Professor Van Langenhove
1
,Deel 1: Basisconcepten
H0: Inleiding
Wat is macro-economie
Macro-economie = studie van de economie van een land, maatschappij of regio
als geheel
Geaggregeerde variabelen: berekend over de huishoudens of individuen in een
geografisch gebied (als geheel)
Output of inkomen (bbp), Inflatie, Korte- en langetermijnrente, Vermogen
Macro-economisch onderzoek breed! nood aan onderverdeling
1. Basisconcepten in de macro-economie
2. Lange termijn: groeitheorie
3. Korte termijn: conjunctuurtheorie
4. Andere macro-economische onderwerpen
Macro-economische modellen
Macro-economisch onderzoek bevat:
Empirische modellen: deze modellen vertrekken vanuit empirische data en
trekken daar conclusies uit
Theoretische modellen: bouwen een model vanuit logisch denken, en
toetsen dit aan de empirische data
Beide benaderingen zijn complementair en communiceren met elkaar!
De waarden van exogene variabelen worden buiten het model bepaald
Waarden en onderliggende processen zijn een gegeven
De waarden van endogene variabelen worden in het model bepaald wil men
verklaren
Zij vertegenwoordigen de output/uitkomst van het model
Voorbeeld: model van vraag en aanbod voor pizza
stijging inkomen vraag hoeveelheid pizza stijgt
evenwichtsprijs en -hoeveelheid stijgt
inputprijzen stijgen minder hoeveelheid pizza
aangeboden per prijs verhoogt evenwichtsprijs en
verlaagt -hoeveelheid
Macro-economische modellen verschillen door (1) de bestudeerde endogene
variabelen, (2) de opgenomen exogene variabelen
Dezelfde endogene variabelen kunnen andere voorspellingen/ concl
opleveren hou in gedachte de:
o Modelaannames, de endogene en exogene variabelen
2
, o Vragen die model beantwoord en vragen die die niet beantwoord
Korte geschiedenis vh macro-economisch denken (niet zo
belangrijk)
Vóór de jaren 1930 (‘klassieke visie’)
Geaggregeerde productie hangt volledig af van aanbodzijde-dynamieken
(verschuivingen in de AS-curve)
o Gedreven door schokken in de inputs; arbeid, kapitaal en
techonologie
o Schommelingen werden als irrelevant beschouwd
Beleidsmakers moeten simpelweg volledige prijs- en loonflexibiliteit
garanderen: er is geen nood aan (discretionair) budgettair of monetair
beleid!
Voorbeeld negatieve technologieschok
Jaren 1930– Grote Depressie
en ‘geboorte van de macro-economie’
Grote Depressie: werkloosheidsgraden in de VS rond 25%, Amerikaanse
productie daalde met bijna 30%, met verspreiding naar andere landen
Dit daagde de klassieke visie uit
o stond geen structurele werkloosheid toe zolang prijzen en lonen
flexibel waren
o ondanks dalende prijzen en lonen bleef de werkloosheid stijgen en
bleef de Amerikaanse productie dalen
Beleidsmakers hadden nood aan theorieën en beleidsaanbevelingen om
economie te “maken”
macro-economie ontstond als een apart vakgebied binnen de economie
tijdens de Grote Depressie
John Maynard Keynes’ publicatie van de General Theory (1936) wordt vaak
gezien als de echte geboorte van de macro-economische wetenschap
o Animal spirits en volatiele bedrijfsinvesteringen creëren
conjunctuurcycli
o Geaggregeerde vraag (AD-curve) is relevant!
o Budgettair en monetair beleid zijn nodig om de economie te
stabiliseren
o Prijzen en lonen zijn niet flexibel, maar gedeeltelijk rigide
Keynesiaanse visie: geaggregeerde vraag (AD-curve) is belangrijk
Jaren 1940–1960– ‘naoorlogse Keynesiaanse synthese’
Na WOII werden Keynes’ conjunctuurtheorieën uitgebreid en geformaliseerd:
IS-LM-model (Hicks, Modigliani): een model van de vraagzijde
Phillipscurve (1958): inflatie en werkloosheid
Post-Keynesianisme: meer radicale interpretatie van Keynes’ theorie
3
,Bovendien begonnen economen met het construeren van geformaliseerde
modellen van LT-groei:
Solow-model (1956) & Swan-model (1956)
Naoorlogse synthese: IS-LM-model (links) en de phillipscurve (rechts)
Uitdagingen voor het Keynesianisme (jaren 1970)
Stagflatie: hoge inflatie en lage economische groei/hoge werkloosheid ⇒
Keynesiaanse Phillipscurve-theorieën konden dit niet verklaren
Monetarisme en Milton Friedman: kwantiteitstheorie van geld, permanente-
inkomen-hypothese, de Lucas-kritiek
o Inflatie = een monetair fenomeen ⇒ Phillipscurve
o Consumptie gedreven door permanent inkomen, niet besteedbaar
inkomen
o Econometrische Keynesiaanse modellen zijn structureel onjuist
Kwantitatieve modellen van de conjunctuurcyclus (jaren 1980–...)
Reële conjunctuurcyclus (RBC)-modellen: kwantitatieve modellen waarin
conjunctuurcycli worden gedreven door aanbodzijde-schokken (bijv.
