ZINTUIGELIJKE BEPERKING
1. TERMINOLOGIE
Doofblindheid verwijst naar een gecombineerde auditieve én visuele beperking. De mate
van deze beperkingen kan variëren en over de tijd heen veranderen. Personen met
doofblindheid hebben vaak nog enige mate van restgehoor en/of restzicht, maar de
gecombineerde zintuiglijke beperking resulteert in aanzienlijke beperkingen in
communicatie, informatieverwerving, mobiliteit en sociale participatie. Hoewel doofblinde
personen vergelijkbare beperkingen ervaren als doven en blinden, zijn de beperkingen
door de dubbele aandoening groter en ook lastiger op te lossen
Twee hoofdvormen van doof blindheid:
1. Aangeboren doof blindheid: ze worden met een dubbele beperking geboren of
ze verwevne deze in het eerste levensjaar. De oorzaken kunnen zijn: infecties
tijdens de zwangerschap (rebulla), genetische syndromen (charge of usher
syndroom type 1 en complicaties tijdens de geboorte.
2. Verworven doof blindheid:
a. Genetisch usher syndroom type 2-3, er vindt een progressieve
achteruit gang van het gehoor en het zicht. Bij type 2 is het gehoorverlies
reeds aanwezig vanaf de geboorte, maar de visusproblemen (retinitis
pigmentosa) ontwikkelen zich pas in de puberteit. Bij type 3 kan zowel
gehoorverlies als zichtverlies variabel ontstaan en progressief verergeren
tijdens de jeugd of vroege volwassenheid.
b. Letsel of ziekte
i. Doofblindheid kan ook ontstaan als gevolg van medische
aandoeningen of verwondingen die na de geboorte optreden.
Infectieziekten zoals hersenvliesontsteking (meningitis), encefalitis,
of syfilis kunnen zowel het gehoororgaan als de oogzenuw
aantasten. Ook bepaalde vormen van kanker en de behandeling
daarvan (bijvoorbeeld chemotherapie die toxisch is voor gehoor en
zicht) kunnen doofblindheid veroorzaken.
ii. Traumatisch hersenletsel door ongevallen kan leiden tot
gecombineerde schade aan auditieve en visuele centra in de
hersenen. Verder kunnen chronische aandoeningen zoals diabetes
complicaties geven zoals diabetische retinopathie (ernstig
zichtverlies) gecombineerd met gehoorschade door neuropathie. In
sommige gevallen veroorzaken toxische stoffen of medicatie (zoals
bepaalde antibiotica of chemische vergiftigingen) schade aan zowel
de gehoor- als visuele functies.
c. Leeftijd gerelateerde doof blindheid Deze vorm treedt op vanaf een
leeftijd van ongeveer 55 jaar en is meestal het gevolg van
leeftijdsgerelateerde achteruitgang van gehoor en zicht, zoals presbyacusis
(ouderdomsslechthorendheid) en maculadegeneratie (degeneratie van het
centrale netvlies). In deze levensfase kan de combinatie van beide
beperkingen een grote impact hebben op communicatie, mobiliteit en
sociale participatie.
1
, 2.DOOFBLINDHEID IN HET LICHT VAN HET ICF-KADER
2.1 ACTIVITEITEN: DE IMPACT OP HET DAGELIJKS FUNCTIONEREN
Eenvoudige taken worden vaak belemmerd door het niet kunnen zien of horen:
• Moeilijkheden met communicatie (bv. geen toegang tot gesproken of
geschreven taal).
• Problemen met oriëntatie in binnen- of buitenomgeving (bv. zich
zelfstandig verplaatsen, oversteken).
• Moeite met het uitvoeren van huishoudelijke taken zoals koken of
winkelen.
• Beperkte toegang tot informatie via klassieke media, digitale platforms
of sociale signalen (bv. lichaamstaal).
2.2 PARTICIPATIE: BELEMEMRINGEN BIJ VOLWAARDIG DEELNEMEN IN DE
SAMENLEVING
Wanneer mensen met doofblindheid geen toegang hebben tot onderwijs, werk of sociale
activiteiten door hun beperking, spreken we van een participatieprobleem. De kans op
sociaal isolement, werkloosheid of uitsluiting is groot, zeker wanneer de omgeving
onvoldoende aangepast is.
• Onvoldoende toegankelijke communicatie in onderwijscontext (bv. geen
gebaren- of tactiele tolken)
• Beperkte mogelijkheden tot werk door ontoegankelijke
werkomgevingen.
• Moeilijkheden om deel te nemen aan sociale of culturele activiteiten.
• Afhankelijkheid van anderen voor mobiliteit en informatie, wat
participatie ontmoedigt.
2.3 OMGEVINGSFACTOREN: DREMPELS EN KANSEN IN DE OMGEVING
De omgeving speelt een belangrijke rol in het faciliteren of belemmeren van het
functioneren van iemand met doofblindheid. Een toegankelijke, empathische en goed
ondersteunde omgeving kan het verschil maken.
• Beschikbaarheid van hulpmiddelen zoals braillelijnen, ringleidingen,
tactiele gebaren of spraaksoftware.
• Toegankelijke infrastructuur en transport (bv. herkenbare routes met
voelbare markeringen).
• Ondersteuning op school, in de thuiscontext of op de werkvloer.
• Positieve of negatieve attitudes van hulpverleners, leerkrachten en
collega’s.
2.4 PERSOONLIJKE FACTOREN: INDIVIDUELE VEERKRACHT EN CONTEXT
Persoonlijke kenmerken bepalen in grote mate hoe iemand omgaat met de beperkingen.
Factoren zoals het tijdstip van ontstaan (aangeboren of verworven), communicatiestijl,
ervaring met hulpmiddelen en sociaal netwerk hebben invloed op functioneren en welzijn.
2