1. Bioveiligheid en Laboratoriumvoorschriften (L2)
In het bacteriologisch laboratorium wordt gewerkt met micro-organismen van risicoklasse 2. Veiligheid is gewaarborgd door strikte
naleving van de VLAREM-indeling en de Goede Microbiologische PrakAjken (GMP).
1.1. VLAREM-Risicoklassen
De indeling is gebaseerd op de pathogeniciteit voor de mens, het infecAevermogen en de beschikbaarheid van profylaxe of
behandeling.
Risicoklasse Pathogeniciteit Infec4evermogen / Verspreiding Profylaxe / Behandeling
1 Niet-pathogeen Verwaarloosbaar risico voor mens en milieu. N.v.t.
2 Zwak pathogeen Laag infecAevermogen; verspreiding goed te Meestal efficiënte behandeling
bestrijden. beschikbaar.
3 MaAg Zeer infecAeus; verspreiding in samenleving Meestal profylaxe of behandeling
pathogeen mogelijk. beschikbaar.
4 Zwaar Zeer infecAeus, vaak dodelijk; ernsAg gevaar. Meestal geen profylaxe of efficiënte
pathogeen behandeling.
1.2. GMP-Richtlijnen voor een L2-Laboratorium
De focus ligt op persoonlijke bescherming en het voorkomen van aerosolen:
• Hygiëne van de handen: Studenten dienen de handen eerst te wassen met zeep, zorgvuldig te drogen met papieren
handdoeken en pas daarna te ontsmeSen met alcogel vóór het verlaten van de werkruimte.
• Persoonlijke bescherming: Een gesloten laboratoriumjas en veiligheidsbril zijn verplicht. Lange haren moeten worden
samengebonden. Open schoenen, blote benen of nylonkousen zijn verboden.
• Preven4e van aerosolen: Handelingen waarbij spaSen kunnen vrijkomen (zoals overenten) vereisen uiterste
voorzichAgheid. Risicovolle handelingen gebeuren in een veiligheidskabinet Klasse-II. PipeSeren met de mond is strikt
verboden.
• OntsmeGng: Werkoppervlakken worden vóór en na de sessie ontsmet met 70% ethanol.
1.3. Afvalverwerking (Risicohoudend Biologisch Afval - RBA)
Correcte afvoer is essenAeel om contaminaAe buiten het laboratorium te voorkomen.
Materiaaltype Ac4e Specifieke Afvoerloca4e
Vloeibaar RBA (ProeZuizen met media) S4Omarkering wissen met alcohol; daarna Verzamelpunt proeZuizen.
autoclaven.
Vast RBA (Petriplaten, handschoenen, Direct weggooien. Cordiedoos (karton met gele
doekjes) binnenzak).
Scherp glaswerk (Microscoopglaasjes) Verzamelen in glazen bokaal op tafel. Geel plasAc RBA-vat (eindstaAon).
Klein materiaal (Wissers, plasAc Verzamelen in glazen bokaal op tafel. Geel plasAc RBA-vat (eindstaAon).
entlussen, Aps)
Vloeibaar chemisch afval Verzamelen in specifieke vaten. Afvoer via VGM-dienst.
2. Grondslagen van de Microbiologische Diagnostiek
Het doel van de diagnosAek is het aantonen van het causaal verband tussen een specifieke kiem en een ziektebeeld.
Diagnos4sche Methoden
• Rechtstreekse methoden (Aantonen van de kiem):
o Microscopie: VisualisaAe van kiemen en wiSe bloedcellen (leukocyten) voor iniAële oriëntaAe.
o Kweek: IsolaAe van de kiem om een reincultuur (één soort) te bekomen; essenAeel voor verdere idenAficaAe.
o An4gendetec4e: Immunologische testen (ELISA, aggluAnaAe) op stalen zoals urine of lumbaalvocht.
o Moleculaire technieken: DetecAe van specifiek DNA/RNA via PCR of sequencing.
o MALDI-TOF MS: Momenteel de belangrijkste methode in de klinische prakAjk om kolonies uit een cultuur te
idenAficeren via massaspectrometrie.
1
, • Onrechtstreekse methoden:
o Serologie: Opsporen van specifieke anAstoffen in het serum. Dit duidt op een immuunrespons (acuut of in het
verleden).
2.1.1. Pre-analytische Fase
Kwaliteit van het staal is bepalend voor het resultaat. Transport moet plaatsvinden bij 4 tot 8°C. Deze temperatuur is cruciaal: het
beperkt de ongewenste vermenigvuldiging van bacteriën zonder hun overleving in het gedrang te brengen.
3. Cultuurmedia en Sterilisatietechnieken
3.1. Basiscomponenten en Agar
Voedingsbodems bevaSen essenAële bronnen voor groei: C (suikers), N (eiwithydrolysaten), S (aminozuren) en P (organische
extracten).
• Agar-eigenschappen: Agar is het ideale stollingsmiddel omdat het niet wordt afgebroken door medisch relevante
bacteriën.
• Thermische eigenschappen: Het smelt boven de 90°C en blijf vloeibaar tot ca. 40°C. Hierdoor kunnen hiSegevoelige
componenten (bloed, anAbioAca) bij ca. 50°C worden toegevoegd zonder te denatureren.
• Consisten4e: Een vaste bodem bevat 12-15 g agar/L; een halfvaste (semi-solide) bodem bevat slechts 5 g/L (gebruikt
voor o.a. mobiliteitstesten).
3.1.1. Classificatie van Voedingsbodems
Type bodem Kenmerken Voorbeelden uit prac4cum
Universeel Ondersteunt groei van vele Bloedagar (TSA + 5% bloed).
soorten.
Selec4ef Bevat inhibitoren die specifieke MacConkey-agar (galzouten/kleurstoffen remmen Gram+); MSA (voor
groepen onderdrukken. halotolerante bacteriën zoals Staphylococci).
3.1.2. Overzicht Sterilisatiemethoden
Methode Parameters Toepassing
Autoclaveren 121°C (15-20 min) of 134°C (5 min) Vloeistoffen (media), instrumenten, decontaminaAe.
Heteluchtoven 160-180°C (min. 2 uur) Droog glaswerk (erlenmeyers, pipeSen).
Gas / Straling Ethyleenoxide / UV of γ-straling Niet-hiSebestendig materiaal (plasAc petriplaten).
Filtra4e PoriegrooSe 0,2 µm HiSegevoelige vloeistoffen (anAbioAca, buffers).
4. Methodiek: Microscopie en Aseptisch Werken
4.1. Gebruik van de 100x Objectieflens (Immersie)
Studenten dienen de 100x objecAeflens te herkennen aan de twee
ringen (zwart en wit).
1. Plaats het preparaat en breng een druppel immersie-olie aan.
2. Zet de 100x lens voor en breng de objecSafel volledig naar
boven met de macrometerschroef.
3. Kijk door de oculairs terwijl u de tafel zeer traag naar beneden
draait tot het beeld verschijnt.
4. Stel scherp met de micrometerschroef.
5. Reinig de lens, oculairs en tafel na gebruik met 100% ethanol.
5. Asep4sch Werken en Incuba4e
• Enten: Gebruik een metalen entnaald (telkens afvlammen)
of plasAc entlussen (eenmalig gebruik; niet afvlammen).
• Incuba4e: Petriplaten worden alAjd ondersteboven
geplaatst om te voorkomen dat condens op de kolonies valt, wat
vermenging van culturen zou veroorzaken.
De markering gebeurt alAjd op de onderzijde van de plaat.
2