Samenvatting
VZC (M. DE WINTER)
1. VITALE FUNCTIES EN VITALE PARAMETERS
1.1. Vitale functies
§ Ze zorgen ervoor dat we in leven blijven
§ Worden anders gedefinieerd naargelang de zorgsituatie waarin ze worden beoordeeld:
o In het kader van levensreddend handelen
o (basic life support & advanced life support)
§ Functies waarvan uitval/stoornissen -> levensbedreigende situatie
o In de klinische situatie
§ Lichamelijke functies die door het CZS worden gereguleerd en die van
essentieel belang zijn voor het goed functioneren vh lichaam
1.2. Vitale parameters
§ Monitoren van vitale functies gebeurt door het meten van de vitale parameters
1.2.1. Soorten
§ De 5 belangrijkste vitale parameters zijn:
o Lichaamstemperatuur
o Pols
o Bloeddruk
o Ademhaling (en zuurstofsaturatie)
o Bewustzijn
§ Beleving van de pijn (mogelijks 6e parameter)
§ Vitale parameter = veranderlijke grootheid en wordt uitgedrukt in eenheden
1.2.2. B1-handeling
§ Observeren & beoordelen van de vitale parameters = B1-handeling
§ Verpleegkundige handeling, waarbij geen voorschrift van de arts nodig is
1.2.3. Belang
§ Nauwkeurig & regelmatig meten én interpreteren vn VP is een fundamentele VPK taak
o Vroegtijdig een mogelijke achteruitgang van de toestand te herkennen
+
Vroegtijdig te handelen
§ tijdig opmerken belangrijke veranderingen -> verdere achteruitgang (adverse event)
vermijden
1
, § in 1997: Early Warning Score (EWS)
o waarschuwingssysteem om een circulatiestilstand te voorkomen
o helpt in het ordenen van de VP
o biedt vpkigen ondersteuning bij het nemen van beslissingen
o exacte inhoud vd scoretabel verschilt per instelling
o volgende parameters worden steeds opgenomen
§ ademhalingsfrequentie
§ hartfrequentie
§ systolische bloeddruk
§ bewustzijn
§ lichaamstemperatuur
o elke parameter krijgt een score van –3 tot +3
o ook pijn, zuurstofsaturatie & buikgevoel van de zorgverlener w opgenomen
o een hogere score wijst op een hogere graad van vitale bedreiging
2. LICHAAMSTEMPERATUUR
2.1. Kern en schil
§ Lichaamstemperatuur = afspiegeling van de warmte-inhoud van het lichaam
§ Inwendige organen en skeletspieren zorgen voor productie van warmte
§ In rust:
o Organen in thorax en abdomen (56%)
o Hersenen (16%)
o Spieractiviteit (18%)
§ Temperatuur niet overal gelijk in ons lichaam
o Varieert afhankelijk van de plaats waar er gemeten wordt
§ Mbt thermoregulatie wordt het lichaam onderverdeeld in 2 gebieden:
o De interne kern
§ Buik-, borst- en schedelholte
§ Relatief cte kerntemperatuur (de eigenlijke lichaamstemperatuur)
o De externe schil
§ Bevindt zich meer distaal
§ Kan variëren in temperatuur, afhankelijk van de omgeving
§ Actieve organen verwarmen het bloed (vooral de lever)
§ Verschil tss de kerntemperatuur & schiltemperatuur = DELTA-TEMPERATUUR (5-6°C)
Hoge deltatemperatuur Lage deltatemperatuur
Lage huiddoorbloeding Hoge huiddoorbloeding
Bleke en koude huid Rode en warme huid
§ Menselijk lichaam = homiotherm (temperatuur w geregeld binnen nauwe grenzen)
§ Het is van vitaal belang dat de lichaamstemperatuur constant w gehouden
o = thermoregulatie
§ Warmteverlies via de huid gaat op 4 manieren:
o Straling/radiatie: lichaam straalt voortdurend warmte uit, tenminste als de omgeving
koeler is dan de huid
2
, o Verdamping: vloeistof wordt omgezet naar gas
o Geleiding: warmteoverdracht tss 2 lichamen met een verschillende temperatuur
• Vb. zorgvrager en koude operatietafel
2.2. Thermoregulatiesysteem
§ Onze lichaamstemperatuur w constant gehouden door een continu feedbacksysteem
§ Deze homeostatische functie gebeurt door:
o Thermoregulatiecentrum in de hypothalamus
o Hypothalamus = de thermostaat van ons lichaam
§ Referentiewaarde, set-point voor de kerntemperatuur (37°C)
§ Hoe wordt de warmteproductie aangepast?
