SEM2 – 2025/2026
Alain Francois
,Exameninformatie
Leerstof
➢ Enkel de slides te kennen (cursus als bijzaak)
➢ Ondersteunende documenten GEEN leerstof – tenzij expliciet vermeld
➢ Documenten uit praktijk WEL bekijken–want op examen 1 vaardigheidsvraag afkomstig
uit documenten uit de praktijk.
➢ Examenvoorbeelden bekijken (canvas)
Wetboek
➢ Wetboek van vennootschappen en verenigingen WVV – nodig examen
(fluo, kleuren, kruisverwijzingen en post-it toegelaten)
Vragen niet opgesteld dat het terug te vinden is in het wetboek. Vragen zijn praktischer,
meer interpreteren, meer begrijpen, minder technisch.
➢ TIP: cursus zo goed kennen zodanig dat je het wetboek niet nodig hebt.
Tijd
➢ 3u tijd
Opstelling examen
➢ Eerste 2 vragen zijn stellingen met akkoord of niet-akkoord: enkel punten voor uitleg
Stellingen zijn genuanceerd, waardoor het kan zijn dat het niet enkel juist, maar ook
onjuist kan zijn. Het kan dus zowel juist als fout zijn.
➢ Vaardigheidsvraag: clausule bespreken of agenda opstellen van algemene
vergadering,… Er wordt gepeild naar toegepaste kennis.
➢ Essayvraag: algemene stelling en er wordt gevraagd naar jouw mening. Is dus niet een
vraag dat fout of juist is, maar je moet jouw redenering gaan uitleggen.
➢ Grote casusvraag uit het leven onderverdeeld in 3 delen:
Voorbeeld: kan beginnen met de oprichting, waar vervolgens een discussie ontstaat
die aanleiding geeft tot een bestuurdersaansprakelijkheid, om dan te eindigen met een
overname.
➢ Bijna elke topic zal aan bod komen op het examen
1
,Inhoudsopgave
1. Vennootschapsrecht 2020 ..................................................................................................... 6
1.1. Vennootschapsrecht miste aantrekkingskracht .....................................................................6
1.2. De remedie van professor Geens ..........................................................................................7
1.3. Krachtlijnen van het WVV .....................................................................................................8
1.4. Structuur van het WVV .........................................................................................................9
1.5. Overgangsrecht ................................................................................................................. 10
1.5.1. Tabel overgangsrecht..................................................................................................... 11
1.5.2. Enkele cijfers ................................................................................................................ 11
1.6. Nobody is perfect .............................................................................................................. 12
1.7. Het WVV is geen eindpunt .................................................................................................. 13
2. De vennootschap in het ondernemingslandschap..................................................................14
2.1. Vennootschap als juridisch kader van de onderneming ........................................................ 14
2.1.1. Het onderscheid tussen vennootschap en onderneming ................................................. 14
2.2. Bronnen van het vennootschapsrecht ................................................................................ 15
2.3. Typologie van vennootschapsvormen – basisindeling .......................................................... 15
2.3.1. Vennootschappen met of zonder rechtspersoonlijkheid .................................................. 16
2.3.2. Vennootschappen met of zonder beperking van aansprakelijkheid ................................... 16
2.3.3. Kapitaal- of personenvennootschap ............................................................................... 17
2.3.4. Kapitalistische vennootschap en sociale onderneming .................................................... 18
2.3.5. Besloten vennootschappen en open vennootschappen ................................................... 19
2.3.6. Vennootschappen in groepsverband .............................................................................. 19
2.3.7. Europese vennootschappen .......................................................................................... 19
3. Constitutieve vereisten van de vennootschap........................................................................20
3.1. Bijzonderheden van de vennootschap ................................................................................ 20
3.1.1. Gemeenschappelijk belang ........................................................................................... 20
3.1.2. Rechtsverhouding ......................................................................................................... 20
3.1.3. Beperking van aansprakelijkheid .................................................................................... 20
3.1.4.Rechtspersoon .................................................................................................................. 20
3.2. Opeenvolgende definities van de vennootschap .................................................................. 21
3.3. Algemene geldigheidsvereisten van de vennootschap ......................................................... 22
3.4. Bijzondere geldigheidsvereisten van de vennootschap ......................................................... 22
3.4.1. Voorwerp en oorzaak (bijzondere geldigheidsvereiste) ..................................................... 23
3.4.2. Pluraliteit en vermogen (bijzondere geldigheidsvereiste) .................................................. 24
3.4.3. Affectio societatis / ius fraternitatis (bijzondere geldigheidsvereiste) ................................. 24
3.4.4. Delen in winst en verlies (bijzondere geldigheidsvereiste) ................................................ 25
3.5. Winstuitkering als summa divisio in het rechtspersonenrecht .............................................. 26
4. Gastspreker – De hervorming van het vennootschaps- en verenigingsrecht (23/02/2026) .........27
4.1. Nood aan een grondige hervorming .................................................................................... 27
4.2. De wordingsgeschiedenis van de hervorming ...................................................................... 27
4.3. Krachtlijnen van de hervorming .......................................................................................... 29
4.3.1. Algemeen opzet ............................................................................................................ 29
4.3.2. Afschaffing onderscheid burgerlijke en handelsvennootschappen.................................... 29
4.3.3. Beperking van aantal vennootschapsvormen .................................................................. 29
4.3.4. Invoering van een kapitaalloze BV ................................................................................... 29
4.3.5. Inkanteling van het verenigingsrecht in het vennootschapsrecht ...................................... 30
4.3.6. Invoering van de statutaire zetelleer ............................................................................... 30
5. Personenvennootschap ........................................................................................................31
5.1. Het gemeen vennootschapsrecht ....................................................................................... 31
5.2. De vennootschap rechtstheoretisch bekeken ..................................................................... 31
