Weten met welke data ze werken in de studies!!
INLEIDING
Doorheen het jaar reader en leerstof bijhouden → is ook examenleerstof
Affectieve polarisatie = weerzien krijgen van iemand die een volledig andere politieke mening als jou heeft,
dat zorgt voor een negatieve tendens die zorgt voor een kloof tussen twee groepen
Online: de neiging van partijgangers om een afkeer te hebben van, wantrouwen te koesteren tegen en
interactie met mensen van de andere partij/met een andere politieke mening te vermijden
Democratisch burgerschap vs. Niet-democratisch burgerschap → in dit vak vooral democratisch
burgerschap
WAT IS BURGERSCHAPSVORMING?
DEF: Burgerschapsvorming is onderwijs in burgerschap, je gedragen en handelen als een burger. Het gaat
dus niet alleen om kennis over burgerschap en de civiele samenleving, maar ook om het ontwikkelen van
waarden, vaardigheden en begrip.
Definitie toen Labour aan de macht was; uitgebreid en onderbouwd burgerschapsprogramma
Vorming heeft altijd te maken met een leerproces
DEF: De kennis, vaardigheden, attitudes en ervaringen die iemand nodig heeft om een actieve,
geïnformeerde deelnemer aan het democratische leven te worden.
DEF: Onderwijs, opleiding, bewustmaking, voorlichting, praktijken en activiteiten die erop gericht zijn om
leerlingen kennis, vaardigheden en inzicht bij te brengen en hun houding en gedrag te ontwikkelen, zodat
zij in staat zijn hun democratische rechten en verantwoordelijkheden in de samenleving uit te oefenen en
te verdedigen, diversiteit te waarderen en een actieve rol te spelen in het democratische leven, met het oog
op de bevordering en bescherming van de democratie en de rechtsstaat.
Meer focus op waarden met belangrijker worden van burgerschapsvorming met opkomst EU
DEF: Burgerschapsvorming is een vakgebied dat tot doel heeft harmonieuze co-existentie te bevorderen en
de wederzijds voordelige ontwikkeling van individuen en de gemeenschappen waarin zij leven te
stimuleren. In democratische samenlevingen ondersteunt burgerschapsvorming leerlingen om actieve,
geïnformeerde en verantwoordelijke burgers te worden, die bereid en in staat zijn om verantwoordelijkheid
te nemen voor zichzelf en voor hun gemeenschappen op nationaal, Europees en internationaal niveau.
WAT BETEKENT HET IN VLAANDEREN?
• 07.01 De leerlingen reflecteren over de betekenis, de principes en de werking van de
democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin.
• 07.02 De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van
identiteit.
• 07.03 De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend
zijn voor het samenleven.
• 07.04 De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over
maatschappelijke thema’s
WAAROM BURGERSCHAPSVORMING?
1
,Maatschappelijke bezorgdheid:
• Dalend vertrouwen in de politiek
o Aantal studies die dit aantonen
o Wanneer is weinig té weinig? Wanneer is dit
problematisch?
o Hoe aanpakken?
• Geringere deelname aan verkiezingen
• Succes populistische partijen en kandidaten
o Zet de democratie onder druk
• Gebrek aan politieke kennis van burgers
• Meer verticale en horizontale polarisatie?
o Meer affectieve polarisatie
o Bv. Nu in VS → komt dit ook naar Europa
o Polarisatie = een proces waarbij de tegenstellingen tussen groepen in de samenleving
sterker worden, waardoor groepen steeds meer tegenover elkaar komen te staan.
▪ “wij” vs. “zij”-denken
o Horizontale polarisatie → tussen mensen
o Verticale polarisatie → naar het systeem toe
Meer diverse samenleving:
• Wereldwijde trend
• Europa zeker niet uitzonderlijk
• Robert Putnam – Sociaal Kapitaal: Bowling Alone (2000)
o Minder maatschappelijke betrokkenheid en verenigingen
o Diversiteit vermindert onderling vertrouwen en sociale cohesie
o Door de verworven diversiteit, gaan mensen zich minder verenigen, want ze vertrouwen
elkaar minder
o Bonding vs. Bridging
▪ Bonding = sterke banden binnen homogene groepen
▪ Briding = verbinding tussen diverse groepen → cruciaal voor sociale samenhang
o Afname sociaal kapitaal verzwakt democratisch en maatschappelijk engagement
o Oorzaken:
▪ Individualisering
▪ Technologie
▪ Suburbanisatie
▪ Veranderende werkpatronen
Conclusie: vermindering in participatie + meer diversiteit
HOE BURGERSCHAPSVORMING?
