INHOUDSTAFEL
Deel 1 — Fungi en fungale infec/es
1. Inleiding: wat zijn fungi?
2. Indeling van mycosen
3. Oppervlakkige mycosen: Malassezia
4. (Muco)cutane mycosen: Dermatofytosen & Onychomycosen
5. Mucocutane candidiasis
6. Diepe mycosen: inleiding
7. Aspergillose
8. Systemische candidiasis & Candida auris
Deel 2 — An/fungale geneesmiddelen
9. Overzicht anOfungale klassen
10. Azolen (imidazolen & triazolen)
11. WHO prioriteitslijst schimmelinfecOes
1. DEEL 1 — FUNGI EN FUNGALE INFECTIES
1.1. Inleiding: wat zijn fungi?
1.1.1. Epidemiologisch belang
Fungale infecOes zijn ernsOg ondergeschat als oorzaak van sterTe. Jaarlijks overlijden wereldwijd naar schaVng 2,5 miljoen
mensen aan een fungale infecOe — vergelijkbaar met tuberculose (1,6 miljoen) en meer dan malaria (600.000). Toch zijn ze een
"neglected topic" voor volksgezondheidsautoriteiten: er bestaan géén vaccins en de mortaliteit is hoog (15–60%, a_ankelijk van
de infecOe).
1.1.2. Taxonomische positie
Fungi vormen een apart domein/koninkrijk van het leven. Ze zijn eukaryoten, net als dieren en planten, maar hebben een unieke
celwandsamenstelling. Maakt het moeilijker te behandelen dan bacteriën door ontbreken van selecOeve toxiciteit.
YEASTS FILAMENTOUS FUNGI
Twee grote groepen:
• Gisten (yeasts): eencellig, knopvorming
• Filamenteuze fungi (schimmels): meercellig, groeien als
hyfen/mycelium
Sommige soorten zijn dimorfe fungi: kunnen beide vormen aannemen a_ankelijk van omstandigheden (bv. temperatuur).
1.1.3. Vergelijkingstabel: bacteriën, fungi, protozoa
Eigenschap Bacteriën Fungi Protozoa
Celtype Prokaryoot Eukaryoot Eukaryoot
Celmembraan Geen sterolen (uitz. Mycoplasma) Ergosterol Bevat sterolen
Celwand PepOdoglycaan Chi/ne, glucaan Geen
Sporen Niet voor voortplanOng Voor voortplanOng Voor voortplanOng
Metabolisme Auto- of heterotroof Alleen heterotroof Alleen heterotroof
! Klinisch essen/eel: ergosterol (in celmembraan) en
chiOne/glucaan (in celwand) zijn de doelwiken van de
meeste anOfungale geneesmiddelen. Ze komen niet voor in
menselijke cellen → selecOeve toxiciteit mogelijk.
ó cholesterol
1
,1.1.4. Voortplanting
• Aseksuele sporen bij gisten: knopvorming
• Aseksuele sporen bij filamenteuze fungi: afzonderlijk gevormd
(conidiën) of gevormd in een comparOment (sporangiosporen)
Afzonderlijk gevormd Gevormd in compartiment
• Seksuele sporen: ontstaan door 3 processen:
1. Plasmogamie: haploïde kern van donorcel (+) dringt
cytoplasma van recipiëntcel (–) in
2. Karyogamie: de twee kernen versmelten tot een
diploïde zygotkern
3. Meiose: diploïde kern vormt haploïde nuclei (= seksuele
sporen)
ASCOMYCOTA
Seksuele sporenvorming per groep:
• Ascomycota: vormen ascosporen in asci
• Mucorales: vormen zygosporen
• Basidiomycota: vormen basidiosporen
! Seksuele voortplanOng is zeldzaam in het lab. Vroeger basis voor classificaOe; nu voornamelijk op basis
van DNA. Aseksuele sporenvorming is een microscopisch idenOficaOekenmerk.
