond het product.
g. De jaarpremie (ook pro rato) is net hoger dan 600 euro
h. Als de verzekering een aanvulling is op een dienst met een duur van drie maanden of
korter en het bedrag van de premie per persoon is niet hoger dan 200 euro.
VB: aflopende reis- en/of annuleringsverzekeringen afgesloten via reisbureau, fietsverzekering via
fietsenmaker, garantieverzekering bij een wasautomaat via elektronicawinkel (betreffen aanvullingen).
2. Kredietvormen die niet onder de Wft vallen, zijn de volgende:
i. Kredietverleningen door de overheid (gemeentelijke sociale dienst / UWV etc.)
j. Kredieten op basis van huuroverkomst, op zachte voorwaarden (bv werkgever) of korte
dan 3 maanden.
k. Beleningen genoemd in de pandhuiswet.
1

,Samenvatting Tekstboek Assurantie A – Leven

Hoofdstuk 2: Inkomstenbelasting

De wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) belast het inkomen van natuurlijke personen. Dit zijn
particulieren en ondernemers die hun onderneming niet als rechtspersoon drijven. Als zij hun
onderneming in een rechtspersoon drijven is er geen inkomstenbelasting verschuldigd, maar
vennootschapsbelasting. Bepaalde uitgaven mogen van het inkomen worden afgetrokken. De meeste
aftrekposten worden vaak samengevoegd in een persoonsgebonden aftrek.

De soorten inkomens worden ingedeeld in drie boxen. Iedere box kent eigen regels voor
belastingheffing. Verliezen in een bepaalde box kunnen bijvoorbeeld ook alleen verrekend worden met
een positief inkomen in dezelfde box. De gezamenlijke heffing uit alle drie de boxen heet ook wel de
gecombineerde inkomensheffing. De belastingplichtige mag hier heffingskortingen die voor hem van
toepassing zijn hiervan aftrekken. Dit resulteert in een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting.
Hier worden eventuele voorheffingen nog in mindering op gebracht. Denk aan de loonbelasting of
dividendbelasting.

Levenspartners en minderjarige kinderen worden voor de inkomstenbelasting als automatische
partners gezien. Dit brengt voordelen met zich mee, omdat zij inkomensbestanddelen naar wens
onderling mogen verdelen.

Als je volgens IB 2001 belastingplichtig bent betekent dit niet automatisch dat je ook belastingschuldig
bent. Dit ben je pas als je daadwerkelijk belasting moet betalen. Denk aan de gevallen dat iemand niet
genoeg verdiend om daadwerkelijk belasting daarover te betalen. De wet kent 2 soorten
belastingplichten. Dit is namelijk afhankelijk van de woonplaats van de belastingplichtige. Je hebt.

1. Binnenlandse belastingplichtigen  Dit zijn natuurlijk personen die in Nederland wonen. Dit
wil zeggen hun fiscale woonplaats in Nederland hebben. Het (wereld)inkomen dat zij
verdienen wordt volgens het Nederlandse stelsel belast. Er wordt hiervoor gekeken waar
iemand duurzaam gevestigd is. Hiervoor wordt gekeken naar diverse factoren, denk aan:
woonplaats gezin (belangrijkste, sociale banden, economische banden.) Het kan dus
voorkomen als je werkelijk niet in Nederland woon (bv. Doordeweeks) dat je toch in Nederland
belasting verschuldigd bent, omdat je gezin in Nederland woon. Dit zelfde geldt voor personen
die al hun inkomen verdienen over de grens, maar in Nederland wonen. Maar dit geldt ook
voor personen die tijdelijk Nederland verlaten en binnen 1 jaar terugkeren, bemanningsleden
van schip met Nederlandse thuishaven en een diplomatieke werknemer met NL nationaliteit.
NB: Plicht begint bij geboorte of immigratie en eindigt bij overlijden of emigratie.
2. Buitenlandse belastingplichtigen  Personen die niet in Nederland wonen, maar wel
bepaalde in de wet genoemde inkomsten uit Nederland ontvangen zijn in Nederland
buitenlands belastingplichtig voor dit inkomen. NB: sommige buitenlands belastingplichtigen
worden in bepaalde gevallen voor hun inkomen in Nederland automatisch als binnenlands
belastingplichtigen beschouwd. Dit is zo als zij woonachtig zijn in de EU, de EER, Zwitserland
of de BES eilanden én als zij 90% of meer van hun inkomen in Nederland aan de inkomsten-
of loonbelasting is onderworpen. Bij niet voldoen is de behandeling als binnenlands
belastingplichtige niet mogelijk.