• Focus op jongeren
• Attitudes zijn vrij stabiel na de periode van de adolescentie
o Period of maximum change (14-25)?
▪ Attitudes en overtuigingen van mensen ontwikkelen zich voornamelijk tussen 14
en 25 jaar, erna blijven ze vrij stabiel.
▪ Prof: eventueel al vanaf 10 jaar kijken
o Vele manieren om jonge mensen te bereiken
▪ Jonge mensen kan je nog in alle diversiteit goed bereiken; diverse klassen,
hobby’s, …
▪ Meer potentieel om aan politiek gedrag te werken en de vorming te
ondersteunen
• Engagement van jonge mensen in de maatschappij is sinds lang in dalende lijn
o Generationele effecten = veranderingen in gedrag of attitudes tussen generaties
▪ Bv. Jonge mensen die minder gaan stemmen nu, dan hun grootouders op
dezelfde leeftijd vroeger
2
, o Life cycle effecten = veranderingen in gedrag of attitudes afhankelijk van leeftijd, dus
doorheen iemands leven
▪ Bv. Op je 16-jarige leeftijd kan je nog niet stemmen voor het Vlaams Parlement
Burgerschapsvorming moet gericht zijn op jongeren, omdat dit de periode is waarin hun
maatschappelijke houding wordt gevormd.
Nemčok, M., and Wass, H. (2021) “Generations and Political Engagement”, In: Oxford Research
Encyclopaedia of Politics.
Groot generationeel effect en veel zwakker life cycle effect
o Opkomst in vroege verkiezingsjaren (vooral 1987) is voor alle leeftijden hoger
▪ Iemand van 25 in 1987 stemt vaker dan iemand van 25 in 2015
▪ Verschillen TUSSEN generaties
Life cycle effect: gelijkaardige vorm van curves
o Lage opkomst bij jongeren (+/- 20 jaar)
o Piek middelbare leeftijd (++ betrokkenheid)
o Daling op oudere leeftijd (++ afhankelijkheid, -- politieke betrokkenheid)
First time voters effect zichtbaar op 18 jaar
o = hogere opkomst bij mensen die voor het eerst mogen stemmen, vaak op 18-jarige
leeftijd
o Toont dat jonge mensen in begin van stemcarrière vaker gemotiveerd zijn om te gaan
stemmen → zichtbaar in grafiek
Michelsen, N. G. (2024). Building youthful habits of voting. In Generational Politics in the United States:
From the Silents to Gen Z and Beyond (pp. 238–259).
Deze grafiek moet samen met verschilgrafiek tss generaties worden gelezen vr compleet beeld vd trends.
Minder duidelijk dan de vorige en moet gelezen worden in samenhang met verschilgrafieken
tussen de generaties (boven en onder de grafiek, niet op slides)
Zowel generationele als life cycle effecten zichtbaar
3
, o Generationeel effect: wanneer je de lijnen voor 18 jarigen uit verschillende jaren (bv.
1986, 1988, 2004) vergelijkt, zie je dat de lijn voor jongere generaties altijd onder die van
oudere generaties ligt → wijst op een daling in politieke participatie door de jaren heen
o Life cycle effect: voor jongere generaties is er afname in opkomst naarmate ze ouder
worden, wat aantoont dat hun stemgedrag doorheen de tijd verandert >< bij oudere
generaties is het effect minder duidelijk
DOELSTELLINGEN
ALGEMEEN KADER
Het opleidingsonderdeel 'Burgerschapvorming' stelt scherp op de verschillende dimensies van
burgerschap en de opdracht die instellingen en verenigingen in de maatschappij opnemen met het oog op
het bevorderen van het burgerschapsidee bij jongeren.
Focus op 4 soorten instellingen en verenigingen die politieke en maatschappelijke vorming geven:
1) Scholen
2) Middenveldorganisaties en particuliere initiatieven
3) Media
4) Ouders
Theoretisch kader: politieke socialisatie bij jongeren (competentiedenken)
o Hoe worden jongeren door verschillende instellingen gevormd als burgers?