o Thermosensoren (voorste deel van de hypothalamus + perifeer in de huid)
§ Registreren de temperatuur vh bloed thv de kern & schil
§ Vergelijken deze waarde met het setpoint
§ Geven via het ruggenmerg signalen door aan de hypothalamus
o Hypothalamus
§ Reageert op deze temperatuursveranderingen
§ Geeft impulsen af aan de hypofyse & hersenstam, hersenschors
2.2.1. Situatie 1: daling van de temperatuur
§ Stijging van warmteproductie = thermogenese
o Via efferente somatische banen wordt de spiertonus geactiveerd
§ Onwillekeurige bewegingen: rillen, huiveren, klappertanden
o Het metabolisme – de stofwisseling in de cellen wordt geactiveerd oiv hormonen
§ Meer warmte wordt geproduceerd
§ Daling van warmteverlies
o Hypothalamus stimuleert de sympaticus
§ Veroorzaak VC van de bloedvaten in de huid
§ Warme bloed stroomt niet langer door de huid
• Persoon vertoont een bleke huid
• Donshaartjes gaan rechtop staan (pilo-erectie)
• Kippenvel
§ Warmte wordt tss de haartjes vastgehouden -> isolerend luchtlaagje
§ Pilo-erectie + VC zorgen ervoor dat er minder warmte wordt afgegeven aan de
koude omgeving
o Door activatie van hersenschors -> bewustzijn dat de omgeving te koud is
§ Reageren we verstandelijk op afkoeling
§ Spieractiviteit opvoeren, extra kledij, verwarming verhogen…
2.2.2. Situatie 2: stijging van de temperatuur
§ Daling van de warmteproductie
o Door activatie van de hersenschors -> bewustzijn dat de omgeving te warm is
§ Reageren we verstandelijk op opwarming
3
, § Voedselinname beperken, inspanning vermijden…
§ Stijging van warmteverlies
o Oiv de sympaticus
§ Zweetklieren worden gestimuleerd tot afgifte van vocht (transpiratie)
§ Door verdamping van dit vocht neem het warmteverlies toe
o Door activatie van de hersenschors -> bewustzijn dat de omgeving te warm is
§ Reageren we verstandelijk op opwarming
§ Kledij uittrekken, koud water drinken, zwemen, ventilator aan…
o De invloed van de sympaticus valt terug en de bloedvaten in de huid naar VD
§ Warmte vanuit de kern wordt in de richting van het lichaamsopp. Geleid
2.3. Meten van de lichaamstemperatuur
2.3.1.Rectaal
§ Temperatuur wordt gemeten in het rectum
§ + Rectale temperatuur = reflectie vd kerntemperatuur (goede maat lichaamstemperatuur)
§ - meting duurt lang, weinig hygiënisch, oncomfortabel, onnodig intiem
2.3.2.Oraal
§ Temperatuur wordt sublinguaal gemeten
§ Meetwaarden liggen ongeveer 0,3 – 0,6 °C lager
§ + makkelijke wijze
§ - kost relatief veel tijd
§ - resultaat kan beïnvloed worden door: - inname van warme/koude dranken
- kauwgom
- roken
- mondademhaling
- plaatselijke infectie
2.3.3. Axillair
§ Temperatuur wordt gemeten onder de oksel
§ Meetwaarden kunnen tot 0,5°C onder de kerntemperatuur vallen
§ + manier is weinig belastend
§ - vertoont variabiliteit
§ - uitslag is gevoelig voor: - lokale huiddoorbloeding
- zweetsecretie
- omgevingstemperatuur
2.3.4. Tympaan of auraal
§ Temperatuur wordt gemeten in het oor (thv trommelvlies)
§ Oor-thermometer meet de infraroodstraling die door het trommelvlies en de omliggende
weefsels wordt afgegeven
§ Variabiliteit vd meetwaarden (0,5-0,7°C lager dn kerntemperatuur) maar klinisch acceptabel
§ + het resultaat is na enkele seconden al bekend
§ - moet in de juiste positie gebracht worden alvorens te kunnen meten
§ - resultaat kan beïnvloed worden dr afsluiting vn gehoorgang dr hoorapparaat of koptelefoon
4
VZC (M. DE WINTER)
1. VITALE FUNCTIES EN VITALE PARAMETERS
1.1. Vitale functies
§ Ze zorgen ervoor dat we in leven blijven
§ Worden anders gedefinieerd naargelang de zorgsituatie waarin ze worden beoordeeld:
o In het kader van levensreddend handelen
o (basic life support & advanced life support)
§ Functies waarvan uitval/stoornissen -> levensbedreigende situatie
o In de klinische situatie
§ Lichamelijke functies die door het CZS worden gereguleerd en die van
essentieel belang zijn voor het goed functioneren vh lichaam
1.2. Vitale parameters
§ Monitoren van vitale functies gebeurt door het meten van de vitale parameters
1.2.1. Soorten
§ De 5 belangrijkste vitale parameters zijn:
o Lichaamstemperatuur
o Pols
o Bloeddruk
o Ademhaling (en zuurstofsaturatie)
o Bewustzijn
§ Beleving van de pijn (mogelijks 6e parameter)
§ Vitale parameter = veranderlijke grootheid en wordt uitgedrukt in eenheden
1.2.2. B1-handeling
§ Observeren & beoordelen van de vitale parameters = B1-handeling
§ Verpleegkundige handeling, waarbij geen voorschrift van de arts nodig is
1.2.3. Belang
§ Nauwkeurig & regelmatig meten én interpreteren vn VP is een fundamentele VPK taak
o Vroegtijdig een mogelijke achteruitgang van de toestand te herkennen
+
Vroegtijdig te handelen
§ tijdig opmerken belangrijke veranderingen -> verdere achteruitgang (adverse event)
vermijden
1
, § in 1997: Early Warning Score (EWS)
o waarschuwingssysteem om een circulatiestilstand te voorkomen
o helpt in het ordenen van de VP
o biedt vpkigen ondersteuning bij het nemen van beslissingen
o exacte inhoud vd scoretabel verschilt per instelling
o volgende parameters worden steeds opgenomen
§ ademhalingsfrequentie
§ hartfrequentie
§ systolische bloeddruk
§ bewustzijn
§ lichaamstemperatuur
o elke parameter krijgt een score van –3 tot +3
o ook pijn, zuurstofsaturatie & buikgevoel van de zorgverlener w opgenomen
o een hogere score wijst op een hogere graad van vitale bedreiging
2. LICHAAMSTEMPERATUUR
2.1. Kern en schil
§ Lichaamstemperatuur = afspiegeling van de warmte-inhoud van het lichaam
§ Inwendige organen en skeletspieren zorgen voor productie van warmte
§ In rust:
o Organen in thorax en abdomen (56%)
o Hersenen (16%)
o Spieractiviteit (18%)
§ Temperatuur niet overal gelijk in ons lichaam
o Varieert afhankelijk van de plaats waar er gemeten wordt
§ Mbt thermoregulatie wordt het lichaam onderverdeeld in 2 gebieden:
o De interne kern
§ Buik-, borst- en schedelholte
§ Relatief cte kerntemperatuur (de eigenlijke lichaamstemperatuur)
o De externe schil
§ Bevindt zich meer distaal
§ Kan variëren in temperatuur, afhankelijk van de omgeving
§ Actieve organen verwarmen het bloed (vooral de lever)
§ Verschil tss de kerntemperatuur & schiltemperatuur = DELTA-TEMPERATUUR (5-6°C)
Hoge deltatemperatuur Lage deltatemperatuur
Lage huiddoorbloeding Hoge huiddoorbloeding
Bleke en koude huid Rode en warme huid
§ Menselijk lichaam = homiotherm (temperatuur w geregeld binnen nauwe grenzen)
§ Het is van vitaal belang dat de lichaamstemperatuur constant w gehouden
o = thermoregulatie
§ Warmteverlies via de huid gaat op 4 manieren:
o Straling/radiatie: lichaam straalt voortdurend warmte uit, tenminste als de omgeving
koeler is dan de huid
2
, o Verdamping: vloeistof wordt omgezet naar gas
o Geleiding: warmteoverdracht tss 2 lichamen met een verschillende temperatuur
• Vb. zorgvrager en koude operatietafel
2.2. Thermoregulatiesysteem
§ Onze lichaamstemperatuur w constant gehouden door een continu feedbacksysteem
§ Deze homeostatische functie gebeurt door:
o Thermoregulatiecentrum in de hypothalamus
o Hypothalamus = de thermostaat van ons lichaam
§ Referentiewaarde, set-point voor de kerntemperatuur (37°C)
§ Hoe wordt de warmteproductie aangepast?