MUCORALES
BASIDIOMYCOTA
1.2. Indeling van mycosen
Type Voorbeelden
Oppervlakkige mycosen Pityriasis versicolor
(Muco)cutane mycosen Dermatofytosen, onychomycosen, mucocutane candidiasis
Subcutane mycosen (zeldzaam, niet uitgebreid besproken)
Diepe mycosen Candidiasis, aspergillose, cryptococcose, Pneumocys*s jirovecii pneumonie
1.3. Oppervlakkige mycosen: Malassezia
1.3.1. Biologie
• Gisten die behoren tot de normale flora van huid en haarfollikels
• KolonisaOe sOjgt van 25% bij kinderen tot 100% bij adolescenten en volwassenen
• Bijna alle species zijn obligaat lipotroof: a_ankelijk van lipiden voor groei → groeien niet op standaard Sabouraud-bodem
• Uitzondering: M. pachyderma*s (niet obligaat lipofiel)
• Produceren lipasen en voeden zich met sebum
1.3.2. Aandoeningen door Malassezia
Pityriasis versicolor
• Schilferende, lichtgele tot geelbruine vlekken die samenvloeien; weinig of niet jeukend
• Hypo- of hyperpigmentaOe door modificaOe van melaninesynthese
• Veroorzaakt door transforma/e naar myceliale vorm
• IncidenOe in gemaOgde klimaten 1–4% (tropische gebieden tot 40%)
• Risicofactoren: hoge temperatuur, zweten, vocht, seborrhoea, individuele predisposiOe
• Seizoensgebonden: vaker in de zomer
• Chronische ziekte, vaak herval
2
,Seborrhoeïsche dermaOOs
• Aberrante respons op commensale Malassezia
• Schilfering en roodheid ter hoogte van nasolabiale plooien, wenkbrauwen, achter de oren,
hoofdhuid en borstkast
• Roos = milde vorm van seborrhoeïsche derma//s
Malassezia folliculiOs
• Jeukende pustels zonder comedonen (≠ acne)
• Voorkeur: rug, borst, bovenste armen bij jong volwassenen
• Risicofactoren: zonexposiOe, anObioOca, immunosuppressie, HIV, associaOe met
seborrhoeïsche dermaOOs
1.3.3. Diagnose Malassezia-infecties
• Klinisch onderzoek
• Rechtstreeks microscopisch onderzoek: huidschilfers + KOH 30% (+ opOsch witmiddel voor
fluorescenOemicroscopie)
o Typisch beeld: 'spagheY with meatballs' (korte hyfen + ronde sporen samen)
• Kweek: duidt niet op ziekte (commensaal); wordt in rouOne niet uitgevoerd
1.3.4. Behandeling
• Ketoconazol (shampoo): voor Malassezia-gerelateerde aandoeningen
• Topische azolen (bifonazol, clotrimazol, miconazol) voor lokale toepassing
1.4. (Muco)cutane mycosen: dermatofytosen & onychomycosen
1.4.1. Algemeen
Tinea (= dermatofytose) = infecOes van huid, haar of nagels door dermatofyten.
• Dermatofyten gebruiken kera/ne als groeisubstraat
• 10–20% van de bevolking geïnfecteerd, meest frequent Onea pedis
1.4.2. Belangrijkste genera
• Microsporum
• Trichophyton
• (Epidermophyton)
1.4.3. Ecologie: 3 groepen
Groep Habitat Voorbeelden
Geofiel saprofyt in de grond vb. Ojdens paardrijden
Zoöfiel dierparasiet, kan mens T. verrucosum (runderen), M. canis (kat/hond), T. mentagrophytes
infecteren (knaagdieren)
Antropofiel uitsluitend humaan-pathogeen E. floccosum, T. interdigitale, T. rubrum (!)
! IdenOficaOe van de dermatofyt is belangrijk voor bronopsporing.
1.4.4. Indeling naargelang aangetast lichaamsdeel
Tinea Lokalisa/e
Tinea capi/s hoofd/haar
Tinea barbae baard
Tinea corporis romp en extremiteiten
Tinea cruris lies/genitaal
Tinea pedis (athlete's foot) voeten
Tinea manuum handen
3
,Tinea capiOs — pathogenese Ectothrix Endothrix
• Sporen hechten aan keraOnocyten van het stratum corneum
• Ontkieming, hyfen groeien in stratum corneum → tasten haarzakjes aan
• Ectothrix: fungus groeit rond de haarschacht → grote grijze schilferende plaques
• Endothrix: fungus groeit in het haar
• Klinische varianten: ectothrix, endothrix, kerion celsi (inflammatoir abces), favus,
Onea barbae, Onea corporis => kweek aan rand van cirkel!
• Voornamelijk bij kinderen; neemt af door betere hygiëne
• BesmeVng: meest onrechtstreeks via contact met besmeke voorwerpen
Tinea pedis (athlete’s foot) & Onea cruris
• Belangrijkste verwekkers: T. rubrum en T. interdigitale
• In de hand gewerkt door publieke baden en schoencultuur
• Bij Onea cruris: zelfde dermatofyt ook vaak aanwezig op voeten
1.4.5. Onychomycosen
• Invasie van nagels door fungi
• Meest voorkomende nagelziekte (prevalenOe 2–8%); neemt toe met leeTijd
• Verwekkers:
o 90% dermatofyten (vnl. T. rubrum, T. interdigitale)
o 5–10% Candida (vinger > teenagels)
o Andere: herhaaldelijke isolaOe nodig om oorzakelijke rol te bevesOgen
• AantasOng teennagels volgt vaak op Onea pedis
• Candida onychomycose: ontsteking nagelwal → invasie laterale nagelranden; vaker bij mensen die beroepshalve veel
handen in water hebben
1.4.6. Laboratoriumdiagnose dermatofytosen (!)
Goede staalname is essen/eel — uitvoeren vóór start behandeling!