▪ Onderzoeksmatig
▪ Vanuit verschillende perspectieven
▪ Relevantie voor de onderwijspraktijk
OPERATIONALISERING
Rode draad doorheen de cursus: Octagon Model of Citizenship Education
Stelt de individuele leerling centraal in geneste, meerlagige sociale contexten. Leerling
construeert actief betekenis uit zijn omgeving in plaats van alleen maar informatie te ontvangen
Stelt dat burgerschapsonderwijs het resultaat is van interactie met acht belangrijke
actoren/sferen: familie, leeftijdsgenoten, school en de bredere gemeenschap/samenleving.
Geneste contexten (socialisatie-actoren): Het model illustreert hoe jongeren worden beïnvloed
door meerdere niveaus:
4
, o Familie: Directe invloed.
o Leeftijdsgenoten: sociale interactie.
o School: formeel curriculum, leraren en sfeer in de klas.
o Formele gemeenschap: lokale overheid en gemeenschapsstructuren.
o Informele gemeenschap: jongerenorganisaties en werkplekken.
o Bredere samenleving: media, politieke en economische instellingen.
o Culturele/nationale contexten: geschiedenis van de democratie, maatschappelijke
waarden.
o Internationale context: transnationale positie en globalisering.
Ecologische systeemtheorie:
Stelt dat de omgeving waarin je opgroeit invloed heeft op elk facet van je leven. Bronfenbrenner
(=Amerikaans psycholoog) verdeelde de omgeving van het individu in 5 verschillende lagen.
1. Microysteem
- Staat het dichtst bij het kind; elke dag veel interactie
- Gezin, school, kinderopvang
2. Mesosysteem
- De omgeving die iets verder van het kind afstaat
- De hele familie, dorp, wijk, geloofsgemeenschap, vriendenkring
- Ook de contacten die de mensen uit het microsysteem met elkaar hebben, bv. contact
tussen ouder en leerkracht
3. Exosysteem
- Omgevingen of organisaties waar kinderen niet direct mee in contact staan, maar die wel
invloed hebben op hun ontwikkeling, bv. gezondheidszorg, media
4. Macrosysteem
- Staat het verst af van het kind
- Gaat om alle culturele, politieke en economische invloeden op de ontwikkeling van het kind
- Bv. wetgeving van een land
5. Chronosysteem
- De buitenste laag
- Invloed van de tijd waarin het kind opgroeit
- Invloed van de levensfase
De systemen kunnen niet volledig los van elkaar gezien worden; ze beïnvloeden elkaar, zijn verbonden en
hebben overlap. Ieder kind heeft een unieke mix van relaties en leefomgeving die hun ontwikkeling
beïnvloeden, die mix bepaalt de kansen voor kinderen om deel te nemen aan de samenleving.
SAMENVATTEND
5
,LES 1: JONGEREN IN HET BURGERSCHAPSVORMEND PROCES
Bijhorend reader:
• 1A: Hess, R. D., & Torney, J. V. (1967). Participation of children in political life. In The development
of political attitudes in children (pp. 1–22). Aldine.
• 1B: Hess, R. D., & Torney, J. V. (1967). Participation of children in political life. In The development
of political attitudes in children (pp. 93–103). Aldine.
‘POLITICAL IS MORE THAN CONVENTIONAL’
Gaat verder dan conventionele zaken: verkiezingen, stemmen, politici, instellingen, campagnes
→ ook niet conventionele zaken: petities, protesteren, boycotting, …
Meer dan enkel politieke participatie, ook maatschappelijke participatie!
Maatschappelijke participatie = bijdragen aan gezonden democratie, maar niet direct gericht
naar het politieke systeem → anderen helpen, vrijwilligerswerk, goed doel sponsoren, …
o Boycotting = weigeren om te kopen om protest te voeren
o Buycotting = actief kopen om een bedrijf te steunen
INLEIDING
1A: HESS & TORNEY - PARTICIPATION OF CHILDREN IN POLITICAL LIFE
Tekst Hess & Torney is een rapportering van onderzoek
• Bij kinderen: het verbinden van de ervaringen die kinderen hebben in hun gewone leven met
politieke activiteiten die ze zullen hebben als volwassenen
• Naar politieke betrokkenheid: emotioneel engagement en de wens om deel te nemen aan het
leven in een politieke samenleving
→ Dit is relevant voor:
• Politiek engagement in latere leven
• Onderhouden van democratische basiswaarden en normen
Wat weten ze al over politiek? Wat kunnen ze al? En hoe linken ze aan hun dagelijks leven?