Als een persoon in een land woon en in een ander land werkt is het in de regel zo dat er sprake is van
een dubbele belastingheffing. Dit wordt voorkomen door belastingverdragen met diverse landen
afgesloten met Nederland. Als zo’n verdrag niet is overeengekomen heeft Nederland het ‘besluit
voorkoming dubbele belasting’ om dit te voorkomen. In deze verdragen en/of besluit is
overeengekomen aan welk land de heffing wordt toegewezen. Vaak is dit het land waar het inkomen
wordt verdiend. Denk aan de werknemer die woon in Nederland, maar zijn inkomen verdiend in
Duitsland. De belastingheffing wordt dan toegewezen aan Duitsland.

Het Boxenstelsel

Het inkomen wordt in de wet IB 2001 ingedeeld in drie categorieën. Dit is het boxenstelsel.
Box 1  Belastbaar inkomen uit werk en woning
Box 2  Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Box 3  Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Niet iedere activiteit die in een bepaalde box valt leidt direct tot belastbaar inkomen. Er zijn
vrijstellingen. Ook is er pas sprake van inkomen als er bij een activiteit sprake is van deelname aan
het economisch en maatschappelijk verkeerd en als er wordt beoogd voordeel te behalen dat
redelijkerwijs te verwachten is. Denk aan activiteiten voornamelijk in de privé sfeer en verkoop hiervan
om de kosten beetje te drukken. Iedere box kent zijn eigen regels en vaststellingen. Valt een bepaald
inkomen niet in één van de boxen dan valt dit buiten de heffing van de inkomstenbelasting.
2

,Samenvatting Tekstboek Assurantie A – Leven

Box 1: Belastbaar inkomen uit werk en woning  Hier gaat het om inkomen uit werk en woning,
verminderd met verrekenbare verliezen in deze box. Het inkomen bestaat uit de volgende onderdelen:
- De belastbare winst uit onderneming
- Het belastbaar loon
- Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
- Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
- Belastbare inkomsten uit eigen woning
- Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
- Negatieve persoonsgeboden aftrekposten
De volgende posten mogen hiervan worden afgetrokken:
- Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
- Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
- De persoonsgebonden aftrek

Box 2: Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang  Dit is het inkomen uit aanmerkelijk belang
verminderd met verrekenbare verliezen uit aanmerkelijk belang. Er is slechts sprake van een
aanmerkelijk belang in een aantal specifiek in de wet omschreven gevallen. Bekendste voorbeeld is
dat iemand eigenaar is van 5% of meer van de aandelen in het BV. Het aanmerkelijk belang bestaat
dan uit het resultaat van de vervreemdingsvoordelen (verkoopwinst) en reguliere voordelen (dividend)
verminderd met de persoonsgebonden aftrek waarvan aftrek niet mogelijk is in box 1 & 3. In box 2 zijn
er 2 schijven. Basistarief van 24,5% voor eerste 68k en tarief voor 31% voor meerdere hiervan.

Box 3: Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen  Dit wordt bepaald door het voordeel uit sparen
en beleggen te verminderen met de iet in box 1 afgetrokken persoonsgebonden aftrek. Het voordeel
wordt bepaald door jaarlijks een forfaitair rendement toe te rekenen aan de grondslag sparen en
beleggen. Dit is de rendementsgrondslag – heffingsvrij vermogen. De rendementsgrondslag wordt
berekend door de waarde van de schulden in mindering te brengen op de waarde van de bezittingen.
De waarden worden bepaald op 1 januari. Moet alle bezittingen zijn relevant voor de rendements-
grondslag (eigen woning + eigenwoning schuld). De meest voorkomende bezittingen zijn spaargeld,
beleggingen, onroerend goed, contant geld en crypto. NB: van de bezittingen zijn tot een bepaalde
hoogte groene beleggingen (op den duur komt dit te vervallen) en uitvaartverzekeringen vrijgesteld.
Schulden in box 3 zijn o.a. Schulden voor consumptieve doeleinden, negatief saldo betaalrekening,
schulden voor financiering 2de woning of ander onroerende zaken, studieschuld op grond van wet
studiefinanciering. NB: voor schulden is wel de doelmatigheidsregeling van toepassing. Om de
schulden af te mogen trekken van de bezittingen moeten de schulden wel hoger zijn dan €3,8k en als
sprake is van een fiscale partner €7,6k.