o Thermosensoren (voorste deel van de hypothalamus + perifeer in de huid)
§ Registreren de temperatuur vh bloed thv de kern & schil
§ Vergelijken deze waarde met het setpoint
§ Geven via het ruggenmerg signalen door aan de hypothalamus
o Hypothalamus
§ Reageert op deze temperatuursveranderingen
§ Geeft impulsen af aan de hypofyse & hersenstam, hersenschors
2.2.1. Situatie 1: daling van de temperatuur
§ Stijging van warmteproductie = thermogenese
o Via efferente somatische banen wordt de spiertonus geactiveerd
§ Onwillekeurige bewegingen: rillen, huiveren, klappertanden
o Het metabolisme – de stofwisseling in de cellen wordt geactiveerd oiv hormonen
§ Meer warmte wordt geproduceerd
§ Daling van warmteverlies
o Hypothalamus stimuleert de sympaticus
§ Veroorzaak VC van de bloedvaten in de huid
§ Warme bloed stroomt niet langer door de huid
• Persoon vertoont een bleke huid
• Donshaartjes gaan rechtop staan (pilo-erectie)
• Kippenvel
§ Warmte wordt tss de haartjes vastgehouden -> isolerend luchtlaagje
§ Pilo-erectie + VC zorgen ervoor dat er minder warmte wordt afgegeven aan de
koude omgeving
o Door activatie van hersenschors -> bewustzijn dat de omgeving te koud is
§ Reageren we verstandelijk op afkoeling
§ Spieractiviteit opvoeren, extra kledij, verwarming verhogen…
2.2.2. Situatie 2: stijging van de temperatuur
§ Daling van de warmteproductie
o Door activatie van de hersenschors -> bewustzijn dat de omgeving te warm is
§ Reageren we verstandelijk op opwarming
3
, § Voedselinname beperken, inspanning vermijden…
§ Stijging van warmteverlies
o Oiv de sympaticus
§ Zweetklieren worden gestimuleerd tot afgifte van vocht (transpiratie)
§ Door verdamping van dit vocht neem het warmteverlies toe
o Door activatie van de hersenschors -> bewustzijn dat de omgeving te warm is
§ Reageren we verstandelijk op opwarming
§ Kledij uittrekken, koud water drinken, zwemen, ventilator aan…
o De invloed van de sympaticus valt terug en de bloedvaten in de huid naar VD
§ Warmte vanuit de kern wordt in de richting van het lichaamsopp. Geleid
2.3. Meten van de lichaamstemperatuur
2.3.1.Rectaal
§ Temperatuur wordt gemeten in het rectum
§ + Rectale temperatuur = reflectie vd kerntemperatuur (goede maat lichaamstemperatuur)
§ - meting duurt lang, weinig hygiënisch, oncomfortabel, onnodig intiem
2.3.2.Oraal
§ Temperatuur wordt sublinguaal gemeten
§ Meetwaarden liggen ongeveer 0,3 – 0,6 °C lager
§ + makkelijke wijze
§ - kost relatief veel tijd
§ - resultaat kan beïnvloed worden door: - inname van warme/koude dranken
- kauwgom
- roken
- mondademhaling
- plaatselijke infectie
2.3.3. Axillair
§ Temperatuur wordt gemeten onder de oksel
§ Meetwaarden kunnen tot 0,5°C onder de kerntemperatuur vallen
§ + manier is weinig belastend
§ - vertoont variabiliteit
§ - uitslag is gevoelig voor: - lokale huiddoorbloeding
- zweetsecretie
- omgevingstemperatuur
2.3.4. Tympaan of auraal
§ Temperatuur wordt gemeten in het oor (thv trommelvlies)
§ Oor-thermometer meet de infraroodstraling die door het trommelvlies en de omliggende
weefsels wordt afgegeven
§ Variabiliteit vd meetwaarden (0,5-0,7°C lager dn kerntemperatuur) maar klinisch acceptabel
§ + het resultaat is na enkele seconden al bekend
§ - moet in de juiste positie gebracht worden alvorens te kunnen meten
§ - resultaat kan beïnvloed worden dr afsluiting vn gehoorgang dr hoorapparaat of koptelefoon
4