dia’s)
1. Algemene inleiding
● Verbintenissen ontstaan meestal uit contracten.
● Er zijn verschillende soorten contracten:
○ Benoemde contracten: komen voor in het Burgerlijk Wetboek. Denk aan
koop, huur, bruikleen...
○ Onbenoemde contracten: bestaan wél in de praktijk, maar zijn niet letterlijk
terug te vinden in de wet. Ze ontstaan uit de vrijheid van contracteren.
○ Gemengde contracten: combineren benoemde én onbenoemde elementen.
Voorbeeld: een contract dat tegelijk een koop én een dienst bevat.
● Er zijn ook twee soorten leningen:
○ Verbruiklening: je leent iets dat opgebruikt wordt (bv. papier, geld). Je moet
iets gelijkaardigs teruggeven.
○ Gebruikslening: je leent iets dat je gewoon teruggeeft (bv. een boek of een
pen).
2. Situering en vindplaats van het verbintenissenrecht
2.1 Situering in het recht
● Verbintenissenrecht hoort bij het privaatrecht ➝ regels tussen burgers
onderling.
● Privaatrecht omvat:
○ Burgerlijk recht (zoals familie, eigendom, contracten...)
○ Ondernemingsrecht (voor zelfstandigen/bedrijven)
● Publiekrecht: verhouding tussen burger en overheid (bv. strafrecht, belastingrecht).
● Tot 2019 was ons Belgisch recht nog sterk gelijk aan het oude Franse recht.
● Nieuwe wetten vervangen oudere wetten ➝ dit heet intertemporeel recht.
2.2 Vindplaats in de Belgische wetgeving
● De basis van het verbintenissenrecht zit in het Burgerlijk Wetboek (BW).
● Oud BW: ingevoerd in 1804 (in Frankrijk, toen België nog niet bestond).
● Nieuw BW: vanaf 13 april 2019 ➝ opgedeeld in 10 boeken.
○ Dit nieuwe recht is aangepast aan moderne situaties (bv. technologie, e-
commerce).
● Het algemeen verbintenissenrecht behandelt de algemene regels voor alle soorten
verbintenissen.
● Het bijzonder verbintenissenrecht behandelt specifieke contracten zoals koop,
huur, bruikleen…
3. Begripsomschrijving en kenmerken van een verbintenis
3.1 Wat is een verbintenis?
● Een juridische band tussen schuldeiser en schuldenaar:
○ Schuldeiser kan een prestatie eisen.
○ Schuldenaar is verplicht om iets te doen, te geven of na te laten.
● Dit kan juridisch afdwingbaar zijn.
,3.2 Kenmerken van een verbintenis
● Rechtsband tussen personen:
○ Schuldeiser ↔ Schuldenaar
○ Schuldenaar = heeft een schuld of verplichting.
○ Schuldeiser = heeft een vorderingsrecht.
● Vermogensrechtelijk karakter:
○ Een verbintenis heeft meestal een waarde in geld (je kan het in euro’s
uitdrukken).
● zakelijke rechten vs. vorderingsrechten
○ Zakelijke rechten: is een recht dat een persoon verleent op een bepaald
goed. Zoals eigendom.
○ Vorderingsrechten: geven iemand het recht om een prestatie van een ander
te eisen, zoals geld of een dienst. Impliceert een band tussen personen.
● Afdwingbaarheid:
○ De schuldeiser kan naar de rechter stappen als de schuldenaar zijn
verbintenis niet nakomt.
○ Natuurlijke verbintenissen zijn morele plichten die juridisch niet
afdwingbaar zijn (bv. broer zorgt voor zus).
4. Bronnen van verbintenissen
● Rechtshandelingen:
○ Wilsuitingen die tot juridische gevolgen leiden.
○ Meerzijdig: meerdere personen spreken iets af (bv. contract).
○ Eenzijdig: één persoon beslist iets met juridische gevolgen (bv. een
testament).
● Rechtsfeiten:
○ Gebeurtenissen of handelingen waar automatisch juridische gevolgen aan
vast hangen, ongeacht de wil van de betrokkenen.
○ Oneigenlijke contracten: vrijwillige hulp met juridische gevolgen (bv. iemand
helpt je huis schilderen, later schade...).
○ Tot aansprakelijkheid leidende feiten: bv. je veroorzaakt een ongeval en
bent aansprakelijk.
, 5. Indeling van verbintenissen
5.1 Op basis van de bron
● Contractuele verbintenissen: uit een contract.
● Buitencontractuele verbintenissen: door schade, onrechtmatige daad…
5.2 Op basis van het karakter
5.2.1 Economisch karakter
● Handelsverbintenissen: ondernemingen onder elkaar.
● Burgerlijke verbintenissen: particulieren onder elkaar.
5.2.2 Persoonsgebonden karakter (intuitu personae)
● In principe kan iedereen een verbintenis uitvoeren.
● Uitzondering: intuitu personae ➝ je kiest specifiek voor een bepaalde
persoon (bv. artiest, advocaat…).
5.3 Op basis van het voorwerp
5.3.1 Soorten prestaties
1. Om iets te doen (bv. werken uitvoeren)
2. Om iets niet te doen (bv. geheimhoudingsplicht)
3. Om iets te geven (bv. een auto leveren)
4. Om iets te garanderen (bv. garantie op product)
5.3.2 Resultaats- vs. inspanningsverbintenissen
● Resultaatsverbintenis: gegarandeerd resultaat (bv. vervoer naar luchthaven).
● Inspanningsverbintenis: je belooft je best te doen, geen resultaat (bv. arts die
patiënt behandelt).
5.3.3 Deelbaarheid
● Deelbare verbintenis: kan in stukken (bv. levering van 100 stoelen).
● Ondeelbare verbintenis: kan niet worden opgesplitst (bv. verkoop van een huis).
5.3.4 Meerdere prestaties
● Cumulatieve verbintenis: alles moet worden gepresteerd.
● Alternatieve verbintenis: schuldenaar mag kiezen (bv. euro of dollar betalen).
● Subsidiaire verbintenis: je moet A doen, maar als dat niet kan, dan B.