Thema 1: Functionele bouw van de cel
Wat is leven?
Levend wezen= ordening van moleculen (eiwitten, vetten,…) + samengesteld uit cellen
o X statische ordening maar constant in beweging ordening kan verloren gaan
o Ordening zit in het DNA van de cel:
Bepaald hoe organisme er uit zien + functioneren
Zorgt ervoor dat cellen dupliceren + organisme zich kan voortplanten
o Processen in de cel = beschermde omgeving X bescherming = X ordening
o Cel staat in verbinding met de buitenwereld voor stofwisseling
Microscopen
Hooke, Van Leeuwenhoek vaststelling dat organismen uit cellen bestaan
o Oplossend vermogen: kleinste afstand tussen 2 punten die nog waarneembaar zijn
Oog: 100µm
Lichtmicroscoop: 0,2 µm
e- microscoop: 0,1 nm
o lichtmicroscoop: max vergroting 2000 X
celwand, celmembraan, cytoplasma, celkern, nucleolus, vacuole, chloroplasten,
zetmeelkorrels, mitochondriën
o elektronenmicroscoop: alle structuren kleiner dan 200 nm of 0,2µm zichtbaar
RER, SER, ribosomen, golgi-apparaat, lysosomen, cytoskelet, centriolen,
1: voet
2: schroef vastzetten kop Totale vergroting: waarde oculair
X waarde objectief
3: micro schroef Oculair: 15 x
4: macro schroef Objectief: 10 x
1,04 mm/ 1040 µm
5: voorwerptafel
8: revolver
9: objectief (voorwerplens)
10: oculair (ooglens)
11: diafragma
12: condensor
14: lamp of spiegel 1
17: klemmen
,Hoofdstuk 1: Organisatieniveaus (p.10)
o Werking van cellen cruciaal belang om te functioneren
o Eencellige organismen: alle levensfuncties vervat in 1 cel
o Meercellige organismen: elk celtype zijn eigen functie, vorm van de cel aangepast
door specialisatie
o Organisme > stelsel > orgaan > weefsel > cel > membraan en celorganel > molecule >
atoom
Hoofdstuk 2: Prokaryoot en eukaryoot (p. 11)
o Karyoot= kern
o Pro= voor
o Eu= goed, echt
Prokaryoot Eukaryoot
1-10µm 10-100µm
Bv: gist, platworm, pantoffeldiertje,
Bv: bacterie
dovenetel
Eenvoudige structuur Complexe structuur
DNA zweeft los in cytoplasma DNA in cellen
Naakt DNA (X eiwitten / histonen) DNA met hisotonen als chromosoom
Geen organellen met membranen Organellen met membranen
Geen cytoskelet cytoskelet
Hoofdstuk 3: Lichtmicroscopische bouw van een eukaryote cel (p.12)
Dierlijke cel Plantaardige cel
Cytoplasma
Celkern
celmembraan
Celwand
Mitchondriën
Vacuole
Chloroplast
2
, Hoofdstuk 4: Elektronenmicroscopische bouw van een eukaryote cel (p.16)
Plantaardige cel: celwand, plastide, vacuole, …
Dierlijke cel: centrosoom, centriolen
A. Celwand
Enkel bij plantaardige cel
Opgebouwd uit
o Cellulose
o Pectine
o Lignine
o Hemicellulose
Structuur
o Cellulosevezels die onderling verbonden zijn met elkaar
Functie
Stevigheid + structuur van de cel
Beschermt protoplasma tegen een ongunstige extracellulair milieu
Middenlamel
Verbinding tussen celwanden van 2 cellen
Bij het rijpen van fruit breekt deze af, maakt vrucht zachter
Plasmodesmata
o Poriën in de celwand
o Zorgen voor verbinding tussen celmembranen van naburige cellen
Primaire dunne en secundaire dikke celwand
o Maken celwand stevig en rigide: cel volume wordt kleiner
Primaire celwand niet voldoende voor houtige planten ontwikkelen
ze een secundaire celwand
Tussen het plasmamembraan en de primaire celwand
B. Membranen
Plasmembraan / celmembraan
Functie
o Begrenzen cel
o Afscheiden verschillende celorganellen
o Verbinden van celdelen
Doorlaten bepaalde stoffen
3