Voor Box 3 is ook het heffingsvrij vermogen relevant. Dit is ongeveer € 57,7k per fiscaal partner. Het
tarief voor Box 3 bedraagt 36%. In het boek wordt een voorbeeld uitgewerkt. Voor examen weten!

Nieuw box-3 stelsel  Vanaf 2028 komt er een nieuw stelsel voor Box 3. Dan gaan mensen
belasting betalen oer het werkelijke rendement op vermogen. Tot 2028 wil het kabinet de belasting op
vermogen beter verdelen met een overbruggingsregeling. De belastingdienst rekent met de echte
verdeling van spaargeld en beleggingen en rekent (nog wel) met een vast % waar men belasting over
betaald. Dit wordt tot 2028 jaarlijks geactualiseerd. 2025: banktegoed (1,44%), beleggingen en andere
bezittingen (5,88%), schulden (2,62%). Dit wordt nu al gebruikt bij de inkomstenbelasting.

De nieuwe box-3 regelingen wordt eerlijker en worden mensen daadwerkelijk belast naar hun
bezittingen. Als je alleen rente over spaargeld hebt wordt je minder belast, dan als je aandelen e.d.
bezit. Hiervoor is een voorstel ingediend wat wel even tijd nodig heeft zodat alle betrokken instantie
ook aanpassingen kunnen doorvoeren.

De HR heeft op 24-12-2021 geoordeeld dat de huidige belastingheffing in box-3 in strijd is met het
EVRM. Voor de jaren 2017 tot en met 2022 heeft het kabinet belastingplichtigen daarom rechtsherstel
geboden. Het kabinet heeft gekozen voor een ruime doelgroep én belastingplichtigen kunnen hierom
verzoeken met een ambtshalve vermindering met het formulier opgaaf werkelijk rendement. Als blijkt
dat sprake is dat het werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement dat krijgen de
belastingplichtigen een vermindering van de belastingheffing met terugwerkende kracht. De HR heeft
verder nog aangegeven wat gezien kan worden als vermogensbestanddelen onder Box-3.
Bijvoorbeeld dat ongerealiseerde waardeveranderingen ook behoren tot het werkelijk rendement. Het
verzoek moet bovendien binnen het 5-jaarstermijn worden ingediend.

Schematische uitwerking van boxenstelstel  In het boek wordt het boxenstelsel schematisch
uiteengezet. De inkomensbestanddelen worden hierbij afgezet tegen de aftrekposten per Box. Dit leidt
per box tot een belastbaar inkomen per thema.

3

, Samenvatting Tekstboek Assurantie A – Leven


Verzamelinkomen

Bij de berekening van enkele heffingskortingen is het verzamelinkomen van belang. Dit is het
gezamenlijke bedrag van het inkomen uit alle boxen (1,2 &3). Eventuele verrekenbare verliezen uit
box 1 en 2 worden niet meegenomen bij de berekening van het verzamelinkomen. Bij partners wordt
uitgegaan van het gezamenlijke verzamelinkomen. Bij enkele persoonsgeboden aftrekposten geldt
een drempel. Dit is een bedrag dat niet aftrekbaar is. Dit wordt in de regel berekend door een
percentage te nemen van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.