Staaltype Techniek
Huid schraap schilfers aan de rand van het letsel
Haar gebruik Wood-lamp om aangetaste haren te selecteren
Nagels verwijder aangetaste delen; neem staal zo dicht mogelijk
bij de acOeve groeirand, over de volledige dikte
! Decontamineer oppervlakkige letsels met 70% alcohol vóór staalname (reducOe contaminaOe).
Technieken:
• Rechtstreeks microscopisch onderzoek: KOH-preparaat; calcofluor white (bindt aan chiOne →
fluorescenOemicroscopie)
• Cultuur op Sabouraud-bodem: idenOficaOe op basis van microscopisch uitzicht
• MALDI-TOF MS: voor snelle idenOficaOe op isolaat (PCR nog niet door RIZIV terugbetaald)
• Moleculaire technieken: rechtstreeks op staal (diagnose) en op stam (idenOficaOe)
1.4.7. Behandeling dermatofytosen
Aandoening Behandeling
Gelokaliseerde huidinfecOes Lokale azolen of terbinafine
Nagels Orale therapie min. 6 weken (vinger) of 12 weken (teen): terbinafine of itraconazol + lokale
therapie ± amorolfine nagellak + debridement
Tinea capiOs Doorgaans orale medica/e (terbinafine, itraconazol)
4
, 1.5. Mucocutane candidiasis
1.5.1. Biologie van Candida
• >90% van infec/es veroorzaakt door 4 species: C. albicans, C. glabrata, C. parapsilosis, C. tropicalis (en nu ook C. auris)
• Polymorf: gistcellen, pseudohyfen en echte hyfen
• C. albicans, C. parapsilosis, C. glabrata: deel van normale mucosale microbiota
• C. parapsilosis: huidcommensaal
• C. tropicalis: omgevingsfungus
C. albicans = commensaal en belangrijkste pathogene species
• Koloniseert mond en gastro-intesOnale tractus
• Colonisator van vochOge of beschadigde huid
• Pathogenese:
o HechOng aan epitheliale cellen via adhesinen
o Geïnduceerde endocytose
o Ac/eve penetra/e (vereist hyfenvorming)
1.5.2. Orale candidiasis — 3 vormen
Vorm Kenmerken Risicogroep
Acuut pseudomembraneus Rode gezwollen slijmvliezen met wit Zuigelingen, AIDS
(spruw) beslag (!), leukemie
Acuut atrofisch Géén wit beslag; rode glimmende Na anObioOca
tong; branderig gevoel
Chronisch atrofisch Erytheem, oedeem tandvlees, Ouderen met
mondhoekkloven, soms lipontsteking kunstgebit
1.5.3. Cutane candidiasis
• Vooral ter hoogte van huidplooien (intertrigo)
• Erytheem en exsudaOe, satellietletsels
• LuierdermaOOs bij zuigelingen
• Risicogroepen: diabetes, overgewicht
Chronische mucocutane candidiasis (CMC):
• Zeldzame aandoening
• Aangeboren defect in cel-gemedieerde immuunrespons
• Start op slijmvlies → verspreiding naar nagels, huid, behaarde hoofdhuid
1.5.4. Genitale candidiasis
• Vooral bij vrouwen: vaginiOs, vulvovaginiOs
• ~75% van vrouwen minstens één episode in het leven
• Géén SOA
• BegunsOgende factoren: slecht geregelde diabetes, verhoogde oestrogeenspiegels, anObioOca, geneOsche predisposiOe,
immunosuppressie
• Verwekker: 90% C. albicans
• Kliniek: witverlies, jeuk, branderigheid; roodheid en oedeem van labia/vulva, wit beslag
Diagnose: klachten + myceliumdraden in rechtstreeks onderzoek en/of posiOeve kweek
Behandeling eenmalige episode: kortdurend (1–3 dagen) met systemische of topische azolen; cultuur niet alOjd noodzakelijk
Recidiverende Candida vagini/s (≥ 4 bewezen opstoten/jaar):
• Verstoorde balans: Candida-commensalisme, gastheerimmuuntoleranOe, vaginale microbiota
• Kweek noodzakelijk
• Vermijd lokaal irriterende producten
• Mannen: ontsteking glans/voorhuid (diabetes)
5