oor, hals en mond
Overzicht hoeveelheid leerstof:
Aantal pagina’s
Hoofdstuk Les SV
Rhinologie 1. Allergische rhinitis 84 10
2. Niet-allergische rhinitis 78 8,5
3. Verkoudheid en acute rhinosinusitis 59 5
4. Chronische rhinosinusitis met en zonder neuspoliepen 97 6,5
5. Heelkunde in de rhinologie 68 8,5
6. Allergie en astma bij het kind 21 2,5
7. Multidisciplinair panel allergie 52 5
8. Casus onderwijs rhinologie 37 2,5
Otologie 1. Het uitwendig oor 54 10,5
2. Otitis media 117 18
3. Verworven neurosensorieel gehoorverlies 55 7,5
4. Duizeligheid 59 9
5. Hoortoestellen en implantologie 30 4,5
6. Aangeboren en erfelijk gehoorverlies 63 8,5
7. Casus onderwijs: oor en kind 29 3
Laryngologie 1. Fysiologie van de larynx, stem en slikken 102 10
2. Goedaardige pathologie van de stembanden 77 8
3. Obstructieve slaapapneu (syndroom) = OSA(S) 46 7
Hoofd en hals 1. Larynx 84 7
2. Speekselklierpathologie 76 3,5
3. Halsgezwellen 68 5
4. Benigne aandoeningen van de farynx 46 7,5
5. Maligne slijmvliestumoren in het NKO-gebied 69 6
6. Casus onderwijs: hoofd- en halschirurgie 44 5
Tandheelkunde 1. Inleiding 9 1
2. Ecologie van de mond 61 6
3. Cariologie 81 6,5
4. Parodontitis 25 1
5. Andere frequente pathologie van zachte weefsels 59 5
6. Andere frequente pathologie van harde weefsels 31 3
7. Dentaal trauma 9 1
8. Medicatie: pijnstilling en antibiotica 21 2
9. Risicogroepen algemene gezondheid 24 2
,Rhinologie
1. Allergische rhinitis
- Rhinitis = meest voorkomende pathologie bij de mens
o NIET gelijk aan een infectie van de slijmvliezen
o Ontsteking (inflammatie) van de mucosa van de neusholte met één of meer van volgende
symptomen:
§ Neusverstopping
§ Rhinorrhee
§ Niezen
§ Jeuk
o Zonder symptomen spreekt men dus niet van rhinitis
→ Neus is eigenlijk constant geïnfecteerd
- Algemeen overzicht van alle vormen van rhinitis:
Wat is allergie?
- Allergie: afwijkende reactie van het immuunsysteem op meestal ongevaarlijke allergenen:
o Inhalatie allergenen
§ Huisstofmijt
§ Kat en hond
§ Boom- en graspollen
o Wespen- en bijensteken
o Voedsel
o Geneesmiddelen
- Epidemiologie van allergische rhinitis:
o België is het land met het meest allergische rhinitis in Europa
o Infectieziekten nemen af, maar allergie, astma en auto-immuniteit nemen toe
, - Hygiene hypothesis
= Meer allergieën (en astma en auto-immuniteit) door
minder blootstelling aan pathogenen (zie foto)
o Minder allergie bij kinderen in grote gezinnen
o Minder allergie bij kinderen die naar crèche gaan
o Minder allergie bij kinderen op boerderij:
§ Niet-gepasteuriseerde melk drinken
§ Contact met dieren
§ Boerderijstof
o Parasieten kunnen protectief zijn:
§ Mijnworm: protectief
§ Ascaris: exacerbatie
- Belangrijke nuance bij de hygiëne theorie:
o Is gebaseerd op het totaalplaatje van hygiëne, niet 1 iets specifieks zoals handen wassen
→ Handen niet wassen geeft GEEN verminderd risico op allergie, astma en auto-immuunziekten
o Drinkbaar water is wel grootste factor
Allergische aandoeningen
- Allergische mars = natuurlijk verloop van een allergie:
o Meeste allergieën starten met voedselallergie en eczeem
→ Verdwijnt meestal vanzelf