Focus: politieke betrokkenheid → “hoe voel je je daarbij?” → bij politieke betrokkenheid heb je altijd de
emotionele component
• Kinderen personaliseren vaak politieke begrippen via hun dagelijkse leefwereld
o Bv. Tommy beschrijft de regering als een persoon die wegen laat maken en tegelijk ook
geld maakt en een soort gezinsleven heeft.
• Kinderen kunnen al loyaliteit voelen, vaak zonder inhoudelijk kennis
6
, o Bv. Kind weet niet wat verschil is tussen democraten en republikeinen maar volgt ouders
en is republikein.
ONDERZOEKSVRAAG: Hoe wordt een individu van kinds af voorbereid op het deelnemen in en aan de
maatschappij?
• Political involvement = emotionele betrokkenheid/interesse in land en overheid + ontstaan van
een wens tot participatie
• Kern: kinderen kijken naar politiek in termen van machtsfiguren (de president, de politieman, …)
Componenten van vroege politieke betrokkenheid (4 aspecten van engagement tov het systeem)
1) Bewustwording
2) Conceptualisering van het politiek systeem en normen van gepast burgergedrag
3) Subjectieve betrokkenheid
o = positieve of negatieve emoties tov een machtsfiguur
o Bv. jonge kinderen staan positief tov verkozen politici of de politieagent want die gaan
hun ‘beschermen’
4) Participatie
o Pseudo-participatie = burgers mogen weliswaar hun zorgen uiten, maar hun inbreng
heeft geen werkelijke invloed op het eindresultaat
o Afwijkende socialisatie
▪ Bv. volmachten geven aan mensen, of wanneer iemand slechts stemt voor een
persoon omdat die hem/haar kent, niet omdat het politieke systeem hem/haar
interesseert
▪ Je gaat dan wel participaren, maar weet niet goed waarom en het interesseert je
ook vrij weinig
Voorbereidende /anticiperende socialisatie
Socialisatie = proces waarbij nieuwkomers (kinderen) waarden/attitudes/gedrag van de groep leren;
levenslang, maar vroege jaren cruciaal.
Anticiperende socialisatie = het verwerven van politiek gedrag gezien vanuit het perspectief van levenslang
leren in interactie en/of socialisatie
Voorbereidend/anticiperend: inductie in een sociaal systeem (volwassen rollen; specifieke info
over systeem; algemene en specifieke vaardigheden)
o ouders, school
o peers (leeftijdsgenoten)
o naar toekomst toe (anticiperend op gedrag als volwassene)
Vormen van anticiperende socialisatie
1) Attitudes/waarden over volwassen rollen → basis voor later gedrag
2) Specifieke informatie die pas later toepasbaar is (bv. verkeersregels voor je kan rijden)
3) Algemene en specifieke vaardigheden die je al kan oefenen (bv. op tijd komen)
Achtergrond studie
• Piloot studie in secundair onderwijs → erna verleggen focus basisonderwijs
o Assumptie van groter verandering is secundair onderwijs werd weerlegd; veel attitudes al
voor eerste jaren middelbaar aanwezig en relatief stabiel in middelbare schoolperiode
• Interviews met kinderen over ‘de politieman’ en ‘de president’
• Ontwikkelen van de vragenlijst naar:
o Beeld van de president
o Essay: Hoe kan ik de overheid beter maken?
o Essay: Beschrijf ‘Uncle Sam’.
• 17.000 kinderen in de VS
Ontstaan en ontwikkeling van politieke attitudes
1. Attitudes veranderen snel gedurende eerste 12 levensjaren
2. Volwassenen hebben
o Idealen/standaarden van hoe het systeem hoort te werken
7
, o Informatie over hoe het echt werkt
→ evaluatie van kloof tussen ideaal en realiteit
o Een beeld van zichzelf als burger
3. Kinderen
o Accepteren idealen van hoe een systeem zou moeten werken
o Zien de wereld van volwassenen als dat ideaal
Voorbeeld: politieagent schiet per ongeluk een kind dood
• Voor kind een schokkende situatie, want politieagent wordt gezien als ideaal
• Volwassnen kunnen meer begrip opbrengen want hebben achtergrondkennis
4 componenten vroege politieke betrokkenheid
1. Bewustwording
o Politieke figuren en instellingen herkennen als politiek
o Grote verschillen tussen kinderen onderling in mate van kennis
o Aantal attitudes dat kind kan uiten wordt gezien als beperkte indicator voor mate van
socialisatie
2. Conceptualisering van politiek systeem en normen van gepast burgergedrag
3. Subjectieve betrokkenheid
o = positieve of negatieve emoties t.o.v. een machtsfiguur
o Bv. kandidaat steunen
4. Participatie
o Gedrag dat lijkt op volwassen participatie
o Bv. buttons dragen, helpen in campagne
o MAAR bij kinderen vaak pseudo-participatie
▪ = kinderen kunnen “meedoen” zonder betekenis of echt begrip (bv. pledge
zeggen zonder begrip)
▪ Door ouders gebruikt om attitudes en informatie aan te leren
o EN kan zelfs ook bij volwassenen → afwijkende socialisatie
▪ = volwassenen die participeren zonder (subjectief) betrokken te zijn
▪ Bv. stemmen zonder kennis
Voor ontwikkeling van de burgerrol zijn twee stappen belangrijk:
1) Kind leert eigen gedrag te zien in relatie tot de ander/instelling (rechten/plichten leren).