5.3. De maatschap .................................................................................................................. 32
5.3.1. Kenmerken ................................................................................................................... 33
5.3.2. Stille maatschap versus tijdelijke maatschap .................................................................. 34
5.3.3. Het aandeel van de vennoten in de maatschap ............................................................... 35
5.3.4. Bestuur en vertegenwoordiging ...................................................................................... 36
5.3.5. Beslissingen van de vennoten verenigd in vergadering ..................................................... 39
2
, 5.3.6. Het vennootschapsvermogen en de rechten van de schuldeisers ..................................... 39
5.3.7. Einde van de maatschap................................................................................................ 40
5.4. VOF en CommV................................................................................................................. 42
6. Oprichting van de vennootschap-rechtspersoon ...................................................................44
6.1. De vennootschap met rechtspersoonlijkheid ...................................................................... 44
6.2. Oprichters en gewone inschrijvers ...................................................................................... 44
6.2.1. Oprichters versus de gewone inschrijvers ....................................................................... 45
6.3. Vertegenwoordigers bij oprichting ...................................................................................... 45
6.3.1. Vertegenwoordiging middels sterkmaking ....................................................................... 46
6.4. De oprichtingsakte en haar bekendmaking .......................................................................... 47
6.4.1. Notariële oprichtingsakte kan fysiek of elektronisch ........................................................ 47
6.4.2. Verplichte vermeldingen oprichtingsakte ........................................................................ 47
6.4.3. Sancties bij miskenning van vereiste vorm oprichtingsakte of verplichte vermeldingen ...... 48
6.4.4. Bekendmaking .............................................................................................................. 48
6.4.5. Gevolgen van de bekendmaking ..................................................................................... 50
6.4.6. Vergelijkbare neerlegingsformaliteiten op buitenlandse vennootschap-rechtspersonen .... 50
6.5. Vorming van eigen vermogen (BV en CV) of kapitaal (NV) ...................................................... 51
6.5.1. Inbreng ......................................................................................................................... 51
6.5.2. Kapitaal ........................................................................................................................ 55
6.5.3. Financieel plan ............................................................................................................. 56
6.6. Rechtshandelingen namens de vennootschap in oprichting ................................................. 57
6.6.1. Sancties bij miskenning van de oprichtingsvereisten ....................................................... 58
7. Bestuur van NV, BV en CV ......................................................................................................62
7.1. Overzicht van diverse bestuursorganen in NV, BV en CV ....................................................... 62
7.1.1. Bestuursorgaan = NV ..................................................................................................... 62
7.1.2. Bestuursorganen BV en CV ............................................................................................ 63
7.2. Corporate Governance Codes ............................................................................................ 64
7.2.1. Belgische Corporate Governance Code .......................................................................... 64
7.2.2. Code Buysse IV ............................................................................................................. 65
7.3. Bestuurdersaansprakelijkheid ............................................................................................ 66
7.3.1. (Nieuwe) bronnen van bestuurdersaansprakelijkheidsregels ............................................ 66
7.3.2. Algemene regeling inzake bestuurdersaansprakelijkheid in WVV ...................................... 67
7.3.3. Enkele andere bestuurdersaansprakelijkheidsgronden in WVV ......................................... 73
7.3.4. Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 1382-1383 (vóór 1 januari 2025) 74
7.3.5. Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:5 en 6:6 NBW (Sinds 1 januari
2025) 76
7.3.6. Bestuurdersaansprakelijkheidsgronden uit Boek XX WER ................................................. 77
7.3.7. Actio mandati en minderheidsvordering ......................................................................... 80
7.3.8. Individuele aandeelhouders als vorderingsgerechtigden .................................................. 81
7.3.9. Einde van bestuurdersaansprakelijkheid ......................................................................... 82
7.4. Samenstelling van bestuursorgaan en statuut van de leden ................................................. 83
7.4.1. Benoeming ................................................................................................................... 83
7.4.2. Aantal leden ................................................................................................................. 86
7.4.3. Vereiste om bestuurder te zijn ........................................................................................ 86
7.4.4. Bijzonderheden met betrekking tot enige bestuurders NV ................................................ 92
7.4.5. Aanvaarding en bekendmaking ...................................................................................... 92
7.4.6. Duur van het mandaat ................................................................................................... 92
7.4.7. Statuut van de bestuurder .............................................................................................. 93
7.4.8. Beëindiging bestuursmandaat – herroeping vrijwillig ontslag en bekendmaking ................. 95
7.5. Bevoegdheden van het bestuur .......................................................................................... 98
7.5.1. Intern ........................................................................................................................... 98
7.5.2. Extern (vertegenwoordiging) ......................................................................................... 106
7.5.3. De verhouding met het bestuursorgaan – de AV ............................................................. 110
7.5.4. Orgaan versus lasthebber ............................................................................................ 111
7.6. Dagelijks bestuur ............................................................................................................ 112
8. Vermogen, kapitaal en effecten .......................................................................................... 113
8.1. Kapitaalvennootschap NV................................................................................................ 114
3