VERGELIJKING
Geef de range van deze dingen:
CAMP: Central Atlantic Magmatic Province: Laat Trias-vroeg jura
FAD anisograptiden: vroege graptoliet: vroeg Ordovicium (Tremadociaan)
Charnia (Ediacaraan): ediacaraan, 635-542Ma
Calvapilosa fugeri: uit Fezouata Fauna, Ordovicium (Tremadociaan)
LAD orthida. LAD=latest apperance datum, laat Perm
Synrhabdosomen: graptolieten: Ordovicum-Siluur
Chondrichtyes: kraakbeenvissen (haaien en rooggen): Ordovicium – Recent,
radiatie = Carboon
Nummelites gizehensis: foraminifeer: Eoceen
Doushantua fauna: vroegste bewijezn metazoa: Ediacariaan
Rudist: rifbouwende bivalve: Krijt
archaeocyatha riffen cambrium – Ordovicium
uitsterven laatste conodonten: Trias
Conodont: Cambrium-Trias
Echinoderm, blastoidea: Ordovicium-perm, grootste diversiteit in carboon
Onderkaak rund: moderene zoogdieren: Pleistoceen - recent
Irregulaire echinoidea: Jura-recent
Steen met brachipoden: Cambrium – recent, piekdiversiteit in paleozoicum
Kl demospongia: proterozoicum-nu
Stromatoporen: Ordovicium - Devoon
HExactinellida: Camrbium – recent
Kl. Calcera: Cambrium – recent
FAD planktonische forams: Jura/krijt
Aegirocassis benmoulai: Ordovicium (Tremadociaan)
Zoetwater Ostracoden: Devoon-Recent
Bloeiperiode placodermi: devoonse vissen: Devoon
Acanthostega: Laat Devoon
Cyconodont: synapsida, zoogdierachtig reptiel: Laat perm – Jura
Pelycosauriers: synapsida, zoogdierachtig reptiel: Laat Carboon – vroeg Perm
Dickinsonia: Ediacaraan
Euripterida: Ordovicium – Perm, piekdiversiteit in Siluur -Devoon
,H1-H2: TAXONOMIE, SYSTEMATIEK
Wat is de common-cause hypothese?
= waargenomen correlaties tussen biodiversiteit en andere factoren in het
fossielenbestand niet noodzakelijk een direct causaal verband hebben, maar
veroorzaakt worden door één gemeenschappelijke onderliggende factor (“common
cause”).
twee patronen lijken elkaar te beïnvloeden, maar worden in werkelijkheid beide
gestuurd door dezelfde externe oorzaak
voorbeelden van common causes: zeespiegelveranderingen, tektoniek,
klimaatveranderingen etc beïnvloeden de echte biodiversiteit en de kans
fossilisatiekans
doel: helpt onderscheid te maken tussen echte biologische signalen en
artefacten in het fossielenbestand (sampling bias)
Apomorf/pleisomorf, nut in classificatie?
apomorf KM: nieuw evolutionair kenmerk dat nog niet aanwezig was, later id
evolutie ontstaan
o synapomorfen: Gedeeld apomorf kenmerk: het kenmerk is nieuw tov
de voorouder, wordt gedeeld door meerdere taxa
o voorbeeld: haren zijn synapomorfe kenmerken van zoogdieren: ze
definiëren mammalia als clade
pleisomorf KM: oorspronkelijk kenmerk dat al aanwezig was bij vorige soorten
o synplesiomorfen: gedeeld plesiomorf kenmerk
o voorbeeld: Ruggengraat is pleisomorf binnen zoogdieren (ook aanwezig
bij vissen, amfibieën, reptielen).
classificatie wil je baseren op apomorf kenmerk, monofyletische groepen
(clades) herkennen + fylogenetische boom opstellen
Wat zijn de belangrijkste theorieën/hypotheses die gebruikt worden als
drijfveer voor macro-evolutie (red queen vs court jester)? Pas deze toe op het
midden ordovicium.
Fx. Predatie Fx. Tektoniek,
zeespiegelveranderingen, vulkanisme..
Toegepast op midden-ordovicium: GOBE (Great Ordovician Biodiversification Event)
Kenmerken:
Explosieve toename van mariene biodiversiteit
Toename in:
o aantal soorten
o aantal geslachten en families
o ecologische complexiteit
Verandering van eenvoudige naar complexe mariene gemeenschappen
Een cruciale component van de GOBE is de Ordovician Plankton Revolution (sterke
diversificatie van fytoplankton en zoöplankton: verhoging van de primaire productiviteit
in de oceaan.
Court Jester Mechanisme (extrinsiek)
Paleogeografie en tektoniek: opbreken van proterozoisch supercontinent
vorming vele tropische epicontinentale zeeën met warm, nutrienrijk ondiep
, water (biodiversiteithotspot)
Zeespiegelstijging: meer leefruimte meer niche-diversiteit
Klimaatsverandering: ondanks biodiversificatie toch globale afkoeling (CO2
reductie)
Red Queen hypothese (intrinsiek)
Toegenomen primaire productivitiet: door planktonrevolutie nam energie-
input in mariene ecosytemen sterk toe: meer energie protere populaties
meer ecoloische interacties
Toename ecolosiche complexiteit: intensivering can competitive, predatie en
symbiose
Conclusie:
GOBE is niet verklaarbaar door 1 enkel mechanisme, maar door wisselwerking tussen
de twee
Court Jester creert nieuwe eigenschappen
Red Queen benut deze eigenschappen
Signor Lipis Effect
Omdat het fossielenarchief onvolledig is, zullen de laatst gevonden fossielen van
een soort vrijwel altijd ouder zijn dan het werkelijke moment van uitsterven, en
zullen de eerste fossielen jonger zijn dan het werkelijke moment van ontstaan.
Met andere woorden:
uitsterven lijkt geleidelijk, terwijl het in werkelijkheid plots kan zijn
oorsprong lijkt plots, terwijl die in werkelijkheid geleidelijk kan zijn: uitsmeren
vd record .
In 2017 werd in China in een Onder-Cambrium gesteente een klein fossiel
gevonden met zintuigen, bilaterale symmetrie, een mond en andere
kenmerken die erop duiden dat het een deuterostoom is. Hoe helpt deze
vondst bij het oplossen van Darwin’s dilemma? (5)
Darwins Dillema:
Darwin worstelde met het feit dat veel grote diergroepen in het Cambrium plotseling in
het fossielenbestand verschijnen, zonder duidelijke voorlopers in oudere gesteenten.
Dit leek in tegenspraak met zijn idee van geleidelijke evolutie
Vondst: Saccorhytus coronarius
Waarom helpt deze vondst?
Oudste bekend fossiel dat deuterostoom is: oorsprong van deze diergroep
vroeger (vroeg cambrium) dan gedacht. Dit klopt met wat de moleculaire
klokken voorspellen
Fossiel heeft eenvoudige morfologie (geen anus, simpele lichaamsbouw) die
past bij een primitieve voorouder, die nodig is het verhaal van geleidelijke
evolutie
Bewijst dat ‘plotseling verschijnen’ een preservatieprobleem (tafonomische
bias) is en geen evolutionaire gebeurtenis. Vroege diertjes die klein waren met