Kydland & Prescott, 1982)
Nieuw-Keynesiaanse (NK) modellen: uitbreiding van de RBC-modellen met
Keynesiaanse elementen, voornamelijk loon- en prijsrigiditeiten (bijv. Gali,
2008)
Moderne conjunctuurmodellen (jaren 2010–...)
Nieuw-Keynesiaanse modellen konden de Global Financial Crisis van 2008–
2009 niet verklaren
o Introductie van financiële fricties en ’behavioral’ elementen in het
Nieuw-Keynesiaanse denkkader
Heterogene-agent NK-modellen: de verdeling van inkomen en vermogen is
belangrijk voor conjunctuurdynamieken en de impact van vraag- en
aanbodzijde-schokken
Moderne langetermijngroeitheorieën (jaren 1980–...)
Endogene groeitheorie: endogene technologische vooruitgang (Romer,
1990), menselijk kapitaal (Mankiw-Romer-Weil-model), Schumpeteriaanse
creatieve destructie-dynamieken
Klimaatgroeimodellen: uitbreidingen van langetermijngroeimodellen door
het opnemen van broeikasgasemissies en klimaatschade (bijv. Nordhaus-
modellen)
4
,Twee conclusies
1. Macro-economisch onderzoek volgt macro-economische ontwikkelingen in de
echte wereld
Grote Depressie in de jaren 1930, Stagflatie in de jaren 1970, Global
Financial Crisis van 2008–2009, Stijgende ongelijkheden sinds de jaren
1980–1990
2. Macro-economisch onderzoek is verbonden met de stand van wiskundige
methoden en computationele infrastructuur
Elke stap in de evolutie van de macro-economie vereiste meer geavanceerde
wiskundige oplossingsmethoden & meer uitgebreide rekenkracht.
H1: Nationaal inkomen
Aanbod van goederen en diensten
Bbp = totale geldwaarde van de g&d1 geproduceerd in een land
Productie vereist twee productiefactoren: arbeid (L) en kapitaal (K)
Arbeid = L : fysieke en mentale inspanning van werknemers
Kapitaal = K: productiefabrieken, IT-infrastructuur, enz.
De productiefunctie: Y =F(K,L)
Gangbare eigenschappen van productiefuncties:
1. Constante schaalopbrengsten: een verdubbeling van beide inputs
verdubbelt de output
F(zK,zL) = zF(K,L) voor elke z > 0
2. Positieve marginale producten: een verhoging van een input verhoogt de
output
3. Afnemende marginale producten: de toename in productie door het
verhogen van arbeid of kapitaal daalt naarmate de arbeids- of
kapitaalvoorraad hoger is
Cobb-douglas-productiefunctie:
waarbij:
A =totale factorproductiviteit (technologie)
α =kapitaalaandeel in het inkomen (typisch ≈ 0,25)
1
Goederen en diensten
5
, 1 −α =arbeidsaandeel in het inkomen (typisch ≈ 0,75) residu
Deze productiefunctie voldoet aan: constante schaalopbrengsten & afnemende
MP
Inkomen over de productiefactoren
De waarde van geproduceerde g&d (bbp) is gelijk aan het nationaal inkomen.
Nationaal inkomen wordt gecreëerd door L en K inkomen hieronder
verdeeld
o Arbeidsaandeel en kapitaalaandeel
Nationaal inkomen = totale waarde productie
Empirische meting:
“Aandeel van arbeid en kapitaal in het nationaal inkomen is constant over
tijd”
o Klopt na WOII voor ontwikkelde landen
o AI kan in de toekomst de factoraandelen veranderen
Het kapitaalaandeel in het nationaal inkomen:
Het kapitaalaandeel bedraagt ongeveer 25%
sinds WOII. Het arbeidsaandeel wordt berekend
als het residu (= ongeveer 75%)
Die stabiliteit zie je vooral bij de united state
Voor 1920 zien we dat kapitaalaandeel hoger ligt
Theoretische modellen:
Wat bepaalt hoeveel van het nationaal inkomen naar arbeid gaat en hoeveel naar
kapitaal?
Contrasterende visies op de drijvende krachten (2 hypothesen):
1. Marginale productiviteitstheorie: Elk productiefactor krijgt een
vergoeding gelijk aan zijn MP
Formule: Kapitaalinkomen= MPK * K Arbeidsinkomen = MPL * L
toepassing in Cobb-douglas productiefunctie:
Kapitaalinkomen = αY Arbeidsinkomen = (1 − α)Y
Obv data WOII geldt: α =0.25, 1−α=0.75
Aandeel bepaalt door de marginale producten v L en K
Inkomensverdeling is stabiel en wordt bepaald door technologie en
productiviteit
2. Machts- en onderhandelingsmodel: Verdeling ook bepaald door
machtsdynamieken en politieke krachten
Er bestaat een afwijking a tussen de opbrengsten voor kapitaal en arbeid en hun
respectievelijke marginale producten:
Kapitaalinkomen = (MPK ×a)×K Arbeidsinkomen = (MPL
×1/a)×L
Als a > 1, zal kapitaal hoger worden vergoed dan zijn MPK zou voorspellen.
Omgekeerd zal de vergoeding van arbeid lager zijn dan zijn MPL zou voorspellen.
Als a < 1, geldt de omgekeerde redenering.
6