Samenvatting HS5: eenheid in verscheidenheid, verscheidenheid in eenheid
Paradigma = (= model voor wetenschapsbeoefening) basis (uitgangspunten, vast
kader dat n verandert) een specifieke combinatie van uitgangspunten van waaruit
naar de (sociale) werkelijkheid wordt gekeken
- Onderzoeksmethodes (wat wordt bestudeerd, wat de onderzoeksvragen zijn,
hoe die vragen worden gesteld, hoe antwoorden worden geïnterpreteerd)
Wetenschappelijke kennis is n chaotisch
- ontwikkeling van de wetenschap = GEEN opeenhoping van kennis
- meestal strijd tussen de referentiekaders
- paradigmatisch pluralisme = soms zit je in een bepaald paradigma en heb je n
door dat je het ook nog anders kan bekijken
5.1 Eenheid in verscheidenheid: de empirische cyclus
5.2 Verscheidenheid in eenheid
5.3 Het symbolisch interactionisme en de etnomethodologie
5.4 De sociale ruil
5.5 Het structuurfunctionalisme
5.6 Het conflictsociologische paradigma
5.1 Eenheid in verscheidenheid: de empirische cyclus
verschillende stappen hoe
je een hypothese kan
toetsen
Welke hypothese je maakt
heeft te maken met je
referentiekader
, Geleid door het ene of het andere paradigma vatten sociologen hun onderzoek aan
onderzoek verloopt volgens de empirische cyclus empirische cyclus start met:
vormen hypothese (= empirisch toetsbare wetenschappelijke veronderstellingen)
Goede hypothese:
- verbreekt sociologische verbeelding: het vergt enige verbazing over de
werkelijkheid (hoe komt dat, wat beurt hier?)
- moet toetsbaar zijn: bv: als we op aarde braaf zijn komen we dan id hemel? Dat
is n toetsbaar dus gn goede hypothese
- je kan een hypothese enkel falsifiëren (n verifiëren) de hypothese wordt als
‘juist’ beschouwd zolang het tegendeel n bewezen kan worden
wat kan je doen met het onderzoeksmateriaal dat je verzamelt hebt?
- Beschrijven
- Analyseren + verklaren om te verklaren: variabelen opdelen in afhankelijke
en onafhankelijke (onafhankelijke variabele beïnvloed de variabele)
Id sociologie: functionele relaties (n zozeer oorzakelijk verband) = correlatie
(regelmatige verbanden tussen twee of meer variabelen
Sommige sterken correlaties hebben ns te maken met causale verbanden: Er is een
sterke correlatie tussen het aantal ijsjes dat verkocht wordt en het aantal
verdrinking(ongevallen). Maar geen causaal verband !!
2 soorten sociologisch onderzoek:
Hoewel er verschillende sociologische paradigma’s (= paradigmatisch pluralisme)
bestaan, moeten alle onderzoekers dezelfde empirische cyclus volgen. Daardoor
kunnen wetenschappers, ongeacht hun denkkader , elkaars werk beoordelen op basis
van methodologische kwaliteit.
Theorie: het sluitstuk van wetenschappelijk onderzoek: een samenhangend geheel
van concepten, definities en uitspraken dat verbanden tussen variabelen verklaart en
voorspelt.
sociologische theorieën zijn n allemaal vh allerhoogste abstract gehalte (zoals bij
de natuurkunde) maar ze zijn vaak beschrijvend of vh type ‘grand theory’ =
inspirerend maar er is nog bijkomend werk nodig voor er toetsbare hypothesen uit
kunnen worden afgeleid
Merton: middle range-theorieën = empirisch toetsbaar geheel van abstracte
concepten en uitspraken dat te situeren valt tussen enkel empirische beschrijvingen
Paradigma = (= model voor wetenschapsbeoefening) basis (uitgangspunten, vast
kader dat n verandert) een specifieke combinatie van uitgangspunten van waaruit
naar de (sociale) werkelijkheid wordt gekeken
- Onderzoeksmethodes (wat wordt bestudeerd, wat de onderzoeksvragen zijn,
hoe die vragen worden gesteld, hoe antwoorden worden geïnterpreteerd)
Wetenschappelijke kennis is n chaotisch
- ontwikkeling van de wetenschap = GEEN opeenhoping van kennis
- meestal strijd tussen de referentiekaders
- paradigmatisch pluralisme = soms zit je in een bepaald paradigma en heb je n
door dat je het ook nog anders kan bekijken
5.1 Eenheid in verscheidenheid: de empirische cyclus
5.2 Verscheidenheid in eenheid
5.3 Het symbolisch interactionisme en de etnomethodologie
5.4 De sociale ruil
5.5 Het structuurfunctionalisme
5.6 Het conflictsociologische paradigma
5.1 Eenheid in verscheidenheid: de empirische cyclus
verschillende stappen hoe
je een hypothese kan
toetsen
Welke hypothese je maakt
heeft te maken met je
referentiekader
, Geleid door het ene of het andere paradigma vatten sociologen hun onderzoek aan
onderzoek verloopt volgens de empirische cyclus empirische cyclus start met:
vormen hypothese (= empirisch toetsbare wetenschappelijke veronderstellingen)
Goede hypothese:
- verbreekt sociologische verbeelding: het vergt enige verbazing over de
werkelijkheid (hoe komt dat, wat beurt hier?)
- moet toetsbaar zijn: bv: als we op aarde braaf zijn komen we dan id hemel? Dat
is n toetsbaar dus gn goede hypothese
- je kan een hypothese enkel falsifiëren (n verifiëren) de hypothese wordt als
‘juist’ beschouwd zolang het tegendeel n bewezen kan worden
wat kan je doen met het onderzoeksmateriaal dat je verzamelt hebt?
- Beschrijven
- Analyseren + verklaren om te verklaren: variabelen opdelen in afhankelijke
en onafhankelijke (onafhankelijke variabele beïnvloed de variabele)
Id sociologie: functionele relaties (n zozeer oorzakelijk verband) = correlatie
(regelmatige verbanden tussen twee of meer variabelen
Sommige sterken correlaties hebben ns te maken met causale verbanden: Er is een
sterke correlatie tussen het aantal ijsjes dat verkocht wordt en het aantal
verdrinking(ongevallen). Maar geen causaal verband !!
2 soorten sociologisch onderzoek:
Hoewel er verschillende sociologische paradigma’s (= paradigmatisch pluralisme)
bestaan, moeten alle onderzoekers dezelfde empirische cyclus volgen. Daardoor
kunnen wetenschappers, ongeacht hun denkkader , elkaars werk beoordelen op basis
van methodologische kwaliteit.
Theorie: het sluitstuk van wetenschappelijk onderzoek: een samenhangend geheel
van concepten, definities en uitspraken dat verbanden tussen variabelen verklaart en
voorspelt.
sociologische theorieën zijn n allemaal vh allerhoogste abstract gehalte (zoals bij
de natuurkunde) maar ze zijn vaak beschrijvend of vh type ‘grand theory’ =
inspirerend maar er is nog bijkomend werk nodig voor er toetsbare hypothesen uit
kunnen worden afgeleid
Merton: middle range-theorieën = empirisch toetsbaar geheel van abstracte
concepten en uitspraken dat te situeren valt tussen enkel empirische beschrijvingen