o Astma en rhinitis komen in de plaats op latere leeftijd
- Allergische aandoeningen:
o Allergische rhinitis: grootste allergische aandoening
o Astma
o Eczeem
o Voedselallergie
o Anafylaxie (dodelijk):
§ Voedsel
§ Geneesmiddelen
§ Wespen en bijen
- Mechanisme van allergie:
o Snelle respons
§ Door IgE activatie op mastcellen via:
• Histamine
• CysLT
• PG
§ Symptomen:
• Niezen en neusloop
• Piepende ademhaling en dyspnoe
o Late respons:
§ Door IgE activatie op mastcellen via:
• IL-5 en IL-3
• GM-CSF
• CysLT
§ Door activatie T-cellen via:
• Cytokines
§ Symptomen:
• Neusverstopping
• Bronchiale hyperactiviteit
- ARIA richtlijn: Allergic Rhinitis and its Impact on Asthma
o 80% van astmapatiënten hebben allergische rhinitis
o 20-40% van patiënten met allergische rhinitis hebben astma
o Allergische rhinitis (bovenste luchtwegen) en astma (onderste luchtwegen) hebben zelfde
ziekteverloop (zie foto’s volgende pagina)
§ Klachten steeds eerst in de neus
§ Bij verergering is er uitbreiding naar de longen
o Allergische rhinitis is een risicofactor voor astma
→ Risico x3 na 23 jaar
, - Mogelijke mechanismen van interactie tussen neus en longen:
o Mondademhaling zorgt voor:
§ Verminderde opwarming en humidificatie lucht
§ Verminderde barrière voor partikels of irritantia
o Aspiratie van sinonasale secreties tot in long
o Nasobronchiale reflex
o Systemische link tussen bovenste en onderste luchtweg inflammatie
- Bewijs voor interactie tussen neus en longen:
o Nasale provocatie induceert expressie van:
§ Adhesiemoleculen en eosinofielen in bovenste EN onderste luchtwegen
§ Eosinofielen, IL-5 en GM-CSF in bloed
o Unilaterale bronchiale provocatie induceert expressie van:
§ Adhesiemoleculen en eosinofielen in bovenste EN contralaterale onderste
luchtwegen
§ Eosinofielen, IL-5 en GM-CSF in bloed
- Impact van allergische rhinitis op prestatie tijdens examens
→ Mensen met allergische rhinitis hebben 70% kans om minder te scoren bij een opstoot
- Anamnese voor allergische rhinosinusitis:
o Persoonlijke anamnese voor symptomen (zie verder)
o Familiale anamnese:
§ Beide ouders gezond → atopierisico 5-15%
§ Eén ouder atopisch → atopierisico 20-40%
§ Eén broer of zus atopisch → atopierisico 25-35%
§ Beide ouders atopisch → atopierisico 60-80%
o Tijdstip en ernst van de klachten:
§ Seizoenaal versus hele jaar door:
• Voorjaar: bomen
• Zomer: grassen en kruiden
• Hele jaar: mijten (wel pieken in herfst en lente)
§ Tijdstip van klachten → classificatie volgens ARIA-richtlijnen:
• Intermitterende symptomen:
o < 4 dagen per week
o OF < 4 opeenvolgende weken
• Persisterende symptomen:
o > 4 dagen per week
o EN > 4 opeenvolgende weken
§ Ernst van klachten → classificatie volgens ARIA-richtlijnen:
• Milde symptomen hebben ALLE onderstaande kenmerken:
o Normale slaap
o Geen beperking van dagelijkse activiteiten
o Geen beperking op werk of op school
o Symptomen aanwezig maar niet hinderlijk
• Matige-ernstige symptomen hebben minstens 1 kenmerk:
o Verstoorde slaap
o Beperking van dagelijkse activiteiten
o Geen beperking op werk of op school
o Hinderlijke symptomen aanwezig
o Uitlokkende factoren
o Sociale anamnese
o Co-morbiditeiten
o Medicatie