2) Kind gaat politieke objecten zien als iets waarop hij kan handelen (object van actie/potentiële
actie).
Socialisatie leert verwachtingen vooral voor later (volwassen rol). Verwachting van eigen
competentie + responsieve overheid → later sneller geneigd overheid te proberen beïnvloeden.
Modellen van politieke socialisatie
Vier modellen die op verschillende manieren het verwerven, het veranderen en het stabiliseren van
politieke attitudes beschrijven:
1. Accumulatiemodel: politieke opvattingen ontwikkelen zich geleidelijk, van simpel naar complex.
Men leert door ervaring, zonder veel gevoelens erbij.
→ jonge mensen zijn een ongeschreven blad en krijgen van verschillende kanalen informatie mee
over politiek die ze als legoblokjes op elkaar zetten, zo bouwen ze aan hun politieke mening
o Leren = optellen van lossen eenheden kennis/attitudes/activiteiten via directe instructies
of ervaringen
o Geen garantie op coherentie of samenhang tussen ‘stukjes’
o Eigenschappen/gevoelens bij kind zijn weinig relevant, in principe kan alles op elke
leeftijd als je het simpel genoeg maakt.
o Bv. kinderen leren hoe een regering werkt, zelfs als ze wantrouwen hebben tov politici
8
, 2. Interpersoonlijk transfer model (‘affectieve’ transfer): politieke attitudes komen voort uit
relaties met mensen die een invloed op je hebben, zoals ouders of leraren. De emoties spelen
een rol.
→ het respect dat je hebt voor een ouder figuur of een leerkracht, ga je transfereren naar het
politieke systeem.
o Kind benaderd politiek met bestaande ervaringen met autoriteit
o Vooral nuttig om affectieve reacties te begrijpen; kind vult onbekende politiek snel in via
analogieën met bekende personen/situaties
o Bv. jongeren die geïnspireerd raken door figuren als Conner Rousseau omdat ze zich
verbonden voelen
3. Identificatiemodel: je imiteert het gedrag of de voorkeuren van andere mensen, zoals je ouders
of vrienden, en neemt die over
→ je attitudes en voorkeuren zijn geïmiteerd van anderen
o Klassiek bij partijvoorkeur: kind neemt partijdigheid over zonder veel begrip; hoeft niet
samen te hangen met beleidsattitudes
o Verschil met transfer: hier immiteer je direct, bij transfer draag je een attitude van één
relatie over naar een nieuw object
4. Cognitief ontwikkelingsmodel: je begrip van politiek ontwikkelt zich in fasen, en sommige
mensen bereiken nooit een volwassen politiek besef
→ hangt samen met cognitieve ontwikkeling; sommige mensen zullen mogelijks nooit heel
politieke complexe politieke fenomenen kunnen begrijpen omdat ze niet de nodige politieke
betrokkenheid hebben
o Je kan maar tot een bepaalde leeftijd tot bepaalde ontwikkeling komen
o Bv. een kind begrijpt misschien pas op latere leeftijd wat democratie betekent, terwijl
anderen op jongere leeftijd dat complex begrip al begrijpen
Conclusie over de 4 modellen:
• Transfer helpt vooral bij eerste, vroege benadering van politiek;
• Accumulation is belangrijk om rol van school/kennisopbouw te begrijpen;
• Identification verklaart partij-affiliatie en kandidaatvoorkeur;
• Cognitive-developmental helpt bij begrip van complexe/abstracte politieke ideeën.
EXTRA READER:
1B: HESS & TORNEY - PARTICIPATION OF CHILDREN IN POLITICAL LIFE
Niet besproken in les.
Politieke socialisatie van kinderen is een complex porces want ze worden beïnvloed door verschillende
groepen en individuen die niet altijd dezelfde politieke opvattingen hebben.
In vorige tekst keken ze naar verschillen tussen leeftijdsgroepen; hier onderzoeken ze de verschillen binnen
eenzelfde leeftijdsgroep en welke systematische invloeden (socialisatie-agenten) deze variatie
veroorzaken.
3 typen socialisatiecontexten
→ vormen politieke attitudes van kinderen
1) Georganiseerde instituties (The Family, the School, and the Church):
o Hebben een duidelijke structuur en beïnvloeden kinderen door direct onderricht van
politieke waarden (~ Accumulatiemodel)
o Kinderen leren rollen en gedrag (bv. hoe je je gedraagt in een gezin of klas) → deze niet-
politieke rolervaringen kunnen later worden overgedragen naar het politieke systeem (~
interpersonal transfermodel)
2) Grotere sociale settings (Social Class, Ethnic Origin, Geographical Region):
o Diffuze invloeden; bestaan uit talloze, subtiele en moeilijk meetbare ervaringen
9
, o Sociale klasse wordt niet gezien als één simpele variabele, maar als een categorie die
meerdere specifieke invloeden omvat (zoals opvoedingsstijlen, interpersoonlijke
ervaringen en rollen)
3) Persoonlijke kenmerken van het kind (Personal Characteristics):
o Socialisatie is geen eenrichtingsverkeer → kind is geen passieve ontvanger.
o Intelligentie is de meest invloedrijke factor; begrip van wat op school wordt onderwezen,
wordt gemedieerd door de cognitieve capaciteiten van het kind.
o Ook persoonlijke behoeften (bv. behoefte aan afhankelijkheid of volgzaamheid) kunnen
de perceptie van de overheid beïnvloeden.
o Sekse kan ook andere ervaringen mediëren.
Rol van het gezin in politieke socialisatie
Drie manieren waarop gezin invloed uitoefent
1) Directe overdracht van attitudes (accumulatiemodel)
o Waarden die in hele gemeenschap gedeeld worden (bv. loyaliteit)
o Neemt positie in bij controversiële onderwerpen en concurreert met agenten die andere
meningen hebben → zo komt politieke diversiteit tot stand
2) Bieden van voorbeelden die kinderen navolgen (idenfiticatiemodel)
o In dit model is belangrijkste partijvoorkeur
▪ Onderzoek: hoge correlatie tussen voorkeur van ouders en kinderen → In 3/4e
van de gevallen waar ouders zelfde partijvoorkeur hebben, volgt kind die
voorkeur
▪ Overname van politieke activiteit: actieve ouders = actieve kinderen
3) Generalisatie van gezinservaringen (interpersoonlijk transfermodel)
o Gezin is de eerste en meest blijvende ervaring met een hiërarchisch sociaal systeem.
Hier ontwikkelt het kind verwachtingen over gezag, regels, …
o → ervaringen vormen referentiekader voor latere interacties met politiek systeem
3 onderzoeken naar gezinsinvloed
1) Onderzoek naar sibling-overeenkomsten
o Methode: onderzoekers vergeleken de politieke attitudes van broers en zussen (siblings)
met die van willekeurige, niet-verwante kinderen die matched waren op school, geslacht,
klas en sociale status. Als siblings meer op elkaar lijken dan de willekeurige paren, is dat
bewijs voor gezinsinvloed.
o Resultaten:
▪ Mediane correlatie voor alle attitudes was erg laag (sibling 0.05 en willekeuring
0.01)
▪ MAAR aantal significante correlaties bij siblings consistent hoger dan bij
willekeurige paren
▪ Op één gebied zeer sterke overeenkomst: emotionele reactie op verkiezing van
Kennedy → sterke familiale overdracht van partijgebonden en emotionele
betrokkenheid bij een kandidaat
2) Onderzoek naar afwezigheid van de vader
o ~ interpersoonlijk transfermodel
o Methode: kinderen uit gezinnen zonder vader werden vergeleken met kinderen uit twee-
ouder gezinnen
o Hypothese: afwezigheid van vaderlijke autoriteitsfiguur beïnvloed houding tov politiek
gezag
o Resultaten: geen significante verschillen
3) Onderzoek naar percepties van de gezinsstructuur
o Relaties binnen een gezin kunnen geordend worden langs twee hoofddimensies
1. gehechtheid/steun (affect)
2. macht/controle (power)
10