De persoonsgebonden aftrek

Dit is een bedrag dat in een kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden
aftrekposten én de eventuele gedeelte van de afgelopen jaren dat niet eerder is afgetrokken. De
persoonsgebonden aftrekposten zijn (7):
- Betaald partneralimentatie - Giften
- Uitgave voor specifieke zorgkosten - Onderhoudskosten rijksmonument
- Studiekosten en andere scholingsuitgaven - Lening aan startende ondernemer
- Uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten

De persoonsgebonden aftrek komt in mindering op de inkomensbestanddelen in Box 1, dus voor de te
verrekenen verliezen in box 1 en vóór de heffing in Box 1. Het inkomen in box 1 kan niet negatief
worden. Een eventueel restant wordt doorgezet naar Box 3. Ook dit kan niet negatief worden. Als er
dan nog restanten zijn dan gaat dit naar box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang). Als er dan nog
restanten zijn dan wordt dit gezien als persoonsgebonden aftrek van het volgende jaar. NB: omdat een
inkomen niet negatief kan worden, vindt er een doorverrekening plaatst met een andere box. NB: Bij
fiscaal partnerschap kan persoonsgebonden aftrek verdeeld worden. De verdeling gaat vooraf aan de
verdeling bij elk van hen over hun inkomens in de drie boxen.

Tariefcorrectie voor Box 1  Een groot aantal aftrekbare kosten (breder dan persoonsgebonden
aftrekposten) kan ‘slechts’ tegen een maximale tarief worden afgetrokken. Dit wordt afgebouwd
gedurende de jaren. In 2025 bedraagt dit maximale aftrekpercentage 37,48%. Voor veel aftrekposten
geldt deze tariefcorrectie:
- Ondernemersaftrek en mkb-winstvrijstelling ondernemers -Weekenduitgave gehandicapten
- Uitgave onderhoudsverplichtingen (alimentatie) -scholingsuitgaven
- Uitgave eigen woning (rente) -aftrekbare giften
- Uitgave specifieke zorgkosten -restant persoonsgebonden budget
- Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
NB: aftrekposten voor oudedagsvoorzieningen, lijfrentepremie(s) en AOV-verzekeringen vallen niet
onder de afbouw van het maximale aftrekpercentage. Dus volledig worden afgetrokken van inkomen.

Berekening van de totaal te betalen inkomstenbelasting

De totale inkomensbelasting wordt bepaald door 3 stappen te doorlopen:
1. Je doorloopt 3 boxen en daaruit volgt per box door het belastbaar inkomen met het toepasbare
tarief te belasten een inkomensheffing per box. Samen resulteert dit in een gecombineerde
inkomensheffing. Dus voor alle 3 de boxen gezamenlijk.
2. Op deze gecombineerde heffingskorting wordt de standaardheffingskorting toegepast. Dit
resulteert in een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting.
3. Dit verschuldigde bedrag aan inkomensbelasting wordt verminderd met eventueel al betaalde
voorlopige aanslagen en voorheffingen. Dit resulteer dan weer in het werkelijk te betalen bedrag
aan inkomstenbelasting.

Tarieven  In Nederland zijn 2 tariefsoorten te onderscheiden.
- Progressief: tarief stijgt naarmate het belastbare bedrag hoger wordt
- Proportioneel: tarief is onafhankelijk van de grootte van het belastbare bedrag.

Nederland heeft in Box 1 (Geldend voor bijna iedereen) een tarief dat stijgt naarmate het inkomen
hoger wordt. Een schijvenstelsel. Door in box 1 een tariefcorrectie toe te passen (zie eerder) wordt het
fiscaal voordeel die de belastingplichtigen hebben bet het belastbaar inkomen in de hoogste schaal
beperkt. Zij hebben vaak hoge aftrekposten, die anders voor het maximale bedrag afgetrokken
hadden mogen worden.
Wet Hillen  Wanneer iemand geen of weinig rente betaald omdat hij geen of een kleine
woningschuld heeft dan is het eigenwoningforfait (kleine bijtelling op eigen woning afh. WOZ waarde
bij belastbaar inkomen) meestal hoger dan de aftrekbare kosten voor de eigen woning (rente). In dat
geval is er recht op belastingaftrek. NB: Deze belastingaftrek wordt gedurende de jaren afgebouwd.
4

Written for

Course

Document information

Uploaded on
May 19, 2026
Number of pages
92
Written in
2025/2026
Type
SUMMARY

Subjects

$12.91
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
MiClubby NIBE - SVV
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
15
Member since
7 months
Number of followers
0
Documents
10
Last sold
1 month ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions